Index : De Gele Reeks : DEEL IV

Ibn Gabirol of Avicebron
Franciscus van Assisi
Albertus Magnus

Inhoud : De Gele Reeks : DEEL IV

Ibn Gabirol of Avicebron : blz 1
Ibn Gabirol of Avicebron
De wereld van de islam, meer bepaald de Arabische wereld, staat sinds de Eerste Wereldoorlog volop in de belangstelling, en in het bijzonder nu, wegens de crisis in de Perzische golf. Die Arabische wereld gehoorzaamt weliswaar aan ťťn religie, maar toch is en blijft zij sterk verdeeld.

Het uitgestrekte gebied, van Marokko tot Irak, met zijn vele verschillende soorten van regeringen, politieke problemen rond IsraŽl en Palestina, commerciŽle problemen rond olie, machtsposities van families en partijen, dit alles veroorzaakt een stramien van verdeeldheid.

Anderzijds is de Arabische wereld beweeglijk: duizenden en nog eens duizenden werken als gastarbeiders in Oost en West, en het is mogelijk dat dit nog slechts het begin is van een nieuwe expansie. De huidige situatie staat in fel contrast tot de eenheid en de beweeglijkheid van het begin, in de zevende eeuw.

Zoals een hete woestijnwind waren de Arabische legers toen op veroveringstochten gegaan, ook naar Oost en West. De islam boekte steeds maar nieuwe successen en kwam in zijn stormloop de instellingen van het christendom en van de klassieke oudheid ten zuiden van de Middellandse Zee omverwerpen.

Misschien was dat ook een lang verbeide reactie op en karmische afrekening met de twee machtsblokken van die tijd, Byzantium en PerziŽ, die elkaar eeuwenlang in het gebied van Tigris en Eufraat (MesopotamiŽ, deel van het huidige Irak) hadden bestreden en in de Arabische woestijn hun invloedssferen verdedigden door politieke allianties met kleinere groepen en door omkoperij.

Er stroomde enorm veel rijkdom langs de handelsroutes van de karavanen en de grote tegenstanders probeerden steeds eigen belangen te vrijwaren en elkaar te dwarsbomen. In zekere zin is de islam het onvermoede kind van die eeuwenlange strijd tussen Byzantium en PerziŽ.

Mohammed beschikte schijnbaar over scherp politiek inzicht: hij vertaalde de absolute theologische eenheid van de Godheid in een systeem van sociale gelijkvormigheid en maakte door zijn doctrinaire eenvoud een einde aan de onderlinge twisten van de Arabische stammen, die steeds met het ene of het andere van de 'grote twee' verbonden waren geweest. Dit moest de weelde van de handel meer in Arabische handen concentreren.

De alleenheersende God, vertegenwoordigd door de nieuwe profeet, werd tot principe van een verenigde mensheid en het engagement voor broederschap onder de mensen werd de basis van de nieuwe maatschappelijke orde. Door aldus een radicale verandering teweeg te brengen in de loyaliteit van de Arabische stammen en hun polytheÔsme af te schaffen, maakte Mohammed bronnen van geweldige energieŽn vrij, die nu konden worden gekanaliseerd in de richting van de verovering.

Binnen twee eeuwen na de dood van Mohammed in 632 waren een groot deel van PerziŽ en geheel Noord-Afrika reeds islamitisch gebied. Verbolgen over de beelden en rituelen van de oude mediterrane religies sloten de moslimgeneraals en -kaliefen de Alexandrijnse Academie en staken de overblijfsels van de beroemde bibliotheek in brand.
Daar zij geen nood hadden aan priesters met speciale vermogens en gemanipuleerde gemeenschappen, veegden zij het christendom gewoon weg.
Ibn Gabirol of Avicebron: blz 2
Deze 'zuiveringen' deden vele intellectuele en spirituele juwelen van de antieke wereld teloorgaan, maar zij brachten ook een nieuwe geest in het mediterrane denken tot stand.

Deze nieuwe meesters, zo zeker en vol vertrouwen in hun geloof in een goddelijke lotsbestemming, ontdekten vervolgens de Griekse filosofie en wetenschap. Tegelijkertijd leerden zij de zielskwaliteiten erkennen van de joden, 'de mensen van het Boek', die dezelfde God aanbaden en daardoor de tolerantie van de islam verdienden. Mettertijd werden de krachten losgelaten voor de verovering met dezelfde vurigheid gericht op het denken en de contemplatie.

Enkele eeuwen lang bloeide door Noord-Afrika en tot in Spanje een renaissance van spirituele aandacht op, die zowel jood als islamiet verhief en uitdrukking vond in architectuur en alchemie, zang en letterkunde, zelden in de geschiedenis geŽvenaard. Het was in dit Spanje dat de joodse filosofie haar ontwikkeling kreeg, in de tweede helft van de elfde eeuw, met Salomo ben Jehoedah ibn Gabirol, in de literatuur vaak Avicebron genoemd.

In de twaalfde eeuw gaat zij terug naar het Oosten, met Maimonides.

Parallel met deze beweging pendelt zij, evenals de filosofie van de islam, tussen Plato en Aristoteles.

Ibn Gabirol werd geboren te Malaga, in of rond 1020, uit ouders die van Cordoba kwamen. De bronnen voor het leven van ibn Gabirol zijn schaars; het zijn vooral zijn eigen gedichten, en de geschriften van Mozes ibn Ezra (1). Hij volgde de school in Saragossa, misschien daarheen gebracht na de vroege dood van zijn vader, een verlies dat hij vele jaren lang diep betreurde. Hij kreeg een uitstekende kosmopolitische opvoeding, leerde Arabisch en Bijbels Hebreeuws, en maakte zich het islamitische neoplatonisme en de filosofie van Aristoteles eigen.

Reeds in zijn jeugd koppelde hij een grote belangstelling voor de vermogens van de zuivere rede aan een diep besef van het heilige. Soms beklaagde hij er zich over dat hij geen genoegen kon vinden in de liefdesavonturen van jongeren en hij verklaarde dat hij op de leeftijd van zestien reeds het hart van een tachtigjarige bezat. Zijn lichaam was teer, zijn gezondheid wankel, en hij richtte zijn denken en zijn energie meer op filosofie en religie dan op de dingen van de wereld. Toen hij zestien was had hij reeds gedichten geschreven die onder de beste van de middeleeuwse joodse literatuur worden gerekend en waarin hij de beeldentaal van de liefde aanwendde, reeds zo beroemd door de grote dichters onder de soefi's. Negentien jaar oud schreef hij een Hebreeuwse spraakkunst in verzen. Zijn genie was zo briljant en creatief dat hij heel zijn leven lang belangrijke sponsors aantrok.

In 1039 werd een van die beschermheren, JekoethiŽl, gedood als gevolg van een intrige aan het hof. Van toen af aan ondervond Gabirol de persoonlijke en filosofische tegenstand van de ouderen in de stadsraad van Saragossa en hij kwam daardoor financieel in moeilijkheden. Het jaar 1045 werd een kritieke periode van zijn levensloop wegens de dood van zijn moeder. Ofschoon hij als dichter reeds beroemd en alom geŽerd was en zijn werken opgenomen werden in de liturgie van het Spaanse jodendom via de Sefardische en Asjkenazische gebedenboeken, ging hij zijn aandacht geheel op de wijsbegeerte richten.

In Aristotelische termen ging hij uit van een opperste godheid, die alle denkbare attributen te boven ging. Terwijl hij de mogelijkheid verwierp met de rede vanuit het bijzondere tot universele waarheden te komen, aangezien waar begrip niets anders is dan goddelijke verlichting, leerde hij dat de mens wijsheid kan bereiken door het behoorlijk gebruik van het denkvermogen, wanneer dit van devotie is doortrokken. Een leven toegewijd aan het assimileren van kennis is de eigenlijke voorbereiding van de ziel om zich te voegen bij de Bron van het leven waaruit zij emaneerde.

De extase kan een tijdelijke vereniging van de ziel met haar bron verschaffen zelfs wanneer zij in het lichaam 'begraven' is, maar alleen het pad van kennis kan de ziel bevrijden na de ontbinding van haar vleselijke gevangenis en haar toelaten zich op eigen vleugels tot haar oorspronkelijke en eeuwige woonplaats te verheffen. Gabirol ontvouwde het benodigde plan in drie stadia, beschreven in 1045.
Ibn Gabirol of Avicebron: blz 3
'Kether Malkoeth', ofwel 'De Koninklijke Kroon', is een dichtwerk dat de structuur van het Universum en de attributen van de Godheid beschrijft en aantoont hoe deze veel meer de beperkingen of de grenzen van het menselijke denken vertegenwoordigen dan de natuur van het Onkenbare. Zoals al zijn andere gedichten was het geschreven in Bijbels Hebreeuws. Onder zijn Arabische naam, Aboe Ajoeb Soeleiman ibn Jahia ibn Djabiroel, schreef hij in het Arabisch het 'Kitab Islah al-Akhlaq', het 'Boek van de verbetering der morele trekken van het karakter', en dat was onder de joodse filosofen de eerste poging om de ethica te systematiseren.

De Thora en de profeten van de Bijbel verstrekken morele leiding in de vorm van bevelen en regels. Latere denkers organiseerden deze instructies in ordelijke lijsten, maar Gabirol leerde dat de basis van ethische geboden in de natuur van de ziel zelve ligt. 'Mekor Hajiem' werd, zoals al het proza van Gabirol, in het Arabisch geschreven en bestaat nog in een Latijnse vertaling van de twaalfde eeuw als de 'Fons Vitae', de 'Bron van het leven' (2). (Mevrouw Blavatsky noemt dit in de 'Sleutel tot de Theosofie', p.60, een prachtig kabbalistisch gedicht.) Zodra de ethische basis van kennis is verzekerd door te erkennen dat zij zich in de ziel bevindt, wordt het mogelijk de drie takken van de wetenschap vruchtbaar te beoefenen.

'Fons Vitae' beschrijft in grote lijnen de eerste tak, de leer van materie en vorm, zinspeelt op de tweede, de wetenschap van de goddelijke wil, maar hult de derde, de wetenschap omtrent de Godheid zelf, in stilte.

Nadat hij de filosofische leringen, vervat in zijn gedichten, had opgehelderd, trok Gabirol zich terug uit de draaikolk van Saragossa, verbleef korte tijd in Granada en uiteindelijk in Valencia.

De traditie verhaalt dat hij een vrouwelijke golem of homuncula (een levende 'robot') bouwde en haar aan de koning vertoonde. Hij bracht de laatste jaren van zijn leven door in betrekkelijke rust en stierf in of rond 1057, toen hij pas vijfendertig jaar oud was. Volgens een legende werd hij door een jaloerse Moor vermoord en werd zijn lichaam in het geheim begraven onder een vijgenboom.

De snode daad kwam aan het licht doordat de boom zo'n verbluffende oogst opleverde dat men opzoekingen ging doen om de oorzaken van deze haast magische rijkdom te ontdekken. Gabirols heldere spiritualiteit en filosofisch inzicht, die reeds tijdens zijn leven zo werden geŽerd, kregen na zijn dood nog meer luister.

Zijn Arabisch proza ging op den duur in de judaÔsche traditie verloren, maar werd door Arabische en Latijnse filosofen bewaard.

De 'Fons Vitae', gepubliceerd onder zijn Latijnse naam Avicebron, oefende invloed uit op de Italiaanse Renaissance en op de franciscaanse wijsgeren. Omdat hij in zijn werk niet verwees naar Bijbel, Talmoed of Midrasj en geen traditionele joodse uitdrukkingen gebruikte, werd Avicebron algemeen beschouwd als een moslim en soms zelfs als een christen. Zijn Hebreeuws religieus dichtwerk wordt tot op de dag van vandaag nog in zekere heilige riten gebruikt.

