Index : De Gele Reeks : DEEL IV

Ibn Gabirol of Avicebron
Franciscus van Assisi
Albertus Magnus
Djalaloeddin Roemi
Roger Bacon
Hadewijch
Fakhroeddin
Ramon Llull
Meister Eckhart

Inhoud : De Gele Reeks : DEEL IV

Ibn Gabirol of Avicebron : blz 1
Ibn Gabirol of Avicebron
De wereld van de islam, meer bepaald de Arabische wereld, staat sinds de Eerste Wereldoorlog volop in de belangstelling, en in het bijzonder nu, wegens de crisis in de Perzische golf. Die Arabische wereld gehoorzaamt weliswaar aan ťťn religie, maar toch is en blijft zij sterk verdeeld.

Het uitgestrekte gebied, van Marokko tot Irak, met zijn vele verschillende soorten van regeringen, politieke problemen rond IsraŽl en Palestina, commerciŽle problemen rond olie, machtsposities van families en partijen, dit alles veroorzaakt een stramien van verdeeldheid.

Anderzijds is de Arabische wereld beweeglijk: duizenden en nog eens duizenden werken als gastarbeiders in Oost en West, en het is mogelijk dat dit nog slechts het begin is van een nieuwe expansie. De huidige situatie staat in fel contrast tot de eenheid en de beweeglijkheid van het begin, in de zevende eeuw.

Zoals een hete woestijnwind waren de Arabische legers toen op veroveringstochten gegaan, ook naar Oost en West. De islam boekte steeds maar nieuwe successen en kwam in zijn stormloop de instellingen van het christendom en van de klassieke oudheid ten zuiden van de Middellandse Zee omverwerpen.

Misschien was dat ook een lang verbeide reactie op en karmische afrekening met de twee machtsblokken van die tijd, Byzantium en PerziŽ, die elkaar eeuwenlang in het gebied van Tigris en Eufraat (MesopotamiŽ, deel van het huidige Irak) hadden bestreden en in de Arabische woestijn hun invloedssferen verdedigden door politieke allianties met kleinere groepen en door omkoperij.

Er stroomde enorm veel rijkdom langs de handelsroutes van de karavanen en de grote tegenstanders probeerden steeds eigen belangen te vrijwaren en elkaar te dwarsbomen. In zekere zin is de islam het onvermoede kind van die eeuwenlange strijd tussen Byzantium en PerziŽ.

Mohammed beschikte schijnbaar over scherp politiek inzicht: hij vertaalde de absolute theologische eenheid van de Godheid in een systeem van sociale gelijkvormigheid en maakte door zijn doctrinaire eenvoud een einde aan de onderlinge twisten van de Arabische stammen, die steeds met het ene of het andere van de 'grote twee' verbonden waren geweest. Dit moest de weelde van de handel meer in Arabische handen concentreren.

De alleenheersende God, vertegenwoordigd door de nieuwe profeet, werd tot principe van een verenigde mensheid en het engagement voor broederschap onder de mensen werd de basis van de nieuwe maatschappelijke orde. Door aldus een radicale verandering teweeg te brengen in de loyaliteit van de Arabische stammen en hun polytheÔsme af te schaffen, maakte Mohammed bronnen van geweldige energieŽn vrij, die nu konden worden gekanaliseerd in de richting van de verovering.

Binnen twee eeuwen na de dood van Mohammed in 632 waren een groot deel van PerziŽ en geheel Noord-Afrika reeds islamitisch gebied. Verbolgen over de beelden en rituelen van de oude mediterrane religies sloten de moslimgeneraals en -kaliefen de Alexandrijnse Academie en staken de overblijfsels van de beroemde bibliotheek in brand.
Daar zij geen nood hadden aan priesters met speciale vermogens en gemanipuleerde gemeenschappen, veegden zij het christendom gewoon weg.
Ibn Gabirol of Avicebron: blz 2
Deze 'zuiveringen' deden vele intellectuele en spirituele juwelen van de antieke wereld teloorgaan, maar zij brachten ook een nieuwe geest in het mediterrane denken tot stand.

Deze nieuwe meesters, zo zeker en vol vertrouwen in hun geloof in een goddelijke lotsbestemming, ontdekten vervolgens de Griekse filosofie en wetenschap. Tegelijkertijd leerden zij de zielskwaliteiten erkennen van de joden, 'de mensen van het Boek', die dezelfde God aanbaden en daardoor de tolerantie van de islam verdienden. Mettertijd werden de krachten losgelaten voor de verovering met dezelfde vurigheid gericht op het denken en de contemplatie.

Enkele eeuwen lang bloeide door Noord-Afrika en tot in Spanje een renaissance van spirituele aandacht op, die zowel jood als islamiet verhief en uitdrukking vond in architectuur en alchemie, zang en letterkunde, zelden in de geschiedenis geŽvenaard. Het was in dit Spanje dat de joodse filosofie haar ontwikkeling kreeg, in de tweede helft van de elfde eeuw, met Salomo ben Jehoedah ibn Gabirol, in de literatuur vaak Avicebron genoemd.

In de twaalfde eeuw gaat zij terug naar het Oosten, met Maimonides.

Parallel met deze beweging pendelt zij, evenals de filosofie van de islam, tussen Plato en Aristoteles.

Ibn Gabirol werd geboren te Malaga, in of rond 1020, uit ouders die van Cordoba kwamen. De bronnen voor het leven van ibn Gabirol zijn schaars; het zijn vooral zijn eigen gedichten, en de geschriften van Mozes ibn Ezra (1). Hij volgde de school in Saragossa, misschien daarheen gebracht na de vroege dood van zijn vader, een verlies dat hij vele jaren lang diep betreurde. Hij kreeg een uitstekende kosmopolitische opvoeding, leerde Arabisch en Bijbels Hebreeuws, en maakte zich het islamitische neoplatonisme en de filosofie van Aristoteles eigen.

Reeds in zijn jeugd koppelde hij een grote belangstelling voor de vermogens van de zuivere rede aan een diep besef van het heilige. Soms beklaagde hij er zich over dat hij geen genoegen kon vinden in de liefdesavonturen van jongeren en hij verklaarde dat hij op de leeftijd van zestien reeds het hart van een tachtigjarige bezat. Zijn lichaam was teer, zijn gezondheid wankel, en hij richtte zijn denken en zijn energie meer op filosofie en religie dan op de dingen van de wereld. Toen hij zestien was had hij reeds gedichten geschreven die onder de beste van de middeleeuwse joodse literatuur worden gerekend en waarin hij de beeldentaal van de liefde aanwendde, reeds zo beroemd door de grote dichters onder de soefi's. Negentien jaar oud schreef hij een Hebreeuwse spraakkunst in verzen. Zijn genie was zo briljant en creatief dat hij heel zijn leven lang belangrijke sponsors aantrok.

In 1039 werd een van die beschermheren, JekoethiŽl, gedood als gevolg van een intrige aan het hof. Van toen af aan ondervond Gabirol de persoonlijke en filosofische tegenstand van de ouderen in de stadsraad van Saragossa en hij kwam daardoor financieel in moeilijkheden. Het jaar 1045 werd een kritieke periode van zijn levensloop wegens de dood van zijn moeder. Ofschoon hij als dichter reeds beroemd en alom geŽerd was en zijn werken opgenomen werden in de liturgie van het Spaanse jodendom via de Sefardische en Asjkenazische gebedenboeken, ging hij zijn aandacht geheel op de wijsbegeerte richten.

In Aristotelische termen ging hij uit van een opperste godheid, die alle denkbare attributen te boven ging. Terwijl hij de mogelijkheid verwierp met de rede vanuit het bijzondere tot universele waarheden te komen, aangezien waar begrip niets anders is dan goddelijke verlichting, leerde hij dat de mens wijsheid kan bereiken door het behoorlijk gebruik van het denkvermogen, wanneer dit van devotie is doortrokken. Een leven toegewijd aan het assimileren van kennis is de eigenlijke voorbereiding van de ziel om zich te voegen bij de Bron van het leven waaruit zij emaneerde.

De extase kan een tijdelijke vereniging van de ziel met haar bron verschaffen zelfs wanneer zij in het lichaam 'begraven' is, maar alleen het pad van kennis kan de ziel bevrijden na de ontbinding van haar vleselijke gevangenis en haar toelaten zich op eigen vleugels tot haar oorspronkelijke en eeuwige woonplaats te verheffen. Gabirol ontvouwde het benodigde plan in drie stadia, beschreven in 1045.
Ibn Gabirol of Avicebron: blz 3
'Kether Malkoeth', ofwel 'De Koninklijke Kroon', is een dichtwerk dat de structuur van het Universum en de attributen van de Godheid beschrijft en aantoont hoe deze veel meer de beperkingen of de grenzen van het menselijke denken vertegenwoordigen dan de natuur van het Onkenbare. Zoals al zijn andere gedichten was het geschreven in Bijbels Hebreeuws. Onder zijn Arabische naam, Aboe Ajoeb Soeleiman ibn Jahia ibn Djabiroel, schreef hij in het Arabisch het 'Kitab Islah al-Akhlaq', het 'Boek van de verbetering der morele trekken van het karakter', en dat was onder de joodse filosofen de eerste poging om de ethica te systematiseren.

De Thora en de profeten van de Bijbel verstrekken morele leiding in de vorm van bevelen en regels. Latere denkers organiseerden deze instructies in ordelijke lijsten, maar Gabirol leerde dat de basis van ethische geboden in de natuur van de ziel zelve ligt. 'Mekor Hajiem' werd, zoals al het proza van Gabirol, in het Arabisch geschreven en bestaat nog in een Latijnse vertaling van de twaalfde eeuw als de 'Fons Vitae', de 'Bron van het leven' (2). (Mevrouw Blavatsky noemt dit in de 'Sleutel tot de Theosofie', p.60, een prachtig kabbalistisch gedicht.) Zodra de ethische basis van kennis is verzekerd door te erkennen dat zij zich in de ziel bevindt, wordt het mogelijk de drie takken van de wetenschap vruchtbaar te beoefenen.

'Fons Vitae' beschrijft in grote lijnen de eerste tak, de leer van materie en vorm, zinspeelt op de tweede, de wetenschap van de goddelijke wil, maar hult de derde, de wetenschap omtrent de Godheid zelf, in stilte.