Jehoedah al-Harizi schreef: 'Al de dichters van zijn tijd waren, vergeleken met hem, fout en waardeloos... Hij alleen bereikte de hoogste treden van de dichtkunst, en bij hem werd de welsprekendheid geboren in de schoot van de wijsheid... de dichters die vůůr hem kwamen waren als niets en na hem kon niemand hem evenaren.'

De Amerikaanse beeldhouwer Reed Armstrong maakte een beeld van hem, staande in rustige contemplatie, voor de stadsraad van Malaga, de Spaanse stad die hij altijd als zijn tijdelijk aards tehuis had beschouwd.

Zoals bij Plotinus is de mystieke en devotionele filosofie van Gabirol geworteld in een innerlijke waarneming, een transcendente ervaring van het goddelijke. Verscheidene van zijn gedichten kunnen in een toestand van extase zijn geschreven.
Ibn Gabirol of Avicebron: blz 4
De enige bestaansreden en het doel van het leven is voorbereiding tot de terugkeer van de ziel naar haar goddelijke Bron, en deze terugkeer kan slechts plaatshebben door kennis te verkrijgen omtrent de fundamentele principes die mens en natuur onderbouwen. Daardoor worden de latente vermogens van de ziel tot actieve machten. Kennis bereikt haar toppunt in kennis van het goddelijke en dit gebeurt alleen bij diegenen die de mysteriŽn van de Natuur, waarin het goddelijke is geopenbaard, hebben doorschouwd.

Rede en begrip zijn essentieel voor de bevrijding van de ziel uit de gevangenis van voorwaardelijk bestaan. Zij kunnen worden gevoed door een methode die bijzonderheden bestudeert en naar een meer universele visie evolueert; methode die in de geschriften van Gabirol wordt verduidelijkt.

Het lange filosofische gedicht 'Kether Malkoeth', dat zijn titel samenstelt uit de hoogste en laagste 'sefirot' (3) van de kabbalistische levensboom, begint met lof voor de attributen van God. God is eenheid, de grond van het zijn, eeuwigheid, het leven zelf en absolute goddelijkheid; God is ook licht:

'Gij zijt het opperste Licht, en de ogen van de gelouterde ziel zullen U zien.'

Gabirol verwerpt dan de opvatting dat het mogelijk zou zijn onderscheid te maken tussen de Godheid en haar attributen. Daar de Godheid absoluut is, zijn de attributen in feite de hoogste expressie van menselijke concepten (4).

Mevrouw Blavatsky citeert in haar 'Sleutel tot de Theosofie', (p.60 van de nieuwe Nederlandse vertaling uitgegeven door de T.U.P. Den Haag, 1985) de volgende passage uit dit gedicht om aan te tonen dat het Absolute niet denkt, 'om de eenvoudige reden dat het Absolute 'Gedachte' zelve is':

Gij zijt ťťn, de wortel van alle getallen, maar niet als element van telling, want eenheid laat geen vermenigvuldiging, verandering, of vorm toe.

Gij zijt ťťn en in het geheim van Uw eenheid verliezen zich de meest wijzen onder de mensen, want zij kennen haar niet.

Gij zijt ťťn, en Uw eenheid wordt nooit verminderd, nooit uitgebreid en kan niet worden veranderd.

Gij zijt ťťn en geen van mijn gedachten kan voor U een grens vaststellen of U omschrijven.

Gij ZIJT, maar niet als ťťn die bestaat, want het begrip en het inzicht van stervelingen kunnen Uw bestaan niet bereiken en evenmin voor U het waar, het hoe en het waarom bepalen.


De Godheid manifesteert zich als 'ha-Hefez ha-Medzoemman', de voorbestemde wil, waarvan de bron wijsheid is. Goddelijke wil in de natuur betekent lotsbestemming en menselijke wijsheid is het begrijpen van deze wil. Boven en voorbij de zeven hemelse sferen beschreven door de bewegingen van de zeven zichtbare planeten - de Maan, Venus, Mercurius, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus - en de achtste sfeer van de Zodiak, ligt de negende sfeer van het hemelgewelf. Boven en voorbij deze ligt de tiende sfeer, van zuivere Intelligentie, en transcendent boven dit alles verheven ligt het 'gebied der zuivere zielen', de primaire emanaties van de Godheid.

De wil verplicht de zielen af te dalen door middel van de Intelligentie, die hun een afgescheiden bestaan geeft, en door al de sferen van de aarde heen, het rijk van de vier elementen, vuur, lucht, water en aarde. De stoffelijkheid van deze tijdelijke verblijfplaats is de bron van de zonde. Ware kennis is berouw, want de ziel ontsnapt uit haar aardse toestand door 'het vermogen van kennis dat in de ziel zelf inherent is'.

'Kether Malkoeth' werd soms in verzen opgezegd op de Dag van de boetedoening.

In 'De verbetering van de morele karaktereigenschappen' bestudeerde Gabirol de eigenschappen die inherent in de ziel aanwezig zijn en stelde voor hoe zij konden worden versterkt of onderdrukt om de ziel op het pad van de bevrijdende kennis te zetten. Een eeuw vroeger had Saadja ben Jozef geprobeerd de eigenschappen van het hoger aspect van de ziel te definiŽren; die welke naar het goddelijke streven.

Gabirol onderwees dat deze eigenschappen in feite functies van de lagere ziel zijn, noodzakelijk betrokken in de wereld van de zintuigen.
Ibn Gabirol of Avicebron: blz 5
Wanneer deze eigenschappen behoorlijk worden ontwikkeld, geven zij aanleiding tot het onderscheidingsvermogen, dat de perfectie van de lagere ziel voorstelt. Dit vermogen is de drempel van het hogere leven, het begin van de spirituele ethica, verheven boven het begrip van het redenerende verstand, en boven alle discussie, behalve onder hen van wie ervaring hen reeds heeft gewekt tot de werkelijkheid van de hogere ziel.

Gabirols boek behandelt alles wat gewoonlijk menselijk wordt genoemd. Hij toont aan hoe men zich kan disciplineren en orde in zijn leven kan brengen door een begin te maken met het bewandelen van het pad van ware kennis. Dit is mogelijk omdat de mens een rechtstreekse emanatie van de Godheid is en natuurlijkerwijze naar zijn Bron neigt, behalve in zoverre hij is verward door de zintuigen in het materiŽle bestaan.



De zintuigen maken zichtbaar wat de mens zich van zijn ware natuur als ziel kan herinneren, maar daar hij door de negen sferen van de planeten is afgedaald, wordt de mens door hen omschreven en beperkt en moet hij zich inspannen om de aangeboren neiging van de ziel te manifesteren. Naar dit ideaal te streven is 's mensen hoogste plicht, en dit betekent dat hij moet proberen de lagere, dierlijke ziel in harmonie te brengen met de geboden van de hogere ziel, het goddelijke in de mens.

De vier elementen worden voorgesteld als de vier lichamelijke humeuren of lichaamsvochten. Hun combinatie geeft aanleiding tot de vijf fysieke zintuigen en deze zijn de kanalen waardoor de eigenschappen van de lagere ziel verschijnen als het spel van de tegengestelden.

De mens zou moeten proberen tot het aantal van de uitmuntenden te behoren en hen vlijtig in hun voetstappen volgen. Hij moet zijn eigenschappen verfijnen tot ze zijn verbeterd en totdat hij als eerbaar bekend staat moet hij het gebruik van zijn zintuigen beperken tot het noodzakelijke...

Maar wanneer de mens dit bereikt moet hij niet weemoedig staren naar het bereiken van dat wat er nog boven ligt - duurzaam geluk dat hij kan verwerven in de sfeer van het Intellect, die wereld die zal komen.


De eigenschappen die zich manifesteren door het zintuig van het zicht zijn nederigheid en bescheidenheid, en hun tegengestelden zijn hoogmoed en onbeschaamdheid. Het zien staat tot de mens zoals de zon tot het zonnestelsel, en zo is het zicht het zintuig dat de goddelijke Ziel het meest benadert en haar natuur het duidelijkst weergeeft. Aan het gehoor worden liefde en barmhartigheid, haat en wreedheid toegeschreven. De reuk wordt in verband gebracht met goede wil en waakzaamheid, woede en jaloersheid.

De smaak, het laagste van de zintuigen, vergt de eerste en grootste poging tot beheersing. Hij houdt verband met vreugde en rust, treurnis en spijt. De tastzin manifesteert vrijgevigheid en moed, gierigheid en lafheid. De plicht en het spirituele streven vergen het oefenen van de eerste twee eigenschappen toegeschreven aan elk zintuig en de uitroeiing van het tweede paar.

Terwijl Gabirol passages uit de Bijbel citeerde om zijn bedoelingen te verduidelijken, werd het ethische leven voor hem toch niet bepaald door mechanische afhankelijkheid van de Wet (Thora). Hij vereerde de leringen van de rabbijnen, maar verwierp hun neiging tot dogmatisme.

De 'Fons Vitae' is een zuiver filosofisch werk en verwijst niet naar de Bijbel of de Bijbelse traditie. MateriŽle (samengestelde) substanties komen van enkelvoudige substanties die afgeleid zijn van universele materie en vorm, een emanatie van de goddelijke wil. Het eerste principe is de Eerste Essentie, de Godheid, boven karakterisering en iedere soort van begrip verheven.

'Dat zij is' wordt aangetoond door de activiteit van de goddelijke 'wil'. Niettemin is alles buiten de uiteraard onkenbare Eerste Essentie tegelijk geestelijk en stoffelijk. De rationele ziel, een emanatie van de eerste samenstelling van universele materie en vorm, met name Intellect, is verbonden met de vegetatieve ziel, het product van de laagste enkelvoudige substantie, de Natuur, de levengevende geest.
Ibn Gabirol of Avicebron: blz 6
'De vorm van het intellect sluit alle vormen in, en zij zijn erin vervat', zodat de ziel potentieel alwetend is. Alleen vormen zijn kenbaar, want de stof zelf is uiteraard onbegrijpelijk.

De betrokkenheid van de ziel bij de stof kan de ziel slechts voor haar eigen mogelijkheden doen ontwaken wanneer zij de vormen waarneemt die er op onvolmaakte wijze in belichaamd zijn.

Boven de kennis van vorm en stof staat echter de geheel transcendente kennis van de goddelijke wil, die identiek is met goddelijke wijsheid en de Logos. Op zichzelf beschouwd is wil de goddelijke essentie, oneindig in haar aard hoewel eindig in haar actie. De ware kennis die de ziel bevrijdt en haar toelaat naar haar bron terug te zweven is de kennis van de wil. Wanneer de levende ziel in de mens de lagere ziel disciplineert door haar aspiratie naar de hogere ziel, manifesteert zij de goddelijke wil. Ethica is daarom het begin van kennis van de wil. Zij opent de weg naar de filosofie, die de kennis van de goddelijke wil 'in actie' is en de ziel bevrijdt om terug te keren naar dat wat zelfs boven de wil staat, de Absolute Godheid, de immer verborgen Bron van de schepping.
Gabirol leerde dat: 'De orde van de microkosmos het beeld is van de orde in de macrokosmos.'

Daar kosmische principes zijn weerspiegeld in het menselijke wezen, is het mogelijk door geestelijk besef en ethische inspanning in het bewustzijn op te stijgen tot goddelijke wijsheid en onsterfelijke zaligheid.

Hoe meer een substantie afdaalt, des te meer differentieert zij zich; hoe meer zij opstijgt, des te meer wordt zij ťťn. Alles wat zich differentieert in de neergang en zich verenigt in de opgang bereikt noodzakelijk ware eenheid.