Nadat hij de filosofische leringen, vervat in zijn gedichten, had opgehelderd, trok Gabirol zich terug uit de draaikolk van Saragossa, verbleef korte tijd in Granada en uiteindelijk in Valencia.

De traditie verhaalt dat hij een vrouwelijke golem of homuncula (een levende 'robot') bouwde en haar aan de koning vertoonde. Hij bracht de laatste jaren van zijn leven door in betrekkelijke rust en stierf in of rond 1057, toen hij pas vijfendertig jaar oud was. Volgens een legende werd hij door een jaloerse Moor vermoord en werd zijn lichaam in het geheim begraven onder een vijgenboom.

De snode daad kwam aan het licht doordat de boom zo'n verbluffende oogst opleverde dat men opzoekingen ging doen om de oorzaken van deze haast magische rijkdom te ontdekken. Gabirols heldere spiritualiteit en filosofisch inzicht, die reeds tijdens zijn leven zo werden geŽerd, kregen na zijn dood nog meer luister.

Zijn Arabisch proza ging op den duur in de judaÔsche traditie verloren, maar werd door Arabische en Latijnse filosofen bewaard.

De 'Fons Vitae', gepubliceerd onder zijn Latijnse naam Avicebron, oefende invloed uit op de Italiaanse Renaissance en op de franciscaanse wijsgeren. Omdat hij in zijn werk niet verwees naar Bijbel, Talmoed of Midrasj en geen traditionele joodse uitdrukkingen gebruikte, werd Avicebron algemeen beschouwd als een moslim en soms zelfs als een christen. Zijn Hebreeuws religieus dichtwerk wordt tot op de dag van vandaag nog in zekere heilige riten gebruikt.

Jehoedah al-Harizi schreef: 'Al de dichters van zijn tijd waren, vergeleken met hem, fout en waardeloos... Hij alleen bereikte de hoogste treden van de dichtkunst, en bij hem werd de welsprekendheid geboren in de schoot van de wijsheid... de dichters die vůůr hem kwamen waren als niets en na hem kon niemand hem evenaren.'

De Amerikaanse beeldhouwer Reed Armstrong maakte een beeld van hem, staande in rustige contemplatie, voor de stadsraad van Malaga, de Spaanse stad die hij altijd als zijn tijdelijk aards tehuis had beschouwd.

Zoals bij Plotinus is de mystieke en devotionele filosofie van Gabirol geworteld in een innerlijke waarneming, een transcendente ervaring van het goddelijke. Verscheidene van zijn gedichten kunnen in een toestand van extase zijn geschreven.
Ibn Gabirol of Avicebron: blz 4
De enige bestaansreden en het doel van het leven is voorbereiding tot de terugkeer van de ziel naar haar goddelijke Bron, en deze terugkeer kan slechts plaatshebben door kennis te verkrijgen omtrent de fundamentele principes die mens en natuur onderbouwen. Daardoor worden de latente vermogens van de ziel tot actieve machten. Kennis bereikt haar toppunt in kennis van het goddelijke en dit gebeurt alleen bij diegenen die de mysteriŽn van de Natuur, waarin het goddelijke is geopenbaard, hebben doorschouwd.

Rede en begrip zijn essentieel voor de bevrijding van de ziel uit de gevangenis van voorwaardelijk bestaan. Zij kunnen worden gevoed door een methode die bijzonderheden bestudeert en naar een meer universele visie evolueert; methode die in de geschriften van Gabirol wordt verduidelijkt.

Het lange filosofische gedicht 'Kether Malkoeth', dat zijn titel samenstelt uit de hoogste en laagste 'sefirot' (3) van de kabbalistische levensboom, begint met lof voor de attributen van God. God is eenheid, de grond van het zijn, eeuwigheid, het leven zelf en absolute goddelijkheid; God is ook licht:

'Gij zijt het opperste Licht, en de ogen van de gelouterde ziel zullen U zien.'

Gabirol verwerpt dan de opvatting dat het mogelijk zou zijn onderscheid te maken tussen de Godheid en haar attributen. Daar de Godheid absoluut is, zijn de attributen in feite de hoogste expressie van menselijke concepten (4).

Mevrouw Blavatsky citeert in haar 'Sleutel tot de Theosofie', (p.60 van de nieuwe Nederlandse vertaling uitgegeven door de T.U.P. Den Haag, 1985) de volgende passage uit dit gedicht om aan te tonen dat het Absolute niet denkt, 'om de eenvoudige reden dat het Absolute 'Gedachte' zelve is':

Gij zijt ťťn, de wortel van alle getallen, maar niet als element van telling, want eenheid laat geen vermenigvuldiging, verandering, of vorm toe.

Gij zijt ťťn en in het geheim van Uw eenheid verliezen zich de meest wijzen onder de mensen, want zij kennen haar niet.

Gij zijt ťťn, en Uw eenheid wordt nooit verminderd, nooit uitgebreid en kan niet worden veranderd.

Gij zijt ťťn en geen van mijn gedachten kan voor U een grens vaststellen of U omschrijven.

Gij ZIJT, maar niet als ťťn die bestaat, want het begrip en het inzicht van stervelingen kunnen Uw bestaan niet bereiken en evenmin voor U het waar, het hoe en het waarom bepalen.


De Godheid manifesteert zich als 'ha-Hefez ha-Medzoemman', de voorbestemde wil, waarvan de bron wijsheid is. Goddelijke wil in de natuur betekent lotsbestemming en menselijke wijsheid is het begrijpen van deze wil. Boven en voorbij de zeven hemelse sferen beschreven door de bewegingen van de zeven zichtbare planeten - de Maan, Venus, Mercurius, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus - en de achtste sfeer van de Zodiak, ligt de negende sfeer van het hemelgewelf. Boven en voorbij deze ligt de tiende sfeer, van zuivere Intelligentie, en transcendent boven dit alles verheven ligt het 'gebied der zuivere zielen', de primaire emanaties van de Godheid.

De wil verplicht de zielen af te dalen door middel van de Intelligentie, die hun een afgescheiden bestaan geeft, en door al de sferen van de aarde heen, het rijk van de vier elementen, vuur, lucht, water en aarde. De stoffelijkheid van deze tijdelijke verblijfplaats is de bron van de zonde. Ware kennis is berouw, want de ziel ontsnapt uit haar aardse toestand door 'het vermogen van kennis dat in de ziel zelf inherent is'.

'Kether Malkoeth' werd soms in verzen opgezegd op de Dag van de boetedoening.

In 'De verbetering van de morele karaktereigenschappen' bestudeerde Gabirol de eigenschappen die inherent in de ziel aanwezig zijn en stelde voor hoe zij konden worden versterkt of onderdrukt om de ziel op het pad van de bevrijdende kennis te zetten. Een eeuw vroeger had Saadja ben Jozef geprobeerd de eigenschappen van het hoger aspect van de ziel te definiŽren; die welke naar het goddelijke streven.

Gabirol onderwees dat deze eigenschappen in feite functies van de lagere ziel zijn, noodzakelijk betrokken in de wereld van de zintuigen.
Ibn Gabirol of Avicebron: blz 5
Wanneer deze eigenschappen behoorlijk worden ontwikkeld, geven zij aanleiding tot het onderscheidingsvermogen, dat de perfectie van de lagere ziel voorstelt. Dit vermogen is de drempel van het hogere leven, het begin van de spirituele ethica, verheven boven het begrip van het redenerende verstand, en boven alle discussie, behalve onder hen van wie ervaring hen reeds heeft gewekt tot de werkelijkheid van de hogere ziel.

Gabirols boek behandelt alles wat gewoonlijk menselijk wordt genoemd. Hij toont aan hoe men zich kan disciplineren en orde in zijn leven kan brengen door een begin te maken met het bewandelen van het pad van ware kennis. Dit is mogelijk omdat de mens een rechtstreekse emanatie van de Godheid is en natuurlijkerwijze naar zijn Bron neigt, behalve in zoverre hij is verward door de zintuigen in het materiŽle bestaan.



De zintuigen maken zichtbaar wat de mens zich van zijn ware natuur als ziel kan herinneren, maar daar hij door de negen sferen van de planeten is afgedaald, wordt de mens door hen omschreven en beperkt en moet hij zich inspannen om de aangeboren neiging van de ziel te manifesteren. Naar dit ideaal te streven is 's mensen hoogste plicht, en dit betekent dat hij moet proberen de lagere, dierlijke ziel in harmonie te brengen met de geboden van de hogere ziel, het goddelijke in de mens.

De vier elementen worden voorgesteld als de vier lichamelijke humeuren of lichaamsvochten. Hun combinatie geeft aanleiding tot de vijf fysieke zintuigen en deze zijn de kanalen waardoor de eigenschappen van de lagere ziel verschijnen als het spel van de tegengestelden.

De mens zou moeten proberen tot het aantal van de uitmuntenden te behoren en hen vlijtig in hun voetstappen volgen. Hij moet zijn eigenschappen verfijnen tot ze zijn verbeterd en totdat hij als eerbaar bekend staat moet hij het gebruik van zijn zintuigen beperken tot het noodzakelijke...

Maar wanneer de mens dit bereikt moet hij niet weemoedig staren naar het bereiken van dat wat er nog boven ligt - duurzaam geluk dat hij kan verwerven in de sfeer van het Intellect, die wereld die zal komen.


De eigenschappen die zich manifesteren door het zintuig van het zicht zijn nederigheid en bescheidenheid, en hun tegengestelden zijn hoogmoed en onbeschaamdheid. Het zien staat tot de mens zoals de zon tot het zonnestelsel, en zo is het zicht het zintuig dat de goddelijke Ziel het meest benadert en haar natuur het duidelijkst weergeeft. Aan het gehoor worden liefde en barmhartigheid, haat en wreedheid toegeschreven. De reuk wordt in verband gebracht met goede wil en waakzaamheid, woede en jaloersheid.

De smaak, het laagste van de zintuigen, vergt de eerste en grootste poging tot beheersing. Hij houdt verband met vreugde en rust, treurnis en spijt. De tastzin manifesteert vrijgevigheid en moed, gierigheid en lafheid. De plicht en het spirituele streven vergen het oefenen van de eerste twee eigenschappen toegeschreven aan elk zintuig en de uitroeiing van het tweede paar.

Terwijl Gabirol passages uit de Bijbel citeerde om zijn bedoelingen te verduidelijken, werd het ethische leven voor hem toch niet bepaald door mechanische afhankelijkheid van de Wet (Thora). Hij vereerde de leringen van de rabbijnen, maar verwierp hun neiging tot dogmatisme.

De 'Fons Vitae' is een zuiver filosofisch werk en verwijst niet naar de Bijbel of de Bijbelse traditie. MateriŽle (samengestelde) substanties komen van enkelvoudige substanties die afgeleid zijn van universele materie en vorm, een emanatie van de goddelijke wil. Het eerste principe is de Eerste Essentie, de Godheid, boven karakterisering en iedere soort van begrip verheven.

'Dat zij is' wordt aangetoond door de activiteit van de goddelijke 'wil'. Niettemin is alles buiten de uiteraard onkenbare Eerste Essentie tegelijk geestelijk en stoffelijk. De rationele ziel, een emanatie van de eerste samenstelling van universele materie en vorm, met name Intellect, is verbonden met de vegetatieve ziel, het product van de laagste enkelvoudige substantie, de Natuur, de levengevende geest.
Ibn Gabirol of Avicebron: blz 6
'De vorm van het intellect sluit alle vormen in, en zij zijn erin vervat', zodat de ziel potentieel alwetend is. Alleen vormen zijn kenbaar, want de stof zelf is uiteraard onbegrijpelijk.

De betrokkenheid van de ziel bij de stof kan de ziel slechts voor haar eigen mogelijkheden doen ontwaken wanneer zij de vormen waarneemt die er op onvolmaakte wijze in belichaamd zijn.

Boven de kennis van vorm en stof staat echter de geheel transcendente kennis van de goddelijke wil, die identiek is met goddelijke wijsheid en de Logos. Op zichzelf beschouwd is wil de goddelijke essentie, oneindig in haar aard hoewel eindig in haar actie. De ware kennis die de ziel bevrijdt en haar toelaat naar haar bron terug te zweven is de kennis van de wil. Wanneer de levende ziel in de mens de lagere ziel disciplineert door haar aspiratie naar de hogere ziel, manifesteert zij de goddelijke wil. Ethica is daarom het begin van kennis van de wil. Zij opent de weg naar de filosofie, die de kennis van de goddelijke wil 'in actie' is en de ziel bevrijdt om terug te keren naar dat wat zelfs boven de wil staat, de Absolute Godheid, de immer verborgen Bron van de schepping.
Gabirol leerde dat: 'De orde van de microkosmos het beeld is van de orde in de macrokosmos.'

Daar kosmische principes zijn weerspiegeld in het menselijke wezen, is het mogelijk door geestelijk besef en ethische inspanning in het bewustzijn op te stijgen tot goddelijke wijsheid en onsterfelijke zaligheid.

Hoe meer een substantie afdaalt, des te meer differentieert zij zich; hoe meer zij opstijgt, des te meer wordt zij ťťn. Alles wat zich differentieert in de neergang en zich verenigt in de opgang bereikt noodzakelijk ware eenheid.

Voor Gabirol worden de Natuur en het menselijk bestaan slechts begrijpelijk vanuit het standpunt van het universele en goddelijke. Wereldse zaken hebben geen betekenis op zichzelf, behalve dat zij de ziel herinneren aan haar zending: de lange weg te bereizen met vriendelijkheid, liefde en tevredenheid.

Dit is een vertaling en bewerking van een artikel verschenen in 'HERMES' van april, 1981, jaargang VII, nr.4, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, U.S.A.
Ibn Gabirol of Avicebron: blz 7
VOETNOTEN

(1) Mozes ibn Ezra: joodse dichter en arts, geboren te Granada in 1060 en gestorven in 1139. In zijn jeugd bedreef hij Arabische liefdespoŽzie en in zijn latere leven schreef hij religieuze gedichten, die ten dele werden opgenomen in de Sefardische liturgie. Hij schreef ook een godsdienstig-filosofisch werk dat in Hebreeuwse vertaling bekend is en waarin hij islamitische problemen van filosofie en openbaring vanuit het joodse standpunt behandelde.
(Uit de Larousse Encyclopedie)

(2) De 'Fons Vitae' was reeds lang in het Westen bekend, maar pas in de 19de eeuw ontdekte men dat de auteur, toen bekend als Avicebron, de beroemde joodse dichter Salomo ibn Gabirol was.

Salomon Munk had een Latijns manuscript van de 'Fons Vitae' ontdekt in de BibliothŤque Nationale te Parijs en tegelijkertijd Hebreeuwse uittreksels vertaald door ibn Fa-laqara, een joodse geleerde van de 13e eeuw, en deze had in zijn woord vooraf het werk toegeschreven aan ibn Gabirol.

Munk publiceerde zijn ontdekking in 1846.

Vroeger reeds hadden andere historici de hypothese geformuleerd dat het Latijnse werk door Gondissalvi uit het Arabisch was vertaald.

In 1855 ontdekte Seyerlen in de BibliothŤque Mazarine een ander Latijns manuscript eindigend op vier verzen waarin de vertalers zich noemen: Jean d'Espagne en Domenico Gondissalvi. Daaruit bleek dus dat de Latijnse tekst dateerde uit de eerste helft van de twaalfde eeuw en deel uitmaakte van de eerste groep Arabische geschriften die aan het Latijnse Westen werden medegedeeld en waaronder zich ook werken van al-Kindi, al-Farabi, ibn Sina en al-Ghazali bevonden.

Pas in 1895 gaf Baumker een volledigere Latijnse tekst uit, gebaseerd op vier manuscripten: de twee in Frans bezit hierboven vermeld, ťťn in Sevilla en het laatste in Frankfurt. De Franse vertaling in ons bezit is op de uitgave van Baumker gebaseerd en verzorgd door Dr. Fernand Brunner, aan wiens werk wij bovenstaande informatie ontlenen. ('La Source de la Vie', Livre III, Vrin, Paris, 1950). De vertalers van het manuscript Seyerlen worden in de Spaanse vertaling aangeduid als Juan Hispano en Domingo Gonzalez.

Ibn Gabirol verenigt drie invloedssferen: de joodse, de Arabische en de Griekse. Wat deze laatste betreft, bestond die voor het wetenschappelijk deel vooral uit de werken van Aristoteles, Hippocrates, Galenus en Ptolemaeus, en voor de filosofie uit die van de neoplatonisten, vertaald door Arabieren, en ook uit de leringen van de school van Ibn Masarra. (Zie G.L.T. Gele Reeks, boek III, VI, juni 1990).

(3) Kether Malkoeth, Sefirot: de tien Sefirot (enkelvoud Sefirah, meervoud Sefirot) zijn in de kabbala weergegeven als bestaanssferen (of wijzen van bestaan) die zich bevinden op vier gebieden of 'werelden'; zij komen analogisch overeen met de bollen van de planeetketen en de kosmische en menselijke principes van de Theosofie. (Zie in dit verband 'De Geheime Leer', I, 269 en II, 721 in de nieuwe Nederlandse vertaling uitgegeven door de T.U.P., Den Haag, 1988).

De vier 'werelden' zijn ongetwijfeld de vier 'gebieden' waarop Mevrouw Blavatsky de zeven bollen situeert (Zie 'De Geheime Leer', I, 228 in dezelfde vertaling). In de 'Kabbalah' van Charles Poncť, Nederlands van Louis Rebeke, Ankh-Hermes, 1979, pp. 58 en 29, vinden we de lijst en de tabel van de tien Sefiroth op de vier werelden, als volgt:

- in Atsiluth (uitstraling): Kether (Kroon), Chochmah (Wijsheid) en Binah (Begrip);

- in Beri'ah (Schepping) ; Chesed (Genade), Geburah (Macht) en Tifereth (Schoonheid);

- in Jetzirah (Vormgeving): Netsach (Overwinning), Hod (Heerlijkheid) en Jesod (Voortplanting);

- in Assiah: Malkoeth (benen en voeten, de fysieke wereld). De tien samen vormen de Adam Kadmon of Hemelse Mens, d.i. de drie-eenheid en haar zevenvoudige manifestaties in de wereld van vorm.

(4) Mevrouw Blavatsky verklaart in haar commentaar op de Eerste Grondstelling van 'De Geheime Leer' 'dat er ťťn volstrekte werkelijkheid is, die aan elk gemanifesteerd, voorwaardelijk zijn voorafgaat.'

Dit Absolute, het 'onbewuste' en het 'onkenbare' van de -in haar tijd- gangbare Europese filosofie, 'is natuurlijk verstoken van alle eigenschappen en staat in wezen buiten enig verband met alle gemanifesteerd, eindig Zijn. Het is 'Zijnheid', meer dan Zijn... en gaat alle gedachte of bespiegeling te boven.'

Het is voor Theosofen interessant hoe Ibn Gabirol in zijn 'Fons Vitae' dit kernprobleem van de oorspronkelijke beweging benaderde. Om dit duidelijk te maken citeren we een paragraaf uit Emile Drťhier's 'Philosophie du Moyen-Age' (Albin Michel, Paris, 1937, p.237), die over onze 'Avicebron' het volgende zegt:

'Waar de leer van Avicenna op het kruispunt staat van de invloeden van peripatetisme (Aristoteles, vert.) en Plato, is de invloed van Aristoteles om zo te zeggen nul, behalve wat de dialectische methode betreft; en zelfs, indien hij nooit zijn bronnen vermeldt, oefent hij kritiek uit op sommige fundamentele opvattingen (van Aristoteles) en in het bijzonder op die welke aan God de beweging van de eerste hemelsfeer toeschrijft: volgens hem is het onmogelijk dat de Schepper, die oneindig is, onmiddelbaar de beweging van een sfeer zou veroorzaken, die eindig is; en bovendien geeft hij als axioma toe dat een onbeweeglijke substantie, zoals de Schepper, geen andere substantie in beweging kan brengen:

'Alles wat zichzelf niet kan bewegen, kan ook niets anders bewegen... De motor van een substantie geeft inderdaad aan de substantie het vermogen zich te bewegen; maar alles wat een attribuut aan een ander iets mededeelt, moet dit attribuut zelf meer bezitten dan dat waaraan het gegeven wordt.' ('Fons Vitae', III, 7) Het onmiddellijke, of liever directe principe van de beweging is dus wat zichzelf beweegt, en dit is wat Plato de ziel noemt.'