Voor Gabirol worden de Natuur en het menselijk bestaan slechts begrijpelijk vanuit het standpunt van het universele en goddelijke. Wereldse zaken hebben geen betekenis op zichzelf, behalve dat zij de ziel herinneren aan haar zending: de lange weg te bereizen met vriendelijkheid, liefde en tevredenheid.

Dit is een vertaling en bewerking van een artikel verschenen in 'HERMES' van april, 1981, jaargang VII, nr.4, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, U.S.A.
Ibn Gabirol of Avicebron: blz 7
VOETNOTEN

(1) Mozes ibn Ezra: joodse dichter en arts, geboren te Granada in 1060 en gestorven in 1139. In zijn jeugd bedreef hij Arabische liefdespoŽzie en in zijn latere leven schreef hij religieuze gedichten, die ten dele werden opgenomen in de Sefardische liturgie. Hij schreef ook een godsdienstig-filosofisch werk dat in Hebreeuwse vertaling bekend is en waarin hij islamitische problemen van filosofie en openbaring vanuit het joodse standpunt behandelde.
(Uit de Larousse Encyclopedie)

(2) De 'Fons Vitae' was reeds lang in het Westen bekend, maar pas in de 19de eeuw ontdekte men dat de auteur, toen bekend als Avicebron, de beroemde joodse dichter Salomo ibn Gabirol was.

Salomon Munk had een Latijns manuscript van de 'Fons Vitae' ontdekt in de BibliothŤque Nationale te Parijs en tegelijkertijd Hebreeuwse uittreksels vertaald door ibn Fa-laqara, een joodse geleerde van de 13e eeuw, en deze had in zijn woord vooraf het werk toegeschreven aan ibn Gabirol.

Munk publiceerde zijn ontdekking in 1846.

Vroeger reeds hadden andere historici de hypothese geformuleerd dat het Latijnse werk door Gondissalvi uit het Arabisch was vertaald.

In 1855 ontdekte Seyerlen in de BibliothŤque Mazarine een ander Latijns manuscript eindigend op vier verzen waarin de vertalers zich noemen: Jean d'Espagne en Domenico Gondissalvi. Daaruit bleek dus dat de Latijnse tekst dateerde uit de eerste helft van de twaalfde eeuw en deel uitmaakte van de eerste groep Arabische geschriften die aan het Latijnse Westen werden medegedeeld en waaronder zich ook werken van al-Kindi, al-Farabi, ibn Sina en al-Ghazali bevonden.

Pas in 1895 gaf Baumker een volledigere Latijnse tekst uit, gebaseerd op vier manuscripten: de twee in Frans bezit hierboven vermeld, ťťn in Sevilla en het laatste in Frankfurt. De Franse vertaling in ons bezit is op de uitgave van Baumker gebaseerd en verzorgd door Dr. Fernand Brunner, aan wiens werk wij bovenstaande informatie ontlenen. ('La Source de la Vie', Livre III, Vrin, Paris, 1950). De vertalers van het manuscript Seyerlen worden in de Spaanse vertaling aangeduid als Juan Hispano en Domingo Gonzalez.

Ibn Gabirol verenigt drie invloedssferen: de joodse, de Arabische en de Griekse. Wat deze laatste betreft, bestond die voor het wetenschappelijk deel vooral uit de werken van Aristoteles, Hippocrates, Galenus en Ptolemaeus, en voor de filosofie uit die van de neoplatonisten, vertaald door Arabieren, en ook uit de leringen van de school van Ibn Masarra. (Zie G.L.T. Gele Reeks, boek III, VI, juni 1990).

(3) Kether Malkoeth, Sefirot: de tien Sefirot (enkelvoud Sefirah, meervoud Sefirot) zijn in de kabbala weergegeven als bestaanssferen (of wijzen van bestaan) die zich bevinden op vier gebieden of 'werelden'; zij komen analogisch overeen met de bollen van de planeetketen en de kosmische en menselijke principes van de Theosofie. (Zie in dit verband 'De Geheime Leer', I, 269 en II, 721 in de nieuwe Nederlandse vertaling uitgegeven door de T.U.P., Den Haag, 1988).

De vier 'werelden' zijn ongetwijfeld de vier 'gebieden' waarop Mevrouw Blavatsky de zeven bollen situeert (Zie 'De Geheime Leer', I, 228 in dezelfde vertaling). In de 'Kabbalah' van Charles Poncť, Nederlands van Louis Rebeke, Ankh-Hermes, 1979, pp. 58 en 29, vinden we de lijst en de tabel van de tien Sefiroth op de vier werelden, als volgt:

- in Atsiluth (uitstraling): Kether (Kroon), Chochmah (Wijsheid) en Binah (Begrip);

- in Beri'ah (Schepping) ; Chesed (Genade), Geburah (Macht) en Tifereth (Schoonheid);

- in Jetzirah (Vormgeving): Netsach (Overwinning), Hod (Heerlijkheid) en Jesod (Voortplanting);

- in Assiah: Malkoeth (benen en voeten, de fysieke wereld). De tien samen vormen de Adam Kadmon of Hemelse Mens, d.i. de drie-eenheid en haar zevenvoudige manifestaties in de wereld van vorm.

(4) Mevrouw Blavatsky verklaart in haar commentaar op de Eerste Grondstelling van 'De Geheime Leer' 'dat er ťťn volstrekte werkelijkheid is, die aan elk gemanifesteerd, voorwaardelijk zijn voorafgaat.'

Dit Absolute, het 'onbewuste' en het 'onkenbare' van de -in haar tijd- gangbare Europese filosofie, 'is natuurlijk verstoken van alle eigenschappen en staat in wezen buiten enig verband met alle gemanifesteerd, eindig Zijn. Het is 'Zijnheid', meer dan Zijn... en gaat alle gedachte of bespiegeling te boven.'

Het is voor Theosofen interessant hoe Ibn Gabirol in zijn 'Fons Vitae' dit kernprobleem van de oorspronkelijke beweging benaderde. Om dit duidelijk te maken citeren we een paragraaf uit Emile Drťhier's 'Philosophie du Moyen-Age' (Albin Michel, Paris, 1937, p.237), die over onze 'Avicebron' het volgende zegt:

'Waar de leer van Avicenna op het kruispunt staat van de invloeden van peripatetisme (Aristoteles, vert.) en Plato, is de invloed van Aristoteles om zo te zeggen nul, behalve wat de dialectische methode betreft; en zelfs, indien hij nooit zijn bronnen vermeldt, oefent hij kritiek uit op sommige fundamentele opvattingen (van Aristoteles) en in het bijzonder op die welke aan God de beweging van de eerste hemelsfeer toeschrijft: volgens hem is het onmogelijk dat de Schepper, die oneindig is, onmiddelbaar de beweging van een sfeer zou veroorzaken, die eindig is; en bovendien geeft hij als axioma toe dat een onbeweeglijke substantie, zoals de Schepper, geen andere substantie in beweging kan brengen:

'Alles wat zichzelf niet kan bewegen, kan ook niets anders bewegen... De motor van een substantie geeft inderdaad aan de substantie het vermogen zich te bewegen; maar alles wat een attribuut aan een ander iets mededeelt, moet dit attribuut zelf meer bezitten dan dat waaraan het gegeven wordt.' ('Fons Vitae', III, 7) Het onmiddellijke, of liever directe principe van de beweging is dus wat zichzelf beweegt, en dit is wat Plato de ziel noemt.'

De probleemstelling en de redenering zijn voor ons interessant als voorbeeld van een andere benadering. In de Theosofie is het Absolute ook onbeweeglijk, en dus onveranderlijk. Het heeft echter een aspect van wetmatigheid, dat het principe van beweging en verandering inhoudt, daar de wetmatigheid in haar vorm van universele periodiciteit de aanleiding is voor het alternatief 'waken en slapen' van de oerstof waarin de beweging wordt gemanifesteerd.

(5) In haar 'Theosofisch Glossarium' (p.161) noemt Mevrouw Blavatsky 'Gabirol' ook een kabbalist. In verband met dit onderwerp schreef de ons inmiddels reeds bekende Dr. Margaret Smith in 'The Aryan Path' van september, 1942, een artikel getiteld 'Reincarnation in Jewish Thought'. We citeren het relevante deel: '...de kabbala...werd in de negende eeuw van BabyloniŽ naar ItaliŽ gebracht door Aaron ben Samuel, die het onderwerp onderwees en erover schreef.

Vanuit ItaliŽ verspreidde de leer zich over geheel Europa en kreeg bijzonder veel aandacht en goedkeuring in Duitsland, in de theologische school door Judah ben Samuel gesticht te Regensburg.

Judah ha Levi ben Samuel werd geboren te Toledo in 1085; hij was een dichter en wijsgeer die in Egypte en in Palestina had gereisd... Onder degenen die invloed uitoefenden op de ontwikkeling van de kabbalistische leer was Salomo ibn Gabirol, bekend als de 'joodse Plato', en een van de eerste leraren van het neoplatonisme in Europa. Hij was zelf beÔnvloed door de brieven van de 'Ikhwan al-Safa', de Broeders van het Licht, een groep gevormd te Basra (Irak) in de tweede helft van de negende eeuw. Zij onderwezen de plotiniaanse leer van de emanaties...'
Franciscus van Assisi : blz 1
Franciscus van Assisi
'Dit is mijn raad aangaande de toestand van uw ziel. Volgens mij zoudt U alles wat het U moeilijk maakt God lief te hebben, moeten beschouwen als een bijzondere gunst, zelfs als anderen, broeders inbegrepen, er verantwoordelijk voor zijn of zelfs indien zij zo ver gaan fysiek geweld tegen U te gebruiken.

U moet dit beschouwen als hoe en wat U wilt zijn, en U kunt dit als een bevel van God of van mijzelf beschouwen.

Ik ben ervan overtuigd dat dit de ware gehoorzaamheid is. U moet hen die U zo behandelen liefhebben en niets anders van hen verlangen, behalve wat God toelaat U te overkomen. U kunt uw liefde voor hen tonen door te wensen dat zij betere christenen zouden zijn. En dit zou U meer voordeel moeten brengen dan de eenzaamheid van de kluizenaar.'

Brief van een zielenherder                                 Franciscus van Assisi

leder tijdperk heeft zijn eigen geheime bronnen van vernieuwing en zijn uitzonderlijke mannen en vrouwen die het essentiŽle in het leven kunnen onderscheiden.

Zoals Plato in de mythe van Er liet verstaan, zijn de meeste mensen in hun bewustzijn verward wanneer de waarden van een cultuur onduidelijk zijn; zij handelen dan onder dwang of uit verveling.

In een cultuur die haar waarden strak formuleert, worden velen blinde conformisten. Maar zowel in toestanden van stagnatie als van chaos doordringen de krachten van de ideatie (d.i.: hoger-manasische krachten, vert.) het gebied van denken en handelen; zij beÔnvloeden velen zonder dat dezen er zich bewust van zijn en verschaffen de grondslag waarop enkele weinige uitverkorenen kunnen bouwen en zelfbewust een voorbeeld en een bron van inspiratie worden voor latere tijden.

De twaalfde en de dertiende eeuw lijken voor latere generaties vanuit ťťn standpunt afgestompt en doods indien niet echt dood, en vanuit een ander langdradig en vervelend om reden van de talloze politieke en religieuze intriges.

De hoven van zuidelijk Frankrijk en noordelijk Spanje koesterden de traditie van de troubadours en de ridderlijke liefde. Relaties tussen mannen en vrouwen werden uit hun context van huwelijkscontracten verheven en nieuw geformuleerd in termen van de zoektocht naar idealen.

Een vreemd mengsel van vroomheid en veroveringszucht kwam te voorschijn in de Kruistochten, waarin edelen van heel Europa naar overzeese gebieden voeren om het Heilig Land uit heidense handen te verlossen.