De probleemstelling en de redenering zijn voor ons interessant als voorbeeld van een andere benadering. In de Theosofie is het Absolute ook onbeweeglijk, en dus onveranderlijk. Het heeft echter een aspect van wetmatigheid, dat het principe van beweging en verandering inhoudt, daar de wetmatigheid in haar vorm van universele periodiciteit de aanleiding is voor het alternatief 'waken en slapen' van de oerstof waarin de beweging wordt gemanifesteerd.

(5) In haar 'Theosofisch Glossarium' (p.161) noemt Mevrouw Blavatsky 'Gabirol' ook een kabbalist. In verband met dit onderwerp schreef de ons inmiddels reeds bekende Dr. Margaret Smith in 'The Aryan Path' van september, 1942, een artikel getiteld 'Reincarnation in Jewish Thought'. We citeren het relevante deel: '...de kabbala...werd in de negende eeuw van BabyloniŽ naar ItaliŽ gebracht door Aaron ben Samuel, die het onderwerp onderwees en erover schreef.

Vanuit ItaliŽ verspreidde de leer zich over geheel Europa en kreeg bijzonder veel aandacht en goedkeuring in Duitsland, in de theologische school door Judah ben Samuel gesticht te Regensburg.

Judah ha Levi ben Samuel werd geboren te Toledo in 1085; hij was een dichter en wijsgeer die in Egypte en in Palestina had gereisd... Onder degenen die invloed uitoefenden op de ontwikkeling van de kabbalistische leer was Salomo ibn Gabirol, bekend als de 'joodse Plato', en een van de eerste leraren van het neoplatonisme in Europa. Hij was zelf beÔnvloed door de brieven van de 'Ikhwan al-Safa', de Broeders van het Licht, een groep gevormd te Basra (Irak) in de tweede helft van de negende eeuw. Zij onderwezen de plotiniaanse leer van de emanaties...'
Franciscus van Assisi : blz 1
Franciscus van Assisi
'Dit is mijn raad aangaande de toestand van uw ziel. Volgens mij zoudt U alles wat het U moeilijk maakt God lief te hebben, moeten beschouwen als een bijzondere gunst, zelfs als anderen, broeders inbegrepen, er verantwoordelijk voor zijn of zelfs indien zij zo ver gaan fysiek geweld tegen U te gebruiken.

U moet dit beschouwen als hoe en wat U wilt zijn, en U kunt dit als een bevel van God of van mijzelf beschouwen.

Ik ben ervan overtuigd dat dit de ware gehoorzaamheid is. U moet hen die U zo behandelen liefhebben en niets anders van hen verlangen, behalve wat God toelaat U te overkomen. U kunt uw liefde voor hen tonen door te wensen dat zij betere christenen zouden zijn. En dit zou U meer voordeel moeten brengen dan de eenzaamheid van de kluizenaar.'

Brief van een zielenherder                                 Franciscus van Assisi

leder tijdperk heeft zijn eigen geheime bronnen van vernieuwing en zijn uitzonderlijke mannen en vrouwen die het essentiŽle in het leven kunnen onderscheiden.

Zoals Plato in de mythe van Er liet verstaan, zijn de meeste mensen in hun bewustzijn verward wanneer de waarden van een cultuur onduidelijk zijn; zij handelen dan onder dwang of uit verveling.

In een cultuur die haar waarden strak formuleert, worden velen blinde conformisten. Maar zowel in toestanden van stagnatie als van chaos doordringen de krachten van de ideatie (d.i.: hoger-manasische krachten, vert.) het gebied van denken en handelen; zij beÔnvloeden velen zonder dat dezen er zich bewust van zijn en verschaffen de grondslag waarop enkele weinige uitverkorenen kunnen bouwen en zelfbewust een voorbeeld en een bron van inspiratie worden voor latere tijden.

De twaalfde en de dertiende eeuw lijken voor latere generaties vanuit ťťn standpunt afgestompt en doods indien niet echt dood, en vanuit een ander langdradig en vervelend om reden van de talloze politieke en religieuze intriges.

De hoven van zuidelijk Frankrijk en noordelijk Spanje koesterden de traditie van de troubadours en de ridderlijke liefde. Relaties tussen mannen en vrouwen werden uit hun context van huwelijkscontracten verheven en nieuw geformuleerd in termen van de zoektocht naar idealen.

Een vreemd mengsel van vroomheid en veroveringszucht kwam te voorschijn in de Kruistochten, waarin edelen van heel Europa naar overzeese gebieden voeren om het Heilig Land uit heidense handen te verlossen.

Soms moest het onkritische aanvaarden van de kerkelijke autoriteit de baan ruimen voor radicale religieuze hervormingen, dramatisch belichaamd in de beweging van katharen en albigenzen. De oude landadel werd ook geconfronteerd met de opkomende klasse van handeldrijvende burgers, die haar eigen waarden en manieren van doen had.

Binnen de politieke en economische gisting van het tijdperk rees een spiritueel bewustzijn op waardoor grote aantallen van individuen de wereld gingen verlaten om zich ascetisch terug te trekken in onbevolkte valleien en op verafgelegen heuvels. De middeleeuwse wereld was aan 't veranderen en hield beloften in voor mensen die in verandering hun element vinden.

Pietro di Bernardone, een rijke handelaar uit Assisi, reisde vaak naar de Champagne om er de grote 'handelsbeurzen' te bezoeken. Tijdens een van die reizen, in 1181, baarde zijn vrouw, Pica, een zoontje dat zij Giovanni liet dopen. Zodra Pietro echter terug thuiskwam, veranderde hij de naam van het kind in Francesco, genoemd naar Frankrijk, het land waarvan hij de cultuur zo zeer bewonderde. Over de familie van Franciscus weet men weinig : zijn moeder was vroom en orthodox, zijn vader was niet erg geliefd. Hij was een koppig man en daagde de mentaliteit van het hertogdom Spoleto voortdurend uit door zijn enthousiasme voor alles wat Frans was.
Franciscus van Assisi : blz 2
De voorname burgers van Assisi waren gegrepen tussen de pauselijke pogingen het kerkelijk gebied uit te breiden en de aanspraken van het Heilige Roomse Rijk (het Germaans-Latijnse keizerrijk dat Karel de Grote opvolgde).

Zij vonden Pietro's minachting voor de gegevens van de geldende politiek vervelend en zelfs gevaarlijk. De ideeŽn van de albigenzen waren samen met de handel in ItaliŽ binnengedrongen en Pietro stond onder de invloed van de 'katharoi', 'de zuiveren'.

Nog voor de geboorte van Franciscus hadden keizerlijke legers UmbriŽ bezet en zoals vele van haar zustersteden had Assisi de Duitse meesters aanvaard. In de vrede die daaruit voortkwam kon de handel zich ontwikkelen en voorspoed verzekeren, zodat Franciscus opgroeide in een leven van rustige weelde. Zijn opvoeding was bescheiden maar flink, berekend op een latere leidende rol in de zaken van de familie.

In 1197 overleed keizer Hendrik VI en de gebieden van de Hohen- staufen losten zich op in hun samenstellende delen. Drie maanden later stierf ook paus Celestinus en in het begin van 1198 werd Lotharius van Segni tot priester gewijd, tot bisschop benoemd en gekroond als paus Innocentius III. Binnen enkele maanden greep Innocentius het initiatief en begon een triomftocht door de oude pauselijke landen, zodat stad na stad zich van de keizerlijke overweldigers losscheurde en zich aan de paus onderwierp.

Toen de paus ook op het hertogdom Spoleto aanspraak maakte, bood Assisi geen weerstand. De burgers zagen echter niet in waarom ze de ene tiran zouden vervangen door de andere, en zij begonnen op de heuvel buiten de stad de koninklijke vesting af te breken. Hoewel ze de pauselijke autoriteit erkenden, verkozen ze consuls en begonnen zich te gedragen alsof hun gebied half onafhankelijk was. In het bijzonder waren het de jonge mannen van Assisi die in deze nieuwe situatie veel genoegen vonden.

Franciscus werd vaak uitgeroepen tot 'koning van de feestvierders' en hij leidde de jeugd op luidruchtige tochten door de stad. Waar de nodige erfelijke adel hem ontbrak, compenseerde hij dit door zijn vermogen te betalen. Terwijl heel wat edelen hun machtsverlies aanvaardden en zelfs in de stad gingen wonen om hun rol van burger te spelen, boden sommigen van de meer machtige heren weerstand aan deze veranderingen en zij riepen daarbij de hulp in van het nabije Perugia. Toen de burgers van Assisi het kasteel van Sassarosso hadden vernield, vluchtten zijn adellijke bezitters naar Perugia en deze stad eiste schadeloosstelling voor de verliezen van haar nieuwe burgers.

In de herfst van 1202 marcheerde het leger van Assisi op tegen Perugia. Dank zij de rijkdom van zijn vader kon Franciscus dienst nemen in de cavalerie en hij reed opgewonden en met een gevoel van lotsbestemming uit naar de verhoopte zege. Het leger nam stellingen in te Collestrada aan de Tiber om daar de Perugiaanse strijdmacht op te wachten.

De veldslag die daarop volgde was voor Assisi een ramp. Vele infanteristen werden gedood en Franciscus werd met sommigen van zijn medesoldaten gevangen genomen. Hij bleef een jaar lang krijgsgevangene van Perugia maar spreidde in de kerker zo'n constant goed humeur tentoon dat zelfs de meest gedeprimeerde gevangenen erdoor werden opgebeurd.

Toen hij werd vrijgelaten en naar huis terugkeerde stelde hij vast dat de groep van de gematigden er niet in was geslaagd een redelijke vrede met Perugia te verkrijgen. De extremistische elementen drongen aan op een agressieve voortzetting van de oorlog en hadden zelfs een kathaar tot 'podesta' uitgeroepen; dit is een tijdelijke dictator die enkele maanden lang het bewind zou voeren.

De kerk reageerde door de zijde van Perugia te kiezen en een aantal burgers, onder wie schijnbaar ook Pietro di Bernardone, werden verplicht tot bijzondere verklaringen van orthodoxie. De oorlog was voorbij.
Franciscus van Assisi : blz 3
Franciscus voelde in zich een diepe hunkering naar het vervullen van een lotsbestemming, maar hij was niet gezegend met de directe intuÔtie van wat die lotsbestemming moest zijn. Zijn vader had hem de liederen van de troubadours geleerd in de 'langue d'oc', het oude Frans van het zuiden. De ridderlijke en vergeestelijkte liefde van de troubadours en de populaire legenden van de Ronde tafel van koning Arthur vloeiden samen in een romantische opvatting van de kruistochten en de rijken overzee.

Hoewel de details onbekend zijn is het duidelijk dat Franciscus een diep verlangen voelde om ridder te worden, want in die archetypische figuur vond hij de krijger en de aan het goddelijke toegewijde verenigd.

In ApuliŽ streed Walter van Brienne voor de restauratie van de wettelijke orde, en Franciscus besloot hem daarin in het zuiden te volgen. Zijn vader voorzag hem van een prachtige ridderkledij en zond hem op weg naar roem en glorie. Net voordat hij vertrok, had hij een droom :

Terwijl Franciscus sliep verscheen een man die hem bij zijn naam riep en hem rondleidde in een ruim en mooi paleis, waarvan de muren vol hingen met schitterende maliŽnkolders, glanzende gespen en al de wapens en harnassen van krijgers. Franciscus was overgelukkig en, nadenkend over de mogelijke betekenis van dit gebeuren, vroeg hij voor wie die heerlijke wapens en dat prachtig paleis waren bedoeld; en hij kreeg als antwoord dat zij voor hem en zijn ridders waren.

Deze schijnbare bevestiging van zijn verlangens sterkte hem in zijn vreugde en welgezind reed hij Assisi uit naar het zuiden.

Nauwelijks had Franciscus het naburige Spoleto bereikt of hij werd ziek. Terwijl hij zich in een toestand van bedwelming bevond hoorde hij een stem die hem vroeg:

'Wat is beter, de meester te dienen of de dienaren ?'

Franciscus antwoordde dat het beter zou zijn de meester te dienen. 'Waarom,' ging de stem verder, 'zoek je dan eerder de dienaren op dan de meester?' Franciscus was verbaasd, maar vermoedde wel iets van de mogelijke betekenis en vroeg: 'Wat wilt ge dan dat ik doe, Heer ?' De stem antwoordde: 'Ga terug naar je geboorteplaats en wees voorbereid op wat je daar zal worden bevolen.'

Hoewel deze instructie zeer verschillend was van het vage idee waarmee Franciscus zich had beziggehouden, keerde hij terstond zijn ridderlijke queeste de rug toe en begaf zich naar Assisi.

Aan de ene kant had hij iets van opperste belang in zichzelf ontdekt, en aan de andere kant had hij zichzelf helemaal verloren. Terug in Assisi bleef hij zoals steeds gastvrij en goed gehumeurd, maar de nieuwe stromingen groeven diepe beddingen in hem.

Hij wilde anderen niet met zijn innerlijke twijfels belasten, trok zich periodiek terug in overpeinzing en maakte trancetoestanden mee.

Tot grote ontsteltenis van zijn vader kocht Franciscus dure versierselen voor de kerk van Assisi, ondernam een pelgrimstocht naar Rome, en begon raad te vragen aan de nieuwe bisschop van Assisi, de eerzuchtige en wereldlijke Guido.

Franciscus was naar zijn ware taak aan 't tasten en hoewel zijn activiteiten de mensen van zijn stad soms als belachelijk voorkwamen en zijn vader meer en meer irriteerden waren zij voor die tijd toch nog tamelijk conventioneel.

Het keerpunt kwam niettemin door een eenvoudig feit. Tegen het einde van zijn leven dicteerde hij zijn testament. Hij begon zo:

Dit is hoe God mij, broeder Franciscus, de inspiratie gaf mij in een leven van boetedoening te begeven.

Toen ik nog zondig was, maakte het zien van melaatsen mij buitengewoon misselijk; maar God zelf bracht mij in hun gezelschap, en ik had medelijden met hen. Eens dat ik met hen bekend was geraakt, werd de bron van mijn vroegere misselijkheid er een van geestelijke en lichamelijke troost. Ik heb dan niet lang meer gewacht om de wereld te verlaten.
Franciscus van Assisi : blz 4
Franciscus legde intuÔtief een verband tussen zijn levenswijze, die in een wereld van algemene smart en lijden onverantwoordelijk was, en zijn afkeer voor het lijden van anderen. De afschuw die hij voelde wanneer hij naar het fysieke verval in de wereld keek, was slechts de weerkaatsing van het morele verval en de spirituele stagnatie in hemzelf. Zodra de schakel werd gezien, was er geen ontsnappen meer aan de gevolgen en zeker niet door een of ander aspect van de wereld uit de weg te gaan.

Franciscus begon ermee, eerst nog angstig, de lepralijders te bezoeken en te verzorgen; hij bracht hun voedsel, kleding, een goed humeur en een vriendelijk woord. De logica van zijn inzicht bracht hem op den duur tot een leven van zelfverloochening, maar de wijsheid kwam niet ineens.

Op zoek naar meer middelen begon hij zich te verschuilen in de spelonken van de heuvels rond Assisi, 'om naar verborgen schatten te zoeken', vertelde hij aan zijn nieuwsgierige vrienden. Op een dag kwam hij voorbij de vervallen kerk van San Damiano, net ten zuiden van de stad. Een innerlijke stem beval hem daar binnen te gaan en te bidden. Weldra hoorde hij een stem zeggen: 'Francesco, zie je niet dat mijn huis een ruÔne is geworden ? Ga en herstel het voor me.' Hij nam dit letterlijk, terwijl het waarschijnlijk een symbool van zijn later groot werk was, en veronderstelde dat hij zich met de restauratie van die bepaalde kerk moest gaan bezighouden.

Bij de eerste gelegenheid nam hij een grote som geld uit het vaderlijk huis mee en ging in de kerk wonen. Zijn vader zond er een groep mannen op uit om hem te vatten, maar hij verborg zich een maand lang in een grot. Dat was te veel voor zijn vader en zodra Franciscus weer onder het publiek verscheen, liet hij hem oppakken en sloot hij hem op in een donkere kelder. Dit was het ergste schandaal dat de stadsbevolking ooit had meegemaakt.

Pietro stond erop dat Franciscus het familiefortuin niet mocht uitgeven aan reparaties van kerken. Franciscus hield echter staande dat hij precies dat zou doen. Wat later moest Pietro toch weg op zakenreis en tijdens zijn afwezigheid bevrijdde Pica haar zoon, die onmiddellijk terugkeerde naar San Damiano.

Zodra Pietro terug thuis was eiste hij in het openbaar dat zijn zoon naar de ouderlijke woning zou komen, maar Franciscus weigerde. Bij de plaatselijke wetten was misbruik van het ouderlijk bezit strafbaar door verbanning. Pietro klaagde zijn zoon aan en eiste dat hij berecht zou worden, maar toen de rechter hem de dagvaarding liet toekomen verwierp Franciscus deze, bewerend dat hij aan de kerk verbonden was en onder de rechtspraak van de bisschop viel.

Zonder toestemming van de bisschop kon de openbare macht Franciscus niet raken en daarom daagde zijn vader hem voor een kerkelijk gerecht. Nu verscheen Franciscus heel gedwee, aanhoorde de beschuldigingen van zijn vader en verklaarde dat hij zich bij het oordeel van de bisschop zou neerleggen.

Guido, die met geen enkele familie ruzie wilde, koos een middenweg: hij verklaarde dat Franciscus het familiebezit moest teruggeven en dat de nodige middelen voor de restauratie van de kerk door God ter beschikking zouden worden gesteld. Franciscus kleedde zich onmiddellijk helemaal uit, vouwde zijn kleren op en plaatste het geld bovenop het bundeltje. De verraste bisschop wierp hem zijn mantel om en deed hem vlug verdwijnen in het bisschoppelijk paleis.

Nu was Franciscus geheel alleen. Behalve voor wat vaderlijke raad en een oude monnikenpij voelde de bisschop zich niet aan de onstuimige jonge man verplicht. Eerst behandelde de stad Franciscus als een publieke grap.

Franciscus zag echter weldra duidelijk in hoe de kerk moest worden gerestaureerd: hij moest het zelf doen.
Franciscus van Assisi : blz 5
Met oude bouwmaterialen begon hij San Damiano te herstellen. Toen zijn materialen opgebruikt waren, ging hij in de stad om andere bedelen. Zoals de discipelen van de Boeddha en in tegenstelling tot de kloostertradities van Europa, bedelde hij ook om zijn voedsel. Toen de mensen zagen dat hij zelf werkte kregen ze sympathie voor hem, gaven hem materiaal en begonnen hem in het kerkje op te zoeken om een handje toe te steken. Zodra San Damiano gereed was, verhuisde hij naar de vervallen kapel van San Pietro della Spina en daarna begon hij aan het beroemdste van zijn werken, de antieke kerk Porziuncula.

Toen die ook gereed was, in februari 1208, kwam een priester van de plaatselijke benedictijner abdij er de eucharistie vieren. Zijn tekst was de lering van Jezus: ga uit in de wereld, zonder geld of bezit, en predik boetedoening. Plots riep Franciscus uit: 'Dit is wat ik met heel mijn hart verlang!' Hij legde zijn metselaarsplunje terzijde en trok de pij van de kluizenaar aan.

Franciscus was zachtmoedig en nederig. In het middeleeuwse denken was de boeteling iemand die zichzelf opofferde en aan de wereld verzaakte, niet alleen om zijn eigen ziel, maar ook als voorbeeld en positieve kracht voor de mensheid als geheel. De boeteling had invloed op heel de gemeenschap en werd aanvaard als element van de middeleeuwse samenleving.

Verschillend van de zwervende heremieten van zijn tijd sprak Franciscus geen zure en striemende sermoenen uit. Glimlachend en vriendelijk ging hij de mensen tegemoet en herinnerde hen eraan dat de wereld mooi is en de aarde goed. Hij genoot zodanig van het meeleven met de natuur dat de mensen geloofden dat hij de taal van de dieren verstond, en meer bepaald die van de vogels. Voor hem was ieder wezen in de natuur deel van een sacrament. Iedere bloem, elk dier of zelfs mineraal legde getuigenis af van de goedheid en transcendente glorie van het goddelijke.