Soms moest het onkritische aanvaarden van de kerkelijke autoriteit de baan ruimen voor radicale religieuze hervormingen, dramatisch belichaamd in de beweging van katharen en albigenzen. De oude landadel werd ook geconfronteerd met de opkomende klasse van handeldrijvende burgers, die haar eigen waarden en manieren van doen had.

Binnen de politieke en economische gisting van het tijdperk rees een spiritueel bewustzijn op waardoor grote aantallen van individuen de wereld gingen verlaten om zich ascetisch terug te trekken in onbevolkte valleien en op verafgelegen heuvels. De middeleeuwse wereld was aan 't veranderen en hield beloften in voor mensen die in verandering hun element vinden.

Pietro di Bernardone, een rijke handelaar uit Assisi, reisde vaak naar de Champagne om er de grote 'handelsbeurzen' te bezoeken. Tijdens een van die reizen, in 1181, baarde zijn vrouw, Pica, een zoontje dat zij Giovanni liet dopen. Zodra Pietro echter terug thuiskwam, veranderde hij de naam van het kind in Francesco, genoemd naar Frankrijk, het land waarvan hij de cultuur zo zeer bewonderde. Over de familie van Franciscus weet men weinig : zijn moeder was vroom en orthodox, zijn vader was niet erg geliefd. Hij was een koppig man en daagde de mentaliteit van het hertogdom Spoleto voortdurend uit door zijn enthousiasme voor alles wat Frans was.
Franciscus van Assisi : blz 2
De voorname burgers van Assisi waren gegrepen tussen de pauselijke pogingen het kerkelijk gebied uit te breiden en de aanspraken van het Heilige Roomse Rijk (het Germaans-Latijnse keizerrijk dat Karel de Grote opvolgde).

Zij vonden Pietro's minachting voor de gegevens van de geldende politiek vervelend en zelfs gevaarlijk. De ideeŽn van de albigenzen waren samen met de handel in ItaliŽ binnengedrongen en Pietro stond onder de invloed van de 'katharoi', 'de zuiveren'.

Nog voor de geboorte van Franciscus hadden keizerlijke legers UmbriŽ bezet en zoals vele van haar zustersteden had Assisi de Duitse meesters aanvaard. In de vrede die daaruit voortkwam kon de handel zich ontwikkelen en voorspoed verzekeren, zodat Franciscus opgroeide in een leven van rustige weelde. Zijn opvoeding was bescheiden maar flink, berekend op een latere leidende rol in de zaken van de familie.

In 1197 overleed keizer Hendrik VI en de gebieden van de Hohen- staufen losten zich op in hun samenstellende delen. Drie maanden later stierf ook paus Celestinus en in het begin van 1198 werd Lotharius van Segni tot priester gewijd, tot bisschop benoemd en gekroond als paus Innocentius III. Binnen enkele maanden greep Innocentius het initiatief en begon een triomftocht door de oude pauselijke landen, zodat stad na stad zich van de keizerlijke overweldigers losscheurde en zich aan de paus onderwierp.

Toen de paus ook op het hertogdom Spoleto aanspraak maakte, bood Assisi geen weerstand. De burgers zagen echter niet in waarom ze de ene tiran zouden vervangen door de andere, en zij begonnen op de heuvel buiten de stad de koninklijke vesting af te breken. Hoewel ze de pauselijke autoriteit erkenden, verkozen ze consuls en begonnen zich te gedragen alsof hun gebied half onafhankelijk was. In het bijzonder waren het de jonge mannen van Assisi die in deze nieuwe situatie veel genoegen vonden.

Franciscus werd vaak uitgeroepen tot 'koning van de feestvierders' en hij leidde de jeugd op luidruchtige tochten door de stad. Waar de nodige erfelijke adel hem ontbrak, compenseerde hij dit door zijn vermogen te betalen. Terwijl heel wat edelen hun machtsverlies aanvaardden en zelfs in de stad gingen wonen om hun rol van burger te spelen, boden sommigen van de meer machtige heren weerstand aan deze veranderingen en zij riepen daarbij de hulp in van het nabije Perugia. Toen de burgers van Assisi het kasteel van Sassarosso hadden vernield, vluchtten zijn adellijke bezitters naar Perugia en deze stad eiste schadeloosstelling voor de verliezen van haar nieuwe burgers.

In de herfst van 1202 marcheerde het leger van Assisi op tegen Perugia. Dank zij de rijkdom van zijn vader kon Franciscus dienst nemen in de cavalerie en hij reed opgewonden en met een gevoel van lotsbestemming uit naar de verhoopte zege. Het leger nam stellingen in te Collestrada aan de Tiber om daar de Perugiaanse strijdmacht op te wachten.

De veldslag die daarop volgde was voor Assisi een ramp. Vele infanteristen werden gedood en Franciscus werd met sommigen van zijn medesoldaten gevangen genomen. Hij bleef een jaar lang krijgsgevangene van Perugia maar spreidde in de kerker zo'n constant goed humeur tentoon dat zelfs de meest gedeprimeerde gevangenen erdoor werden opgebeurd.

Toen hij werd vrijgelaten en naar huis terugkeerde stelde hij vast dat de groep van de gematigden er niet in was geslaagd een redelijke vrede met Perugia te verkrijgen. De extremistische elementen drongen aan op een agressieve voortzetting van de oorlog en hadden zelfs een kathaar tot 'podesta' uitgeroepen; dit is een tijdelijke dictator die enkele maanden lang het bewind zou voeren.

De kerk reageerde door de zijde van Perugia te kiezen en een aantal burgers, onder wie schijnbaar ook Pietro di Bernardone, werden verplicht tot bijzondere verklaringen van orthodoxie. De oorlog was voorbij.
Franciscus van Assisi : blz 3
Franciscus voelde in zich een diepe hunkering naar het vervullen van een lotsbestemming, maar hij was niet gezegend met de directe intuÔtie van wat die lotsbestemming moest zijn. Zijn vader had hem de liederen van de troubadours geleerd in de 'langue d'oc', het oude Frans van het zuiden. De ridderlijke en vergeestelijkte liefde van de troubadours en de populaire legenden van de Ronde tafel van koning Arthur vloeiden samen in een romantische opvatting van de kruistochten en de rijken overzee.

Hoewel de details onbekend zijn is het duidelijk dat Franciscus een diep verlangen voelde om ridder te worden, want in die archetypische figuur vond hij de krijger en de aan het goddelijke toegewijde verenigd.

In ApuliŽ streed Walter van Brienne voor de restauratie van de wettelijke orde, en Franciscus besloot hem daarin in het zuiden te volgen. Zijn vader voorzag hem van een prachtige ridderkledij en zond hem op weg naar roem en glorie. Net voordat hij vertrok, had hij een droom :

Terwijl Franciscus sliep verscheen een man die hem bij zijn naam riep en hem rondleidde in een ruim en mooi paleis, waarvan de muren vol hingen met schitterende maliŽnkolders, glanzende gespen en al de wapens en harnassen van krijgers. Franciscus was overgelukkig en, nadenkend over de mogelijke betekenis van dit gebeuren, vroeg hij voor wie die heerlijke wapens en dat prachtig paleis waren bedoeld; en hij kreeg als antwoord dat zij voor hem en zijn ridders waren.

Deze schijnbare bevestiging van zijn verlangens sterkte hem in zijn vreugde en welgezind reed hij Assisi uit naar het zuiden.

Nauwelijks had Franciscus het naburige Spoleto bereikt of hij werd ziek. Terwijl hij zich in een toestand van bedwelming bevond hoorde hij een stem die hem vroeg:

'Wat is beter, de meester te dienen of de dienaren ?'

Franciscus antwoordde dat het beter zou zijn de meester te dienen. 'Waarom,' ging de stem verder, 'zoek je dan eerder de dienaren op dan de meester?' Franciscus was verbaasd, maar vermoedde wel iets van de mogelijke betekenis en vroeg: 'Wat wilt ge dan dat ik doe, Heer ?' De stem antwoordde: 'Ga terug naar je geboorteplaats en wees voorbereid op wat je daar zal worden bevolen.'

Hoewel deze instructie zeer verschillend was van het vage idee waarmee Franciscus zich had beziggehouden, keerde hij terstond zijn ridderlijke queeste de rug toe en begaf zich naar Assisi.

Aan de ene kant had hij iets van opperste belang in zichzelf ontdekt, en aan de andere kant had hij zichzelf helemaal verloren. Terug in Assisi bleef hij zoals steeds gastvrij en goed gehumeurd, maar de nieuwe stromingen groeven diepe beddingen in hem.

Hij wilde anderen niet met zijn innerlijke twijfels belasten, trok zich periodiek terug in overpeinzing en maakte trancetoestanden mee.

Tot grote ontsteltenis van zijn vader kocht Franciscus dure versierselen voor de kerk van Assisi, ondernam een pelgrimstocht naar Rome, en begon raad te vragen aan de nieuwe bisschop van Assisi, de eerzuchtige en wereldlijke Guido.

Franciscus was naar zijn ware taak aan 't tasten en hoewel zijn activiteiten de mensen van zijn stad soms als belachelijk voorkwamen en zijn vader meer en meer irriteerden waren zij voor die tijd toch nog tamelijk conventioneel.

Het keerpunt kwam niettemin door een eenvoudig feit. Tegen het einde van zijn leven dicteerde hij zijn testament. Hij begon zo:

Dit is hoe God mij, broeder Franciscus, de inspiratie gaf mij in een leven van boetedoening te begeven.

Toen ik nog zondig was, maakte het zien van melaatsen mij buitengewoon misselijk; maar God zelf bracht mij in hun gezelschap, en ik had medelijden met hen. Eens dat ik met hen bekend was geraakt, werd de bron van mijn vroegere misselijkheid er een van geestelijke en lichamelijke troost. Ik heb dan niet lang meer gewacht om de wereld te verlaten.
Franciscus van Assisi : blz 4
Franciscus legde intuÔtief een verband tussen zijn levenswijze, die in een wereld van algemene smart en lijden onverantwoordelijk was, en zijn afkeer voor het lijden van anderen. De afschuw die hij voelde wanneer hij naar het fysieke verval in de wereld keek, was slechts de weerkaatsing van het morele verval en de spirituele stagnatie in hemzelf. Zodra de schakel werd gezien, was er geen ontsnappen meer aan de gevolgen en zeker niet door een of ander aspect van de wereld uit de weg te gaan.

Franciscus begon ermee, eerst nog angstig, de lepralijders te bezoeken en te verzorgen; hij bracht hun voedsel, kleding, een goed humeur en een vriendelijk woord. De logica van zijn inzicht bracht hem op den duur tot een leven van zelfverloochening, maar de wijsheid kwam niet ineens.

Op zoek naar meer middelen begon hij zich te verschuilen in de spelonken van de heuvels rond Assisi, 'om naar verborgen schatten te zoeken', vertelde hij aan zijn nieuwsgierige vrienden. Op een dag kwam hij voorbij de vervallen kerk van San Damiano, net ten zuiden van de stad. Een innerlijke stem beval hem daar binnen te gaan en te bidden. Weldra hoorde hij een stem zeggen: 'Francesco, zie je niet dat mijn huis een ruÔne is geworden ? Ga en herstel het voor me.' Hij nam dit letterlijk, terwijl het waarschijnlijk een symbool van zijn later groot werk was, en veronderstelde dat hij zich met de restauratie van die bepaalde kerk moest gaan bezighouden.

Bij de eerste gelegenheid nam hij een grote som geld uit het vaderlijk huis mee en ging in de kerk wonen. Zijn vader zond er een groep mannen op uit om hem te vatten, maar hij verborg zich een maand lang in een grot. Dat was te veel voor zijn vader en zodra Franciscus weer onder het publiek verscheen, liet hij hem oppakken en sloot hij hem op in een donkere kelder. Dit was het ergste schandaal dat de stadsbevolking ooit had meegemaakt.

Pietro stond erop dat Franciscus het familiefortuin niet mocht uitgeven aan reparaties van kerken. Franciscus hield echter staande dat hij precies dat zou doen. Wat later moest Pietro toch weg op zakenreis en tijdens zijn afwezigheid bevrijdde Pica haar zoon, die onmiddellijk terugkeerde naar San Damiano.

Zodra Pietro terug thuis was eiste hij in het openbaar dat zijn zoon naar de ouderlijke woning zou komen, maar Franciscus weigerde. Bij de plaatselijke wetten was misbruik van het ouderlijk bezit strafbaar door verbanning. Pietro klaagde zijn zoon aan en eiste dat hij berecht zou worden, maar toen de rechter hem de dagvaarding liet toekomen verwierp Franciscus deze, bewerend dat hij aan de kerk verbonden was en onder de rechtspraak van de bisschop viel.

Zonder toestemming van de bisschop kon de openbare macht Franciscus niet raken en daarom daagde zijn vader hem voor een kerkelijk gerecht. Nu verscheen Franciscus heel gedwee, aanhoorde de beschuldigingen van zijn vader en verklaarde dat hij zich bij het oordeel van de bisschop zou neerleggen.

Guido, die met geen enkele familie ruzie wilde, koos een middenweg: hij verklaarde dat Franciscus het familiebezit moest teruggeven en dat de nodige middelen voor de restauratie van de kerk door God ter beschikking zouden worden gesteld. Franciscus kleedde zich onmiddellijk helemaal uit, vouwde zijn kleren op en plaatste het geld bovenop het bundeltje. De verraste bisschop wierp hem zijn mantel om en deed hem vlug verdwijnen in het bisschoppelijk paleis.

Nu was Franciscus geheel alleen. Behalve voor wat vaderlijke raad en een oude monnikenpij voelde de bisschop zich niet aan de onstuimige jonge man verplicht. Eerst behandelde de stad Franciscus als een publieke grap.

Franciscus zag echter weldra duidelijk in hoe de kerk moest worden gerestaureerd: hij moest het zelf doen.
Franciscus van Assisi : blz 5
Met oude bouwmaterialen begon hij San Damiano te herstellen. Toen zijn materialen opgebruikt waren, ging hij in de stad om andere bedelen. Zoals de discipelen van de Boeddha en in tegenstelling tot de kloostertradities van Europa, bedelde hij ook om zijn voedsel. Toen de mensen zagen dat hij zelf werkte kregen ze sympathie voor hem, gaven hem materiaal en begonnen hem in het kerkje op te zoeken om een handje toe te steken. Zodra San Damiano gereed was, verhuisde hij naar de vervallen kapel van San Pietro della Spina en daarna begon hij aan het beroemdste van zijn werken, de antieke kerk Porziuncula.

Toen die ook gereed was, in februari 1208, kwam een priester van de plaatselijke benedictijner abdij er de eucharistie vieren. Zijn tekst was de lering van Jezus: ga uit in de wereld, zonder geld of bezit, en predik boetedoening. Plots riep Franciscus uit: 'Dit is wat ik met heel mijn hart verlang!' Hij legde zijn metselaarsplunje terzijde en trok de pij van de kluizenaar aan.

Franciscus was zachtmoedig en nederig. In het middeleeuwse denken was de boeteling iemand die zichzelf opofferde en aan de wereld verzaakte, niet alleen om zijn eigen ziel, maar ook als voorbeeld en positieve kracht voor de mensheid als geheel. De boeteling had invloed op heel de gemeenschap en werd aanvaard als element van de middeleeuwse samenleving.

Verschillend van de zwervende heremieten van zijn tijd sprak Franciscus geen zure en striemende sermoenen uit. Glimlachend en vriendelijk ging hij de mensen tegemoet en herinnerde hen eraan dat de wereld mooi is en de aarde goed. Hij genoot zodanig van het meeleven met de natuur dat de mensen geloofden dat hij de taal van de dieren verstond, en meer bepaald die van de vogels. Voor hem was ieder wezen in de natuur deel van een sacrament. Iedere bloem, elk dier of zelfs mineraal legde getuigenis af van de goedheid en transcendente glorie van het goddelijke.

Weldra begonnen sommigen meer van hun tijd bij hem door te brengen en het duurde niet lang of er rees uit deze banden een soort informele 'orde' op. Het idee van een orde van boetelingen kreeg vorm toen Bernardus, een rijke inwijkeling van Assisi, ernstig met Franciscus kwam praten over de mogelijkheid zijn discipel te worden. Na een lange discussie gingen beiden naar een priester en vroegen hem zijn gebedenboek driemaal op goed geluk open te slaan, om te zien wat het goddelijke zou aanduiden. De drie passages waren opmerkelijk:

Als je volmaakt wilt zijn, ga dan, verkoop alles wat je hebt, en geef de opbrengst aan de armen, en je zult schatten hebben in de hemel; en kom, volg mij.

Neem niets mee wanneer je op reis gaat, noch stok, noch brood, noch geld.

Indien een mens, welke dan ook, na mij wil komen, laat hem dan zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en mij volgen.


'Dit is ons leven,' zei Franciscus, 'dit is onze regel, en wie zich bij ons wil vervoegen zal dit moeten doen.'

Zo kwamen de basiselementen van de orde der Franciscaners tot stand. Zij verbonden zich tot armoede, reizen en boetedoening.

Binnen twee weken voegden Petrus en Gilles zich bij Franciscus en Bernardus. Tot grote verbazing van heel Assisi gaven de vier alles weg wat Bernardus bezat. Franciscus noemde zijn groep de Ronde Tafel en het lijdt geen twijfel dat hij die beschouwde als een stel ridders volgens een traditie verwant aan die van koning Arthur.

Later kwamen er mensen van nederige afkomst bij en op den duur de fleur van Assisi's edelgeboren jeugd.

Franciscus schreef een 'Eerste regel', die verloren is gegaan, en niettegenstaande de verscheidenheid van hun achtergrond voerden deze heremieten een democratisch bewind over henzelf. In 1209 vertrokken zij naar Rome om pauselijke erkenning te vragen.
Franciscus van Assisi : blz 6
Nauwelijks waren zij in de eeuwige stad aangekomen, of Franciscus slaagde er al in de paus in een gang van het Lateraan te ontmoeten.

Franciscus sputterde zijn smeekbede uit met ontzag en verwarring en de ontstelde Innocentius III gaf hem het bevel in een varkensstal te gaan wonen. Franciscus gehoorzaamde letterlijk.

Bisschop Guido, die voor zaken in Rome was, vernam iets over de vreemde gebeurtenissen en overtuigde de groep broeders zich te wassen en met kardinaal Giovanni van San Paolo te gaan praten.

Na verscheidene gespreksdagen besloot de kardinaal dat Franciscus en zijn groep geen enkele neiging tot ketterij vertoonden en zorgde voor een officiŽle audiŽntie bij de paus.

Diens vertrouwelingen zagen met verbazing dat de paus Franciscus sympathiek vond, opgetogen was over de letterlijke gehoorzaamheid en het wonen in een varkensstal, en keurde de regel van de orde goed op voorwaarde dat de broeders boetedoening zouden prediken en geen theologie.

Terug in Assisi begon de orde bescheiden te floreren. Eigenlijk was zij meer een gezelschap van kameraden dan een orde. Volgens de opvattingen van Franciscus moest de orde streng eenvoudig worden gehouden: arm, geldschuwend, bedelaars, zwervers, predikers van boetedoening, kuis en, boven alles, broederlijk in de geest. Maar hij geloofde niet in excessen.

Hij stond zelfkastijding toe, maar drong aan op lankmoedigheid jegens anderen. De orde bestond niet voor onderlinge beschuldiging maar voor gezamenlijke steun. De levenswijze van de eerste franciscanen was hard genoeg om de meesten te ontmoedigen, maar het simpele goede humeur en de vrolijkheid van de broeders waren aantrekkelijk.

In 1211 vroeg Clara, een jonge edelvrouw die haar jeugd te Perugia in verbanning had doorgebracht, om een onderhoud met Franciscus.

Dankzij de hulp van verscheidene broeders die hadden gezworen het stilzwijgen te bewaren, konden zij elkaar herhaaldelijk in het geheim ontmoeten. Hun temperament was gevoelig en zij werden verliefd op elkaar. Door voorzichtige maatregelen kon Clara op een nacht uit haar woning wegsluipen en de franciscanen ontmoeten.

Haar hoofd werd geschoren en zij werd naar het klooster van San Paolo gebracht.

Toen haar familie haar probeerde terug te halen, weigerde zij het klooster te verlaten. Zij weigerde ook de klederdracht van de benedictijnen want, zei ze, ze had gezworen de regel van Franciscus te volgen. Assisi vond het een schandaal, hoewel niemand ook maar een zweem van onbetamelijkheid kon ontdekken. Nog erger, enkele dagen later liep Agnes, Clara's zuster, ook weg om zich bij haar te voegen.

Op dit moment was Bisschop Guido voldoende geŽrgerd, en door deze onverwachte activiteiten in moeilijkheid gebracht, om in te grijpen.

Hij bood Clara de kerk van San Damiano aan, het eerste gebouw dat Franciscus had hersteld, en liet haar daar huisvesten, op twee mijl van de mannelijke orde.

Weldra kregen Clara en Agnes het gezelschap van Beatrice, de derde dochter, en van Pacifica, een bloedverwante. Uiteindelijk kwam haar moeder Ortolana ook nog, en Franciscus stelde Clara aan als eerste abdis van de arme clarissen. Daar hij wel wist wat voor geruchten de ronde deden over mannen en vrouwen die tot dezelfde gemeenschap waren toegelaten, hield Franciscus de geslachten zorgvuldig gescheiden.

Hoewel nog tijdens zijn leven de franciscanen de regel voldoende wijzigden om Franciscus te laten concluderen dat de oorspronkelijke impuls uit zijn beweging was verdwenen, is de orde steeds om haar voorzichtigheid geŽerd geweest.

De geest van de kruistochten was in Europa nog niet dood. Franciscus had er kennis mee gemaakt hoe hij als jonge man Walter van Brienne wilde vergezellen naar ApuliŽ.
Franciscus van Assisi : blz 7
Nu kreeg hij een sterke aandrang om tot de Saracenen te prediken, de moslims die stilaan het Heilig Land heroverden. Toen Jan van Brienne, Walters broer, de jonge Maria van Jeruzalem huwde en naar Acre vertrok, droomde Franciscus ervan zich bij hem te vervoegen.

Maar een verkeerde timing en slecht weer wierpen hem op de kust van SlavoniŽ (deel van het huidige KroatiŽ, vert.) en hij moest naar ItaliŽ terugkeren.

Onversaagd trok hij nu met verscheidene broeders op pelgrimstocht naar Santiago de Compostela in Spanje.

Hoewel hij zijn metgezellen niets verried over zijn uiteindelijke bedoelingen, menen de meeste historici dat hij van plan was daar de Moren te confronteren.

Zelfs in de beste omstandigheden zou de reis uitputtend zijn geweest, en eenmaal in Santiago gearriveerd werd hij ziek. De ziekte bleef duren en de reis naar huis was lang. Franciscus was wel ontgoocheld, maar niet ontmoedigd.

Innocentius III riep in 1215 het grote Oecumenische Concilie bijeen, waar hij naast belangrijke kerkelijke hervormingen ook een nieuwe kruistocht in 1217 in het vooruitzicht stelde. Hoewel hij nog aarzelde om mee te gaan, aanvaardde Franciscus van kardinaal Ugolino brieven van vrijgeleide. Deze Ugolino zou later als Paus Gregorius IX Franciscus twee jaar na zijn dood heilig verklaren. In 1219 vertrok Franciscus naar het Oosten.