Weldra begonnen sommigen meer van hun tijd bij hem door te brengen en het duurde niet lang of er rees uit deze banden een soort informele 'orde' op. Het idee van een orde van boetelingen kreeg vorm toen Bernardus, een rijke inwijkeling van Assisi, ernstig met Franciscus kwam praten over de mogelijkheid zijn discipel te worden. Na een lange discussie gingen beiden naar een priester en vroegen hem zijn gebedenboek driemaal op goed geluk open te slaan, om te zien wat het goddelijke zou aanduiden. De drie passages waren opmerkelijk:

Als je volmaakt wilt zijn, ga dan, verkoop alles wat je hebt, en geef de opbrengst aan de armen, en je zult schatten hebben in de hemel; en kom, volg mij.

Neem niets mee wanneer je op reis gaat, noch stok, noch brood, noch geld.

Indien een mens, welke dan ook, na mij wil komen, laat hem dan zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en mij volgen.


'Dit is ons leven,' zei Franciscus, 'dit is onze regel, en wie zich bij ons wil vervoegen zal dit moeten doen.'

Zo kwamen de basiselementen van de orde der Franciscaners tot stand. Zij verbonden zich tot armoede, reizen en boetedoening.

Binnen twee weken voegden Petrus en Gilles zich bij Franciscus en Bernardus. Tot grote verbazing van heel Assisi gaven de vier alles weg wat Bernardus bezat. Franciscus noemde zijn groep de Ronde Tafel en het lijdt geen twijfel dat hij die beschouwde als een stel ridders volgens een traditie verwant aan die van koning Arthur.

Later kwamen er mensen van nederige afkomst bij en op den duur de fleur van Assisi's edelgeboren jeugd.

Franciscus schreef een 'Eerste regel', die verloren is gegaan, en niettegenstaande de verscheidenheid van hun achtergrond voerden deze heremieten een democratisch bewind over henzelf. In 1209 vertrokken zij naar Rome om pauselijke erkenning te vragen.
Franciscus van Assisi : blz 6
Nauwelijks waren zij in de eeuwige stad aangekomen, of Franciscus slaagde er al in de paus in een gang van het Lateraan te ontmoeten.

Franciscus sputterde zijn smeekbede uit met ontzag en verwarring en de ontstelde Innocentius III gaf hem het bevel in een varkensstal te gaan wonen. Franciscus gehoorzaamde letterlijk.

Bisschop Guido, die voor zaken in Rome was, vernam iets over de vreemde gebeurtenissen en overtuigde de groep broeders zich te wassen en met kardinaal Giovanni van San Paolo te gaan praten.

Na verscheidene gespreksdagen besloot de kardinaal dat Franciscus en zijn groep geen enkele neiging tot ketterij vertoonden en zorgde voor een officiŽle audiŽntie bij de paus.

Diens vertrouwelingen zagen met verbazing dat de paus Franciscus sympathiek vond, opgetogen was over de letterlijke gehoorzaamheid en het wonen in een varkensstal, en keurde de regel van de orde goed op voorwaarde dat de broeders boetedoening zouden prediken en geen theologie.

Terug in Assisi begon de orde bescheiden te floreren. Eigenlijk was zij meer een gezelschap van kameraden dan een orde. Volgens de opvattingen van Franciscus moest de orde streng eenvoudig worden gehouden: arm, geldschuwend, bedelaars, zwervers, predikers van boetedoening, kuis en, boven alles, broederlijk in de geest. Maar hij geloofde niet in excessen.

Hij stond zelfkastijding toe, maar drong aan op lankmoedigheid jegens anderen. De orde bestond niet voor onderlinge beschuldiging maar voor gezamenlijke steun. De levenswijze van de eerste franciscanen was hard genoeg om de meesten te ontmoedigen, maar het simpele goede humeur en de vrolijkheid van de broeders waren aantrekkelijk.

In 1211 vroeg Clara, een jonge edelvrouw die haar jeugd te Perugia in verbanning had doorgebracht, om een onderhoud met Franciscus.

Dankzij de hulp van verscheidene broeders die hadden gezworen het stilzwijgen te bewaren, konden zij elkaar herhaaldelijk in het geheim ontmoeten. Hun temperament was gevoelig en zij werden verliefd op elkaar. Door voorzichtige maatregelen kon Clara op een nacht uit haar woning wegsluipen en de franciscanen ontmoeten.

Haar hoofd werd geschoren en zij werd naar het klooster van San Paolo gebracht.

Toen haar familie haar probeerde terug te halen, weigerde zij het klooster te verlaten. Zij weigerde ook de klederdracht van de benedictijnen want, zei ze, ze had gezworen de regel van Franciscus te volgen. Assisi vond het een schandaal, hoewel niemand ook maar een zweem van onbetamelijkheid kon ontdekken. Nog erger, enkele dagen later liep Agnes, Clara's zuster, ook weg om zich bij haar te voegen.

Op dit moment was Bisschop Guido voldoende geŽrgerd, en door deze onverwachte activiteiten in moeilijkheid gebracht, om in te grijpen.

Hij bood Clara de kerk van San Damiano aan, het eerste gebouw dat Franciscus had hersteld, en liet haar daar huisvesten, op twee mijl van de mannelijke orde.

Weldra kregen Clara en Agnes het gezelschap van Beatrice, de derde dochter, en van Pacifica, een bloedverwante. Uiteindelijk kwam haar moeder Ortolana ook nog, en Franciscus stelde Clara aan als eerste abdis van de arme clarissen. Daar hij wel wist wat voor geruchten de ronde deden over mannen en vrouwen die tot dezelfde gemeenschap waren toegelaten, hield Franciscus de geslachten zorgvuldig gescheiden.

Hoewel nog tijdens zijn leven de franciscanen de regel voldoende wijzigden om Franciscus te laten concluderen dat de oorspronkelijke impuls uit zijn beweging was verdwenen, is de orde steeds om haar voorzichtigheid geŽerd geweest.

De geest van de kruistochten was in Europa nog niet dood. Franciscus had er kennis mee gemaakt hoe hij als jonge man Walter van Brienne wilde vergezellen naar ApuliŽ.
Franciscus van Assisi : blz 7
Nu kreeg hij een sterke aandrang om tot de Saracenen te prediken, de moslims die stilaan het Heilig Land heroverden. Toen Jan van Brienne, Walters broer, de jonge Maria van Jeruzalem huwde en naar Acre vertrok, droomde Franciscus ervan zich bij hem te vervoegen.

Maar een verkeerde timing en slecht weer wierpen hem op de kust van SlavoniŽ (deel van het huidige KroatiŽ, vert.) en hij moest naar ItaliŽ terugkeren.

Onversaagd trok hij nu met verscheidene broeders op pelgrimstocht naar Santiago de Compostela in Spanje.

Hoewel hij zijn metgezellen niets verried over zijn uiteindelijke bedoelingen, menen de meeste historici dat hij van plan was daar de Moren te confronteren.

Zelfs in de beste omstandigheden zou de reis uitputtend zijn geweest, en eenmaal in Santiago gearriveerd werd hij ziek. De ziekte bleef duren en de reis naar huis was lang. Franciscus was wel ontgoocheld, maar niet ontmoedigd.

Innocentius III riep in 1215 het grote Oecumenische Concilie bijeen, waar hij naast belangrijke kerkelijke hervormingen ook een nieuwe kruistocht in 1217 in het vooruitzicht stelde. Hoewel hij nog aarzelde om mee te gaan, aanvaardde Franciscus van kardinaal Ugolino brieven van vrijgeleide. Deze Ugolino zou later als Paus Gregorius IX Franciscus twee jaar na zijn dood heilig verklaren. In 1219 vertrok Franciscus naar het Oosten.

Toen hij in Acre was gearriveerd wachtte hem daar een verbazingwekkende ontdekking: vele moslims hadden een hogere beschaving en waren door hun deugden meer christelijk dan de geharde en bonte verzameling van de benden kruisvaarders.

In overeenkomst met de raad van Jan van Brienne zou men niet overhaast te werk gaan om Jeruzalem in te nemen. In plaats daarvan werd eerst de stad Damietta in Egypte aangevallen en de buitenvesting ingenomen.

In het midden van de strijd en nog voor Damietta was gevallen, ging Franciscus naar het kamp van sultan Melek al-Kamil. Deze hield van filosofische discussies en nodigde Franciscus uit eraan deel te nemen.

Om dit te doen moest Franciscus echter over een tapijt van kruisen lopen, dat de sultan aanwendde om bekeerlingen te onderscheiden van spionnen. Al-Kamil was verwonderd Franciscus zonder aarzeling over het tapijt te zien lopen, maar Franciscus verklaarde hem dat Jezus samen met dieven was gekruisigd: het ware kruis staat in het bewustzijn; het kruis van de misdadigers ligt op de grond. Franciscus en al-Kamil vonden elkaar onmiddellijk sympathiek.

Franciscus liet omtrent de kracht en de oprechtheid van zijn geloof geen twijfel bestaan. Hij bood aan de vuurproef te ondergaan, de 'ordalia'. Eerst stelde hij voor dat hij samen met een moslimtheoloog door het vuur zou stappen. Wie er onverschroeid zou uitkomen zou het ware geloof belijden. Toen de sultan hem verklaarde dat de wet van de Koran het niet toestond op zulke uitdagingen in te gaan, bood Franciscus aan alleen door het vuur te lopen. Maar ook nu gaf de Sultan niet toe. Hij bood Franciscus geschenken aan en gaf hem een vrijgeleide om veilig naar het christelijke kamp terug te keren. Toen de tweede regel werd gepubliceerd, bepaalde Franciscus twee manieren waarop zendelingen getuigenis van hun geloof mochten afleggen.

Terwijl hij het martelaarschap erkende, dat in de middeleeuwen bij uitstek de methode was, verklaarde hij het verkieslijk onder de ongelovigen te leven als voorbeeld van een christelijk bestaan.

Franciscus van Assisi : blz 8
Wanneer men de boetedoening predikt, probeert men de mensen te overtuigen dat zij moeten toepassen wat zij op een of ander niveau reeds geloven: men overbrugt de afstand tussen theorie en praktijk. Als men nu tegenover mensen staat die even oprecht een verschillende geloofsvorm aanhangen, zal alleen het voorbeeld overtuigend zijn.

Zijn verblijf in de overzeese gebieden werd verstoord door berichten betreffende moeilijkheden in de orde in UmbriŽ. Hij spoedde zich huiswaarts en stelde vast dat nieuwe statuten waren afgekondigd en dat grote verwarring onder de broeders heerste.

Nadat hij deze kwesties had bestudeerd en twisten had bijgelegd, besloot hij als hoofd van de orde ontslag te nemen.

Franciscus ging zich bij Gilles en Bernardus als kluizenaar vervoegen. In 1224, tijdens een vasten van veertig dagen, kreeg hij de 'stigmata', de eerste die sinds de kruisiging die wonden vertoonde. Zij waren zo hevig dat hij naar de Porziuncula moest worden teruggedragen. Hij werd snel blind. En toch, terwijl hij leed in lichaam en hart, schreef hij nog de mooie 'Zang aan broeder Zon'.

In 1226, toen hij inzag dat zijn sterven nabij was, voegde hij er de slotrede aan toe, de Groet aan Zuster Dood, en Clara mocht hem verzorgen. Nu was hij totaal krachteloos, maar zijn leven had duizenden geÔnspireerd. De vreemde kleine man uit Assisi werd het onderwerp van een ontzaglijk eerbetoon.

Toen hij op 3 oktober 1226 stierf werd zijn lichaam naar het centrum van Assisi gedragen en daar begraven.

Hoewel hij vond dat hij had gefaald omdat hij zijn orde niet aan zijn oorspronkelijke idealen had kunnen houden, triomfeerde hij op de manier die hij als het hoogste getuigenis beschouwde, namelijk als voorbeeld. Hij heeft weinig geschreven, maar heel het belang van dat getuigenis is gekristalliseerd in een kort gedicht:

Heer, maak mij een instrument van uw Vrede.
Waar haat heerst, laat mij liefde zaaien,
Waar belediging, vergiffenis,
Waar twijfel, geloof.
Waar wanhoop, hoop.
Waar duisternis, licht, en
waar treurnis, vreugde.
O goddelijke Maker, sta toe dat ik niet zo zeer zal zoeken Getroost te worden, als te troosten.
Begrepen te worden, als te begrijpen,
Bemind te worden, als te beminnen,
Want het is door te geven dat wij ontvangen;
Het is door te vergeven dat wij vergeven worden;
Het is door te sterven aan het zelf
dat wij geboren worden in het eeuwig leven.



Dit artikel is vertaald uit 'Hermes' van juni 1982, Jaargang VIII, nummer 6, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, USA.
Albertus Magnus : blz 1
Albertus Magnus
'Kijk naar het voorbeeld van de bergbeklimmer. Wanneer de geest verloren loopt in zijn begeerten om dingen die veel lager gelegen zijn, wordt hij weldra gevangen in een doolhof van nooit eindigende en kronkelende zijpaden; de ziel is dan tegen zichzelf verdeeld, verspreid en in zoveel stukjes gescheurd als er voorwerpen van haar begeerten zijn. Dit leidt tot een onvaste klimpartij, een reis zonder einde en een zwoegen zonder enig rustpunt. Maar wanneer hart en ziel zich verheffen boven begeerte en hunkering naar het lagere, dat hen in talloze dwaalwegen dreigt te verstrikken; en wanneer de ziel aan deze dingen verzaakt en zich samentrekt in het onveranderlijke, steeds weldoende goede, zich wijdt aan zijn dienst en er stevig aan verknocht blijft door de macht van haar wil, dan zal zij sterker en meer geconcentreerd zijn naarmate haar gedachten en wensen naar God opstijgen.'

De adhaerendo Deo (Over de verknochtheid aan God)                   ALBERTUS MAGNUS


Tussen het bijgeloof, dat als een vieze stank oprees uit het verval van de klassieke religies rond de Middellandse Zee, en het dogmatisme van een christendom, dat zich steeds meer toespitste op de politieke en sociale heerschappij over de fragmenten van het Romeinse Imperium, vonden waarheid en inzicht weinig ruimte om tot bloei te komen.

Zodra de keizers de republikeinse idealen van de 'humanitas' hadden opgegeven, begon de staatsreligie die hen had gevoed te verdorren. MysteriŽn en geheime riten, reeds fel gematerialiseerd door hun populariteit, werden tegelijkertijd verwelkomd en gedegradeerd.

De vroege kerkvaders waren zo vervuld van hun begeerte de nieuwe religie te doen respecteren en de controle te veroveren over de politieke en financiŽle middelen van de keizerlijke macht, dat zij bezeten waren door hun plannen andersdenkende filosofieŽn uit te roeien en zo zelfs vaak de schijn van ethisch denken en handelen uit het oog verloren.

Hier en daar konden individuele mensen of groepjes nog zielenvoedsel vinden in de leringen van Jezus zoals ze die vroeger in de hymnen van Orfeus hadden gevonden maar de instellingen van de georganiseerde religie werden een vreemd mengsel van bevreesd bijgeloof en harteloos dogma. Expansie en machtshonger werden slechts geremd door grijpzucht en eigenbelang en de religie genaamd naar de Man der Smarten kroop als een donkere wolk over Europa.

Lang voordat Luther zich bijna tegen zijn wil gedwongen voelde de toorts van het protest te verheffen om het principe van het rationele denken te verdedigen, hadden anderen reeds aangevoeld dat de kerk doordrongen was van fundamentele verdraaiingen.

Het mohammedaanse Spanje bracht Plato terug naar het continent, en er waren scherpzinnige waarnemers die gevoelig waren voor de waarschuwing dat het geestelijke leven onzichtbaar is, onmogelijk tot formules kan worden gereduceerd en dat het uiteindelijk onuitsprekelijk is. Toen enkele tientallen jaren later de geschriften van Aristoteles bekend werden, zagen vele leraren en denkers er een hefboom in om het bewustzijn los te maken van de lege abstracties der gecensureerde theologie en het naar de onbevangen rede te leiden, nodig voor de vrije studie van de natuur.

De monniken en leraren voelden zich ook betrekkelijk vrij om op discussies over de natuur in te gaan; tot nu toe was het onderwerp bijna onopgemerkt gebleven. Maar nu werden zij stoutmoediger en begonnen ook vragen te stellen over de praktijken van de gevestigde instellingen.

Nu is het zo dat discussies over structuren onvermijdelijk leiden tot discussies over doctrine.

De inschikkelijkheid van de kerk en haar alsmaar groeiende rijkdom riepen vragen op bij velen die nog niet bereid waren de geloofspunten aan te vallen maar reeds de Bergrede kenden en Plato hadden gelezen. En in de eerste jaren van de dertiende eeuw ontstonden orden die het principe van vrijwillige armoede huldigden, vooral rond de herinnering aan Franciscus van Assisi (zie Gele Reeks, boek IV, nummer 2) en het werk van Dominicus Guzman in Spanje. Roger Bacon was franciscaan. Albertus Magnus voegde zich bij de orde van de dominicanen.
Albertus Magnus : blz 2
Hoewel over het vroege leven van Albertus weinig bekend is, zijn er tradities en aanwijzingen dat hij werd geboren in 1193 (1) als oudste zoon van de graaf van Bollstadt te Lauingen in Zwaben.

In zijn jeugd werd hij opgevoed op de landgoederen van zijn familie volgens de gewoonten en normen van de lagere adel. Schijnbaar was hij reeds heel vroeg vol van belangstelling voor de werking en de processen van de natuur. In zijn latere jaren schreef hij verhandelingen over valken- en paardendressuur, die tot de beste van zijn tijd behoren en vaak overgeleverde fouten corrigeren. Toen hij schreef dat 'de studie van de natuurwetenschap niet bestaat in het aanvaarden van de verklaringen van anderen, maar in het onderzoek van de oorzaken werkzaam in de natuur', resumeerde hij daarmee een levenslange neiging.

Na een lange opvoeding thuis ging Albertus naar de universiteit van Padua, die kort tevoren was gesticht (2). Zijn ziel vond haar voedsel in Plato en zijn onderzoekend temperament werd gescherpt door de werken van Aristoteles. Trouw aan deze twee grote belangensferen bleef hij onverschillig voor de subtiliteiten van theologische disputen.

Zijn interesse voor de wetenschap van Aristoteles was des te groter. Zijn eerbied voor zijn meester weerspiegelt zich in de organisatie van zijn eigen werken als algemeen commentaar op de boeken van Aristoteles. Zijn bereidwilligheid steeds te onderzoeken wordt bewezen door zijn methode, de waarheid of de onwaarheid van een conclusie altijd te onderwerpen aan de proef van de ervaring (3).

Albertus bezat niet slechts in hoge mate het vermogen om te leren, maar ook dat om te onderwijzen, en hij vond dat het beheer van het voorouderlijk bezit en de vrijetijdsbesteding van de adel veel minder aantrekkelijk waren dan intense studie en rustige contemplatie.

In 1223 arriveerde in Padua Jordanus van Saksen, hoofd van de orde der dominicaner predikheren. Hij zocht rekruten en lijfde weldra tien studenten in bij de orde, onder hen Albertus, die de hevige en woedende tegenstand van zijn familie moest verduren. Zijn intellectuele en pedagogische talenten werden al snel erkend en hij kreeg bevel zijn studiŽn voort te zetten, eerst te Padua en later te Bologna.

Tezelfdertijd moest hij de orde dienen als universitair docent. Jarenlang reisde hij naar de dominicaanse centra in ItaliŽ, Frankrijk en Duitsland als prediker en leraar. Hij stond bekend als integer en briljant. Terwijl hij enerzijds gehecht bleef aan de teruggetrokken, contemplatieve levenswijze van de geleerde en schrijver, erkende men anderzijds zijn bekwaamheid als beheerder en scheidsrechter, zowel in de burgerlijke maatschappij als in kerkelijke zaken.