Toen hij in Acre was gearriveerd wachtte hem daar een verbazingwekkende ontdekking: vele moslims hadden een hogere beschaving en waren door hun deugden meer christelijk dan de geharde en bonte verzameling van de benden kruisvaarders.

In overeenkomst met de raad van Jan van Brienne zou men niet overhaast te werk gaan om Jeruzalem in te nemen. In plaats daarvan werd eerst de stad Damietta in Egypte aangevallen en de buitenvesting ingenomen.

In het midden van de strijd en nog voor Damietta was gevallen, ging Franciscus naar het kamp van sultan Melek al-Kamil. Deze hield van filosofische discussies en nodigde Franciscus uit eraan deel te nemen.

Om dit te doen moest Franciscus echter over een tapijt van kruisen lopen, dat de sultan aanwendde om bekeerlingen te onderscheiden van spionnen. Al-Kamil was verwonderd Franciscus zonder aarzeling over het tapijt te zien lopen, maar Franciscus verklaarde hem dat Jezus samen met dieven was gekruisigd: het ware kruis staat in het bewustzijn; het kruis van de misdadigers ligt op de grond. Franciscus en al-Kamil vonden elkaar onmiddellijk sympathiek.

Franciscus liet omtrent de kracht en de oprechtheid van zijn geloof geen twijfel bestaan. Hij bood aan de vuurproef te ondergaan, de 'ordalia'. Eerst stelde hij voor dat hij samen met een moslimtheoloog door het vuur zou stappen. Wie er onverschroeid zou uitkomen zou het ware geloof belijden. Toen de sultan hem verklaarde dat de wet van de Koran het niet toestond op zulke uitdagingen in te gaan, bood Franciscus aan alleen door het vuur te lopen. Maar ook nu gaf de Sultan niet toe. Hij bood Franciscus geschenken aan en gaf hem een vrijgeleide om veilig naar het christelijke kamp terug te keren. Toen de tweede regel werd gepubliceerd, bepaalde Franciscus twee manieren waarop zendelingen getuigenis van hun geloof mochten afleggen.

Terwijl hij het martelaarschap erkende, dat in de middeleeuwen bij uitstek de methode was, verklaarde hij het verkieslijk onder de ongelovigen te leven als voorbeeld van een christelijk bestaan.

Franciscus van Assisi : blz 8
Wanneer men de boetedoening predikt, probeert men de mensen te overtuigen dat zij moeten toepassen wat zij op een of ander niveau reeds geloven: men overbrugt de afstand tussen theorie en praktijk. Als men nu tegenover mensen staat die even oprecht een verschillende geloofsvorm aanhangen, zal alleen het voorbeeld overtuigend zijn.

Zijn verblijf in de overzeese gebieden werd verstoord door berichten betreffende moeilijkheden in de orde in UmbriŽ. Hij spoedde zich huiswaarts en stelde vast dat nieuwe statuten waren afgekondigd en dat grote verwarring onder de broeders heerste.

Nadat hij deze kwesties had bestudeerd en twisten had bijgelegd, besloot hij als hoofd van de orde ontslag te nemen.

Franciscus ging zich bij Gilles en Bernardus als kluizenaar vervoegen. In 1224, tijdens een vasten van veertig dagen, kreeg hij de 'stigmata', de eerste die sinds de kruisiging die wonden vertoonde. Zij waren zo hevig dat hij naar de Porziuncula moest worden teruggedragen. Hij werd snel blind. En toch, terwijl hij leed in lichaam en hart, schreef hij nog de mooie 'Zang aan broeder Zon'.

In 1226, toen hij inzag dat zijn sterven nabij was, voegde hij er de slotrede aan toe, de Groet aan Zuster Dood, en Clara mocht hem verzorgen. Nu was hij totaal krachteloos, maar zijn leven had duizenden geÔnspireerd. De vreemde kleine man uit Assisi werd het onderwerp van een ontzaglijk eerbetoon.

Toen hij op 3 oktober 1226 stierf werd zijn lichaam naar het centrum van Assisi gedragen en daar begraven.

Hoewel hij vond dat hij had gefaald omdat hij zijn orde niet aan zijn oorspronkelijke idealen had kunnen houden, triomfeerde hij op de manier die hij als het hoogste getuigenis beschouwde, namelijk als voorbeeld. Hij heeft weinig geschreven, maar heel het belang van dat getuigenis is gekristalliseerd in een kort gedicht:

Heer, maak mij een instrument van uw Vrede.
Waar haat heerst, laat mij liefde zaaien,
Waar belediging, vergiffenis,
Waar twijfel, geloof.
Waar wanhoop, hoop.
Waar duisternis, licht, en
waar treurnis, vreugde.
O goddelijke Maker, sta toe dat ik niet zo zeer zal zoeken Getroost te worden, als te troosten.
Begrepen te worden, als te begrijpen,
Bemind te worden, als te beminnen,
Want het is door te geven dat wij ontvangen;
Het is door te vergeven dat wij vergeven worden;
Het is door te sterven aan het zelf
dat wij geboren worden in het eeuwig leven.



Dit artikel is vertaald uit 'Hermes' van juni 1982, Jaargang VIII, nummer 6, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, USA.
Albertus Magnus : blz 1
Albertus Magnus
'Kijk naar het voorbeeld van de bergbeklimmer. Wanneer de geest verloren loopt in zijn begeerten om dingen die veel lager gelegen zijn, wordt hij weldra gevangen in een doolhof van nooit eindigende en kronkelende zijpaden; de ziel is dan tegen zichzelf verdeeld, verspreid en in zoveel stukjes gescheurd als er voorwerpen van haar begeerten zijn. Dit leidt tot een onvaste klimpartij, een reis zonder einde en een zwoegen zonder enig rustpunt. Maar wanneer hart en ziel zich verheffen boven begeerte en hunkering naar het lagere, dat hen in talloze dwaalwegen dreigt te verstrikken; en wanneer de ziel aan deze dingen verzaakt en zich samentrekt in het onveranderlijke, steeds weldoende goede, zich wijdt aan zijn dienst en er stevig aan verknocht blijft door de macht van haar wil, dan zal zij sterker en meer geconcentreerd zijn naarmate haar gedachten en wensen naar God opstijgen.'

De adhaerendo Deo (Over de verknochtheid aan God)                   ALBERTUS MAGNUS


Tussen het bijgeloof, dat als een vieze stank oprees uit het verval van de klassieke religies rond de Middellandse Zee, en het dogmatisme van een christendom, dat zich steeds meer toespitste op de politieke en sociale heerschappij over de fragmenten van het Romeinse Imperium, vonden waarheid en inzicht weinig ruimte om tot bloei te komen.

Zodra de keizers de republikeinse idealen van de 'humanitas' hadden opgegeven, begon de staatsreligie die hen had gevoed te verdorren. MysteriŽn en geheime riten, reeds fel gematerialiseerd door hun populariteit, werden tegelijkertijd verwelkomd en gedegradeerd.

De vroege kerkvaders waren zo vervuld van hun begeerte de nieuwe religie te doen respecteren en de controle te veroveren over de politieke en financiŽle middelen van de keizerlijke macht, dat zij bezeten waren door hun plannen andersdenkende filosofieŽn uit te roeien en zo zelfs vaak de schijn van ethisch denken en handelen uit het oog verloren.

Hier en daar konden individuele mensen of groepjes nog zielenvoedsel vinden in de leringen van Jezus zoals ze die vroeger in de hymnen van Orfeus hadden gevonden maar de instellingen van de georganiseerde religie werden een vreemd mengsel van bevreesd bijgeloof en harteloos dogma. Expansie en machtshonger werden slechts geremd door grijpzucht en eigenbelang en de religie genaamd naar de Man der Smarten kroop als een donkere wolk over Europa.

Lang voordat Luther zich bijna tegen zijn wil gedwongen voelde de toorts van het protest te verheffen om het principe van het rationele denken te verdedigen, hadden anderen reeds aangevoeld dat de kerk doordrongen was van fundamentele verdraaiingen.

Het mohammedaanse Spanje bracht Plato terug naar het continent, en er waren scherpzinnige waarnemers die gevoelig waren voor de waarschuwing dat het geestelijke leven onzichtbaar is, onmogelijk tot formules kan worden gereduceerd en dat het uiteindelijk onuitsprekelijk is. Toen enkele tientallen jaren later de geschriften van Aristoteles bekend werden, zagen vele leraren en denkers er een hefboom in om het bewustzijn los te maken van de lege abstracties der gecensureerde theologie en het naar de onbevangen rede te leiden, nodig voor de vrije studie van de natuur.

De monniken en leraren voelden zich ook betrekkelijk vrij om op discussies over de natuur in te gaan; tot nu toe was het onderwerp bijna onopgemerkt gebleven. Maar nu werden zij stoutmoediger en begonnen ook vragen te stellen over de praktijken van de gevestigde instellingen.

Nu is het zo dat discussies over structuren onvermijdelijk leiden tot discussies over doctrine.

De inschikkelijkheid van de kerk en haar alsmaar groeiende rijkdom riepen vragen op bij velen die nog niet bereid waren de geloofspunten aan te vallen maar reeds de Bergrede kenden en Plato hadden gelezen. En in de eerste jaren van de dertiende eeuw ontstonden orden die het principe van vrijwillige armoede huldigden, vooral rond de herinnering aan Franciscus van Assisi (zie Gele Reeks, boek IV, nummer 2) en het werk van Dominicus Guzman in Spanje. Roger Bacon was franciscaan. Albertus Magnus voegde zich bij de orde van de dominicanen.
Albertus Magnus : blz 2
Hoewel over het vroege leven van Albertus weinig bekend is, zijn er tradities en aanwijzingen dat hij werd geboren in 1193 (1) als oudste zoon van de graaf van Bollstadt te Lauingen in Zwaben.

In zijn jeugd werd hij opgevoed op de landgoederen van zijn familie volgens de gewoonten en normen van de lagere adel. Schijnbaar was hij reeds heel vroeg vol van belangstelling voor de werking en de processen van de natuur. In zijn latere jaren schreef hij verhandelingen over valken- en paardendressuur, die tot de beste van zijn tijd behoren en vaak overgeleverde fouten corrigeren. Toen hij schreef dat 'de studie van de natuurwetenschap niet bestaat in het aanvaarden van de verklaringen van anderen, maar in het onderzoek van de oorzaken werkzaam in de natuur', resumeerde hij daarmee een levenslange neiging.

Na een lange opvoeding thuis ging Albertus naar de universiteit van Padua, die kort tevoren was gesticht (2). Zijn ziel vond haar voedsel in Plato en zijn onderzoekend temperament werd gescherpt door de werken van Aristoteles. Trouw aan deze twee grote belangensferen bleef hij onverschillig voor de subtiliteiten van theologische disputen.

Zijn interesse voor de wetenschap van Aristoteles was des te groter. Zijn eerbied voor zijn meester weerspiegelt zich in de organisatie van zijn eigen werken als algemeen commentaar op de boeken van Aristoteles. Zijn bereidwilligheid steeds te onderzoeken wordt bewezen door zijn methode, de waarheid of de onwaarheid van een conclusie altijd te onderwerpen aan de proef van de ervaring (3).

Albertus bezat niet slechts in hoge mate het vermogen om te leren, maar ook dat om te onderwijzen, en hij vond dat het beheer van het voorouderlijk bezit en de vrijetijdsbesteding van de adel veel minder aantrekkelijk waren dan intense studie en rustige contemplatie.

In 1223 arriveerde in Padua Jordanus van Saksen, hoofd van de orde der dominicaner predikheren. Hij zocht rekruten en lijfde weldra tien studenten in bij de orde, onder hen Albertus, die de hevige en woedende tegenstand van zijn familie moest verduren. Zijn intellectuele en pedagogische talenten werden al snel erkend en hij kreeg bevel zijn studiŽn voort te zetten, eerst te Padua en later te Bologna.

Tezelfdertijd moest hij de orde dienen als universitair docent. Jarenlang reisde hij naar de dominicaanse centra in ItaliŽ, Frankrijk en Duitsland als prediker en leraar. Hij stond bekend als integer en briljant. Terwijl hij enerzijds gehecht bleef aan de teruggetrokken, contemplatieve levenswijze van de geleerde en schrijver, erkende men anderzijds zijn bekwaamheid als beheerder en scheidsrechter, zowel in de burgerlijke maatschappij als in kerkelijke zaken.

Rond 1243 werd Albertus naar het dominicaner klooster van Saint- Jacques aan de universiteit van Parijs gezonden. Hier vond hij de eigen woorden van Aristoteles terug, kort geleden vertaald uit het Grieks en het Arabisch en voorzien van de vertaalde commentaren van AverroŽs (ibn Roesjd). Nadat Albertus lezingen had gehouden over de Bijbel en de 'Sententiae' van Peter Lombard, het standaard theologische tekstboek van de middeleeuwen, kreeg hij in 1245 het diploma van magister en de universitaire leerstoel voor buitenlanders.

In dit jaar kwam Thomas Aquinas naar Parijs om er theologie te studeren en misschien werd hij wel tot zijn volumineuze 'Summa Theologiae' aangespoord door zijn vroege contacten met Albertus, die ermee was begonnen een monumentaal werk samen te stellen over alles wat in iedere tak en afdeling van studie bekend was. In een periode van twintig jaar werd Albertus de enige onder de denkers van zijn tijd die commentaren schreef op ieder boek toegeschreven aan Aristoteles.

Bovendien schreef hij kiemkrachtige essays over elke tak van de natuurwetenschap, de logica en de retorica, de wiskunde en de sterrenkunde, ethica en metafysica, economie en politiek. Zijn karakter en zijn talenten werden erkend als waardevol voor de groei van zijn orde en het programma van de kerk.
Albertus Magnus : blz 3
In 1248 werd Albertus naar Keulen gezonden om er als studieregent het eerste 'studium generale' te organiseren - de eerste algemene school van de orde der dominicanen. Thomas werd zijn voornaamste leerling, en hoewel hij in 1252 naar Parijs terugkeerde, nadat theologische meningsverschillen tussen hen beiden meer en meer evident waren geworden, bleven zij tot het einde van hun leven in de beste verhouding met elkaar.

In 1254 werd Albertus tot provinciaal van 'TeutoniŽ' benoemd, de Duitse provincie van zijn orde. Hij kweet zich uiterst bekwaam maar zonder enthousiasme van zijn taak. In 1256 werden de universiteiten ongerust over de levenswijze van de monniken in de bedelorden, in het bijzonder om hun verzaking aan alle persoonlijk of gemeen- schappelijk bezit en hun status van daklozen, die hun een grote bewegingsvrijheid verzekerden en hun toelieten allerlei reizen te ondernemen.

Parijs probeerde de dominicanen en de franciscanen te verhinderen als leraren op te treden, hoewel die functie naast het bedelen hun enige bron van inkomsten was. Paus Alexander IV riep te Anagni een conferentie bijeen om de problemen te bespreken. Onder het pauselijk bevel moesten Albertus en Thomas de dominicanen vertegenwoordigen en Bonaventura de franciscanen.

Niettegenstaande hevig protest van de reguliere clerus wonnen de bedelmonniken het recht aan de universiteiten van Parijs en elders te doceren. Voor Albertus was de overwinning van gemengde aard: hij mocht in 1257 zijn ontslag indienen als provinciaal om opnieuw te kunnen onderwijzen, maar in 1259 benoemde de paus hem tot bisschop van Regensburg.

Albertus had reeds in Keulen bijzondere erkenning verdiend om zijn kunde in het beslechten van geschillen tussen kerkelijke en politieke machtsgroepen, en dit was een taak die hij nog vele malen in zijn latere leven zou moeten opnemen. Misbruiken, ondoeltreffendheid en allerlei onregelmatigheden hadden te Regensburg het diskrediet op het kerkelijk bestuur geworpen. Albertus vond oplossingen voor de problemen, en de dood van Alexander IV liet hem toe in 1261 zijn ambt neer te leggen. Hij keerde terug naar Keulen, maar als bisschop was hij in zekere mate bevrijd van de regels van zijn orde, en hij kon dus zijn tijd en het beheer van het voorouderlijk bezit meer naar believen organiseren.

Toen paus Urbanus IV besliste een nieuwe kruistocht uit te roepen, koos hij Albertus als zijn vertegenwoordiger voor Duitsland en Bohemen. Een jaar lang reisde Albertus her en der, ogenschijnlijk om de kruistocht te prediken, maar hij besefte heel vlug dat er een algemeen gebrek aan belangstelling bestond voor een type van onderneming dat herhaaldelijk kostbaar, onbeslist en vergeefs was gebleken. Hij greep de gelegenheid aan om de flora, de fauna en de geologie te bestuderen van de streken die hij moest bezoeken.

In verscheidene steden hield hij voordrachten en besteedde ook enige aandacht aan de zaken van zijn snel groeiende orde, maar hij was blij in 1270 naar Keulen te kunnen terugkeren. Hoewel hij officieel reeds in ruste was, moest hij toch nog een geschil tussen de aartsbisschop en de stad beslechten.
Albertus Magnus : blz 4
Hij ondernam nog twee grote reizen, in 1274 naar het concilie van Lyon, om de kandidatuur van Rudolf van Habsburg voor het koningschap van Duitsland te steunen en in 1277 naar Parijs. Thomas Aquinas was enkele jaren tevoren gestorven en zijn ge- schriften werden als ketters veroordeeld. Albertus nam zijn verdediging op zich en daarmee de leringen van Aristoteles waaraan zij beiden zo waren gehecht.

Niettegenstaande de last van zijn administratief werk en zijn vele reizen vond Albertus de tijd om volumineuze werken te schrijven en vele praktische experimenten uit te voeren. Zijn hele leven had hij zich sterk geÔnteresseerd voor de mogelijkheid automata te bouwen en misschien was hij daar ook wel in geslaagd. De traditie verhaalt dat Thomas op een keer zonder uitgenodigd of aangediend te zijn het laboratorium van Albertus binnentrad en daar de nabootsing van een jong meisje vond dat driemaal het woord 'salve' (gegroet) uitsprak.

Verschrikt door wat hij meende een demonisch verschijnsel te zijn, sloeg Thomas het beeld aan stukken net toen Albertus binnenkwam. 'Thomas, Thomas!' riep Albertus, 'wat heb je gedaan? Je hebt het werk van dertig jaar vernietigd.' Tijdens zijn laatste levensjaren in Keulen werd Albertus geŽerd met de titel 'Magnus', 'de Grote', en hij was de enige geleerde van de middeleeuwen die een dergelijk eerbetoon nog tijdens zijn leven mocht ontvangen.

Zijn franciscaanse tijdgenoot, Roger Bacon, die het met hem op vele punten niet eens was, noemde hem 'de beroemdste van alle christelijke geleerden'. Albertus Magnus stierf te Keulen op 15 november 1280, tot opluchting van velen die hem vreesden als alchemist en tovenaar en tot grote treurnis van vele anderen die in hem de lichtbaken van de scholastische wetenschap zagen en de baanbreker van het vrije intellectuele onderzoek.

In 1931 werd hij heilig verklaard en tien jaar later werd zijn nagedachtenis verheven tot het patronaat van al diegenen die zich aan de natuurwetenschappen wijden. Om de onmetelijke rijkdom van zijn kennis staat hij bekend als de 'Doctor universalis' die het ideaal was van de Renaissance en in latere tijden voor een onmogelijkheid zou worden gehouden.

Albertus was in zijn religieus leven een volgeling van Plato en in zijn studie van de natuur een voortzetter van de methoden van Aristoteles. Terwijl hij duidelijk onderscheid maakte tussen kennis verkregen door openbaring en geloof, en kennis vergaard door wijsbegeerte en wetenschap, ontkende hij dat er 'twee waarheden' zouden zijn. Hij leerde dat alles wat werkelijk waar is in harmonie moet zijn met geloof en rede. Er zijn mysteriŽn die slechts toegankelijk zijn via het geloof, maar er zijn vele christelijke leringen die ook door de rede kunnen worden erkend, zoals de leer van de onsterfelijkheid van de ziel.

Terwijl hij graag bereid was de traditie van Aristoteles en de christelijke leer hier en daar grondig aan te pakken en te corrigeren, voelde hij er niets voor de grondstellingen van de ene of de andere in twijfel te trekken. Niettemin werd heel zijn streven gekenmerkt door de diepe en meestal onuitgesproken overtuiging dat het spirituele leven fundamenteel bestaat in de vurige liefde van de ziel voor het Goddelijke.

Hij werd hierin bijgestaan door zijn groeiende belangstelling voor Gods handwerk, de Natuur. De antieke auteurs deelden dezelfde eerbied voor de leidraad van de causaliteit en verdienen alleen daarom reeds respect, maar zij zouden gechoqueerd geweest zijn te ontdekken dat latere geslachten de neiging zouden vertonen hen te verafgoden en dit te gebruiken als excuus voor het aanvaarden van hun opinies zonder er voldoende over te hebben nagedacht of ze onafhankelijk te onderzoeken.
Albertus Magnus : blz 5
Voor Albertus bestond er geen tegenspraak tussen eerbetoon aan de veroveringen van het verleden en onbevreesd onderzoek in het heden. Zo leverde hij het bewijs voor de ware vrijheid van denken en legde hij de grondvesten van onderzoek waardoor de Gouden Eeuw van de scholastiek (5) mogelijk werd en de voorbereiding van de Renaissance.

Hij beschouwde het gemanifesteerde universum als een onmetelijke hiŽrarchische optocht, die uit de scheppende activiteit van de Godheid emaneerde. Albertus leerde dat de studie van de werkingen van de natuur aanduidingen verschaft voor de oplossing van de hogere mysteriŽn van het bestaan.

Albertus schreef op een waarlijk verfrissende manier over de valken en de paarden in zijn groot boek over de dierenwereld

Hij bestudeerde ook intens de planten en kruiden en schreef daarover met zoveel autoriteit dat zijn werk vierhonderd jaar lang door de herboristen werd gekopieerd, vaak met veel fouten.

In de studie van de alchemie erkende hij de neiging tot charlatanisme en misbruik van kennis. In zijn 'Libellus de Alchimia' (Het kleine boek over de alchemie), waarschuwde hij:

'De eerste regel is dat de beoefenaar van deze kunst in stilte en geheim moet werken en zijn geheimen aan niemand mag verklappen. Het staat immers vast dat, wanneer velen het te weten komen, het geheim niet bewaard zal blijven en dat het, zodra bekend, met veel dwalingen herhaald zal worden. Zo zal het verloren gaan, en het werk zal onvolmaakt blijven.'

De geheimhouding van zijn eigen laboratoriumwerk en de reactie van Thomas op zijn automaton (of robot) bewijzen dat Albertus zich streng aan deze regel hield. En meer dan hij te kennen gaf wist hij ook dat dezelfde regel op de spirituele alchemie toepasselijk is.

'Verdeel het ei van de filosofen in vier delen, waarvan elk zijn eigen natuur zal hebben. Breng die dan gelijk samen in de juiste verhouding, zodat er geen tegenstrijdigheden in voorkomen, en met de toestemming van de Heer zult ge bereiken wat ge u voorgenomen had. Dit is een universele methode.'

'De mineralibus' behandelt uitgebreid de samenstelling en de eigenschappen van halfedelstenen, beelden gehouwen in steen, de aard van metalen en zouten. Waar hij het heeft over de waarde van beelden en zegels die in steen zijn ingekerfd, duidt Albertus aan dat astrologische werkwijzen de kenmerken van ťťn soort op het materiaal van een andere soort kunnen afdrukken of inprenten:

'Soms komen de lichtende hemellichamen en de andere planeten samen op een plaats die zo'n groot vermogen voor de voortbrenging van menselijke wezens bezit, dat het een menselijke vorm afdrukt, zelfs op het zaad van een totaal andere soort, en in tegenstelling tot de vormende krachten die in dat zaad aanwezig zijn ...
Dit is de reden waarom men in steen, gehard door de inwerking van gassen, soms de afbeelding van een mens of van een andere soort in de natuur ontwaart ...'

In zijn 'Liber de natura locorum', een verhandeling over geografie, toonde Albertus aan dat het klimaat, en bijgevolg de flora en de fauna, worden bepaald door de breedtegraad en de plaatselijke toestanden. De aarde wordt verdeeld in klimaatzones die van tropisch tot koud gaan, maar grote wouden, rivieren en bergketens kunnen in deze zones de temperatuur en de regenval radicaal wijzigen.
Albertus Magnus : blz 6
Op grond van indirecte informatie over India meende Albertus dat het zuidelijk halfrond dezelfde klimaatstroken zou vertonen, maar in de omgekeerde volgorde. Hij haalde argumenten aan voor een redelijk accurate diameter van een sferische aarde en ontkende de absurde opinie dat de zuidelijke helft van de bol onbewoonbaar was omdat de mensen die daar leefden er zouden afvallen.

De studie van de natuurverschijnselen werkt begeesterend wanneer zij het denken doordringt met de wonderlijke activiteit van het goddelijke. Het gedachteloos aanvaarden van de traditie, gekoppeld aan een wereldse houding, verblindt en verwondt de ziel, vernielt het spirituele leven van het individu en verspilt zo de kostbare tijd die verloopt tussen geboorte en dood. Albertus schreef in 'De adhaerendo Deo':

'De werkelijke reden waarom wij op vele manieren uitgesloten zijn van de ervaring en het genot van het innerlijke leven en er zelfs geen glimp van kunnen vatten, is dat het verstrooide en door allerlei zorgen verteerde menselijke denken niet in zichzelf binnengaat door zich God te herinneren. Het verkeerde begrip van de mens is zo volgepropt met aardse beelden dat hij de weg terug naar zijn eigen innerlijk hart niet kan vinden, noch zijn begeerten tegenwerken en zichzelf binnengaan door te hunkeren naar het innerlijke licht van de geestelijke vreugde.'

Albertus Magnus leefde in een tijd van brutale repressie van de vrije meningsuiting en toch bewees hij dat het denken, ondersteund door de zin voor het goddelijke in het hart, boven de hindernissen van een tijdperk kan uitstijgen en zich tot grote hoogten van bewustzijn kan verheffen.

'Laten we ons hart terugtrekken uit de verstrooiingen van de wereld en het oproepen terug deel te nemen aan de vreugden van het innerlijke leven, zodat we in bescheiden mate onze ware woonst in het licht van de goddelijke contemplatie kunnen vestigen. Want hierin ligt het leven en de vrede van onze ziel.'

Vertaald uit 'Hermes' van mei 1981, Jaargang VII, nr.5, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, U.S.A.

Nawoord en voetnoten

Daar het de bedoeling is van deze reeks, de aandacht te vestigen op de constanten van het streven naar verlichting en verinnerlijking dat zich in de geschiedenis openbaart door de opeenvolging en de onderlinge verbondenheid van deze grote figuren, worden we in onze keuze geleid door de waarde van het individu voor de theosofische beweging als geheel, en niet door zijn plaats in het uiterlijke apparaat van religie, wetenschap of filosofie.

Formuleringen en concepten komen en gaan, verschijnen en verdwijnen, maar de mystieke drang naar vereniging met de Realiteit blijft. Het hoeft ons niet te verwonderen dat ook kerkelijke figuren daarin een belangrijke rol kunnen spelen, ten goede of ten kwade. Er is geen sfeer van menselijk ondernemen die totaal vrij blijft van smetten en gebreken.

In de middeleeuwen werd de basis gelegd voor een latere doorbraak van de Theosofie. De weg is er een van tasten en zoeken, want het doel ligt veraf. Mensen als Albertus Magnus behoren tot de Theosofische Beweging, niet door conformiteit met de weergave van de Theosofie in de negentiende eeuw, maar omdat zij beantwoorden aan de definitie van de theosoof die gegeven werd door Thomas Vaughan, de Engelse rozenkruiser, en die door Mevrouw Blavatsky werd geciteerd in haar artikel 'What is Theosophy ?' (H.P.B. Articles, I, 39):
Albertus Magnus : blz 7
'Een theosoof is iemand die u een theorie van God of de werken van God geeft, die niet berust op openbaring maar op eigen inspiratie.' Zij voegt hieraan toe: 'Volgens deze opvatting is ieder groot denker en filosoof, en in het bijzonder iedere stichter van een nieuwe religie, school van filosofie of sekte, noodzakelijk een theosoof.'

We weten dat de belangstelling voor psychische verschijnselen vrijwel altijd de diverse uitingen van de Beweging vergezelt.

Een zeer eigenaardig en mysterieus aspect hiervan vinden we in de middeleeuwse interesse voor automata of robotten. Misschien was dat nog verwant aan de joodse tradities over een 'golem'. Hoe dan ook, we vinden dergelijke belangstelling bij Albertus Magnus, ook bij Roger Bacon, en later zelfs bij Paracelsus.

Dat Mevrouw Blavatsky ervan op de hoogte was, blijkt uit de volgen- de passages van 'Isis Ontsluierd', in de Nederlandse uitgave I, 26 en I, 70:

'Waar kan men in de gedenkschriften der Europese magie knapper bezweerders vinden dan in de geheimzinnige eenzaamheid der kloosters? Albertus Magnus, de bekende bisschop en bezweerder van Regensburg, werd in zijn kunst nooit overtroffen. Roger Bacon was monnik, en Thomas van Aquino was een der geleerdste leerlingen van Albertus. Trithemius, abt van de Spanheimse benedictijnen, was de leermeester, vriend en vertrouweling van Cornelius Agrippa; terwijl de genootschappen der theosofen overal verspreid waren in Duitsland, waar zij het eerst ontstonden, elkaar hielpen en jarenlang streden voor het verkrijgen van esoterische kennis, kon iedereen, die wist hoe de begunstigde leerling van zekere monniken te worden, heel spoedig bedreven zijn in alle belangrijke takken van occulte kennis.'

'Het is een door vele getuigen bevestigd feit dat paus Sylvester II door Kardinaal Benno in het openbaar werd beschuldigd, dat hij een tovenaar en bezweerder was. Het koperen 'orakel-sprekende hoofd' dat door Zijne Heiligheid was vervaardigd, was van dezelfde soort als het door Albertus Magnus gefabriceerde.

Dit laatste werd door Thomas van Aquino in stukken geworpen, niet omdat het het werk was van of bewoond werd door een 'demon', doch omdat het spook, dat er door mesmerische kracht van binnen aan was vastgehecht, onophoudelijk praatte, en zijn gebabbel de welsprekende heilige hinderde in het uitwerken van zijn wiskundige vraagstukken. Die hoofden en andere sprekende beelden, trofeeŽn van de magische bekwaamheid van monniken en bisschoppen, waren facsimile's van de 'bezielde' goden uit de tempels der oudheid.

1. Sommige bronnen waarover wij beschikken geven als geboortejaar 1206.

2. De universiteiten van Padua en Napels waren centra waar voor het eerst in ItaliŽ de studie van de Arabische wetenschap een belangrijk punt van het programma vormde. Dit was te wijten aan de invloed van keizer Frederik II van Hohenstaufen (1194-1250), die in zijn jeugd op SiciliŽ de mohammedanen had leren kennen en er veel van had opgestoken. Deze kleinzoon van Frederik Barbarossa huldigde het principe van het vrije onderzoek en bracht het in toepassing aan de universiteit van Napels, door hem in 1224 gesticht.

Winkler Prins zegt dat hij in kerkelijke kringen werd beschouwd als antichrist en dat hij overigens een zeer eigenaardige natuur was: '... 'stupor mundi' (verstomming der wereld) zeiden zijn tijdgenoten: een sensuele genieter en op godsdienstig gebied een scepticus, intellectueel zeer begaafd en onderlegd, beslagen in de wetenschappen, de astrologie, de kunst en de poŽzie, verzamelaar van exotische dieren en schrijver van een boek over de jacht, 'De arte venandi cum avibus' (Over de kunst met vogels te jagen), waarin zeer accuraat de gedragingen der vogels worden beschreven.'

Frederik II heeft in de Verlichtingsbeweging zeker een uiterst belangrijke rol gespeeld.

3. Onderhavig artikel resumeert leven en werk van Albertus zo kort dat we hier mogen spreken van een wereld in een notendop. De confrontatie tussen rede en geloof, filosofie en religie, Plato en Aristoteles enerzijds en het christendom anderzijds, liet oneindig veel gecompliceerde problemen rijzen,

en de gigantische intellecten van die tijd waren gegrepen in tal van eindeloze disputen. Wie het verloop daarvan enigszins wil volgen moet gespecialiseerde werken raadplegen zoals, bijvoorbeeld, Emile Brťhier, 'La Philosophie du Moyen-Age', Albin Michel, Paris, 1937. Deze schrijver wijdt ongeveer veertig pagina's aan Albertus en Thomas van Aquino en ook hij geeft een 'resumť'.
Albertus Magnus : blz 8
4. De literaire nalatenschap van Albertus Magnus bewijst hoe enorm zijn encyclopedische geest wel was:

a. Tot zijn theologische werken behoren de 'Summa de creaturis'; de commentaren op de Sententies van Petrus Lombardus, en op Dionysius de Areopagiet; de 'Summa Theologiae'

b. Filosofisch werk: commentaren op Aristoteles, de joodse en Arabische tradities.

c. Baanbrekend werk op het gebied van de experimentele weten schappen: geestdriftig proefondervindelijk onderzoek in de zoŲlogie, de botanie, de mineralogie; ontdekkingen in de scheikunde: affineren van goud, inwerking van salpeterzuur op metalen, zwavel- en kalionderzoek. (Encyclopedie SUMMA)

d. Alchemie en andere takken van 'occulte' wetenschap.

Zijn werken zijn in 38 delen uitgegeven door Borgnet te Parijs (1890-1899) en in Keulen door B. Geyer vanaf 1951. Een lijst van gespecialiseerde literatuur over Albertus Magnus staat ook in SUMMA. Er bestaat een portret van hem door Justus van Gent, afgedrukt in Winkler Prins; het origineel in de Galleria Barberini te Rome. Hij werd ook afgebeeld door Fra Angelico en anderen.

5. De scholastiek is de systematische samenstelling van theologie en filosofie die in de middeleeuwen aan de universiteiten werd onderwezen, de 'wetenschapsbeoefening' van die tijd.

Ze heeft zich ontwikkeld uit het onderwijs in de klooster- en paleisscholen, gegeven door de 'scholasticus' of leermeester. Haar bloeitijd ligt in de dertiende eeuw en ging samen met de opkomst van de universiteiten, vooral te Parijs, waar in 1253 door Robert de Sorbon het eerste college (de Sorbonne) werd gesticht.

artikel is vertaald uit 'Hermes' van juni 1982, Jaargang VIII, nummer 6, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, USA.