Rond 1243 werd Albertus naar het dominicaner klooster van Saint- Jacques aan de universiteit van Parijs gezonden. Hier vond hij de eigen woorden van Aristoteles terug, kort geleden vertaald uit het Grieks en het Arabisch en voorzien van de vertaalde commentaren van AverroŽs (ibn Roesjd). Nadat Albertus lezingen had gehouden over de Bijbel en de 'Sententiae' van Peter Lombard, het standaard theologische tekstboek van de middeleeuwen, kreeg hij in 1245 het diploma van magister en de universitaire leerstoel voor buitenlanders.

In dit jaar kwam Thomas Aquinas naar Parijs om er theologie te studeren en misschien werd hij wel tot zijn volumineuze 'Summa Theologiae' aangespoord door zijn vroege contacten met Albertus, die ermee was begonnen een monumentaal werk samen te stellen over alles wat in iedere tak en afdeling van studie bekend was. In een periode van twintig jaar werd Albertus de enige onder de denkers van zijn tijd die commentaren schreef op ieder boek toegeschreven aan Aristoteles.

Bovendien schreef hij kiemkrachtige essays over elke tak van de natuurwetenschap, de logica en de retorica, de wiskunde en de sterrenkunde, ethica en metafysica, economie en politiek. Zijn karakter en zijn talenten werden erkend als waardevol voor de groei van zijn orde en het programma van de kerk.
Albertus Magnus : blz 3
In 1248 werd Albertus naar Keulen gezonden om er als studieregent het eerste 'studium generale' te organiseren - de eerste algemene school van de orde der dominicanen. Thomas werd zijn voornaamste leerling, en hoewel hij in 1252 naar Parijs terugkeerde, nadat theologische meningsverschillen tussen hen beiden meer en meer evident waren geworden, bleven zij tot het einde van hun leven in de beste verhouding met elkaar.

In 1254 werd Albertus tot provinciaal van 'TeutoniŽ' benoemd, de Duitse provincie van zijn orde. Hij kweet zich uiterst bekwaam maar zonder enthousiasme van zijn taak. In 1256 werden de universiteiten ongerust over de levenswijze van de monniken in de bedelorden, in het bijzonder om hun verzaking aan alle persoonlijk of gemeen- schappelijk bezit en hun status van daklozen, die hun een grote bewegingsvrijheid verzekerden en hun toelieten allerlei reizen te ondernemen.

Parijs probeerde de dominicanen en de franciscanen te verhinderen als leraren op te treden, hoewel die functie naast het bedelen hun enige bron van inkomsten was. Paus Alexander IV riep te Anagni een conferentie bijeen om de problemen te bespreken. Onder het pauselijk bevel moesten Albertus en Thomas de dominicanen vertegenwoordigen en Bonaventura de franciscanen.

Niettegenstaande hevig protest van de reguliere clerus wonnen de bedelmonniken het recht aan de universiteiten van Parijs en elders te doceren. Voor Albertus was de overwinning van gemengde aard: hij mocht in 1257 zijn ontslag indienen als provinciaal om opnieuw te kunnen onderwijzen, maar in 1259 benoemde de paus hem tot bisschop van Regensburg.

Albertus had reeds in Keulen bijzondere erkenning verdiend om zijn kunde in het beslechten van geschillen tussen kerkelijke en politieke machtsgroepen, en dit was een taak die hij nog vele malen in zijn latere leven zou moeten opnemen. Misbruiken, ondoeltreffendheid en allerlei onregelmatigheden hadden te Regensburg het diskrediet op het kerkelijk bestuur geworpen. Albertus vond oplossingen voor de problemen, en de dood van Alexander IV liet hem toe in 1261 zijn ambt neer te leggen. Hij keerde terug naar Keulen, maar als bisschop was hij in zekere mate bevrijd van de regels van zijn orde, en hij kon dus zijn tijd en het beheer van het voorouderlijk bezit meer naar believen organiseren.

Toen paus Urbanus IV besliste een nieuwe kruistocht uit te roepen, koos hij Albertus als zijn vertegenwoordiger voor Duitsland en Bohemen. Een jaar lang reisde Albertus her en der, ogenschijnlijk om de kruistocht te prediken, maar hij besefte heel vlug dat er een algemeen gebrek aan belangstelling bestond voor een type van onderneming dat herhaaldelijk kostbaar, onbeslist en vergeefs was gebleken. Hij greep de gelegenheid aan om de flora, de fauna en de geologie te bestuderen van de streken die hij moest bezoeken.

In verscheidene steden hield hij voordrachten en besteedde ook enige aandacht aan de zaken van zijn snel groeiende orde, maar hij was blij in 1270 naar Keulen te kunnen terugkeren. Hoewel hij officieel reeds in ruste was, moest hij toch nog een geschil tussen de aartsbisschop en de stad beslechten.
Albertus Magnus : blz 4
Hij ondernam nog twee grote reizen, in 1274 naar het concilie van Lyon, om de kandidatuur van Rudolf van Habsburg voor het koningschap van Duitsland te steunen en in 1277 naar Parijs. Thomas Aquinas was enkele jaren tevoren gestorven en zijn ge- schriften werden als ketters veroordeeld. Albertus nam zijn verdediging op zich en daarmee de leringen van Aristoteles waaraan zij beiden zo waren gehecht.

Niettegenstaande de last van zijn administratief werk en zijn vele reizen vond Albertus de tijd om volumineuze werken te schrijven en vele praktische experimenten uit te voeren. Zijn hele leven had hij zich sterk geÔnteresseerd voor de mogelijkheid automata te bouwen en misschien was hij daar ook wel in geslaagd. De traditie verhaalt dat Thomas op een keer zonder uitgenodigd of aangediend te zijn het laboratorium van Albertus binnentrad en daar de nabootsing van een jong meisje vond dat driemaal het woord 'salve' (gegroet) uitsprak.

Verschrikt door wat hij meende een demonisch verschijnsel te zijn, sloeg Thomas het beeld aan stukken net toen Albertus binnenkwam. 'Thomas, Thomas!' riep Albertus, 'wat heb je gedaan? Je hebt het werk van dertig jaar vernietigd.' Tijdens zijn laatste levensjaren in Keulen werd Albertus geŽerd met de titel 'Magnus', 'de Grote', en hij was de enige geleerde van de middeleeuwen die een dergelijk eerbetoon nog tijdens zijn leven mocht ontvangen.

Zijn franciscaanse tijdgenoot, Roger Bacon, die het met hem op vele punten niet eens was, noemde hem 'de beroemdste van alle christelijke geleerden'. Albertus Magnus stierf te Keulen op 15 november 1280, tot opluchting van velen die hem vreesden als alchemist en tovenaar en tot grote treurnis van vele anderen die in hem de lichtbaken van de scholastische wetenschap zagen en de baanbreker van het vrije intellectuele onderzoek.

In 1931 werd hij heilig verklaard en tien jaar later werd zijn nagedachtenis verheven tot het patronaat van al diegenen die zich aan de natuurwetenschappen wijden. Om de onmetelijke rijkdom van zijn kennis staat hij bekend als de 'Doctor universalis' die het ideaal was van de Renaissance en in latere tijden voor een onmogelijkheid zou worden gehouden.

Albertus was in zijn religieus leven een volgeling van Plato en in zijn studie van de natuur een voortzetter van de methoden van Aristoteles. Terwijl hij duidelijk onderscheid maakte tussen kennis verkregen door openbaring en geloof, en kennis vergaard door wijsbegeerte en wetenschap, ontkende hij dat er 'twee waarheden' zouden zijn. Hij leerde dat alles wat werkelijk waar is in harmonie moet zijn met geloof en rede. Er zijn mysteriŽn die slechts toegankelijk zijn via het geloof, maar er zijn vele christelijke leringen die ook door de rede kunnen worden erkend, zoals de leer van de onsterfelijkheid van de ziel.

Terwijl hij graag bereid was de traditie van Aristoteles en de christelijke leer hier en daar grondig aan te pakken en te corrigeren, voelde hij er niets voor de grondstellingen van de ene of de andere in twijfel te trekken. Niettemin werd heel zijn streven gekenmerkt door de diepe en meestal onuitgesproken overtuiging dat het spirituele leven fundamenteel bestaat in de vurige liefde van de ziel voor het Goddelijke.

Hij werd hierin bijgestaan door zijn groeiende belangstelling voor Gods handwerk, de Natuur. De antieke auteurs deelden dezelfde eerbied voor de leidraad van de causaliteit en verdienen alleen daarom reeds respect, maar zij zouden gechoqueerd geweest zijn te ontdekken dat latere geslachten de neiging zouden vertonen hen te verafgoden en dit te gebruiken als excuus voor het aanvaarden van hun opinies zonder er voldoende over te hebben nagedacht of ze onafhankelijk te onderzoeken.
Albertus Magnus : blz 5
Voor Albertus bestond er geen tegenspraak tussen eerbetoon aan de veroveringen van het verleden en onbevreesd onderzoek in het heden. Zo leverde hij het bewijs voor de ware vrijheid van denken en legde hij de grondvesten van onderzoek waardoor de Gouden Eeuw van de scholastiek (5) mogelijk werd en de voorbereiding van de Renaissance.

Hij beschouwde het gemanifesteerde universum als een onmetelijke hiŽrarchische optocht, die uit de scheppende activiteit van de Godheid emaneerde. Albertus leerde dat de studie van de werkingen van de natuur aanduidingen verschaft voor de oplossing van de hogere mysteriŽn van het bestaan.

Albertus schreef op een waarlijk verfrissende manier over de valken en de paarden in zijn groot boek over de dierenwereld

Hij bestudeerde ook intens de planten en kruiden en schreef daarover met zoveel autoriteit dat zijn werk vierhonderd jaar lang door de herboristen werd gekopieerd, vaak met veel fouten.

In de studie van de alchemie erkende hij de neiging tot charlatanisme en misbruik van kennis. In zijn 'Libellus de Alchimia' (Het kleine boek over de alchemie), waarschuwde hij:

'De eerste regel is dat de beoefenaar van deze kunst in stilte en geheim moet werken en zijn geheimen aan niemand mag verklappen. Het staat immers vast dat, wanneer velen het te weten komen, het geheim niet bewaard zal blijven en dat het, zodra bekend, met veel dwalingen herhaald zal worden. Zo zal het verloren gaan, en het werk zal onvolmaakt blijven.'

De geheimhouding van zijn eigen laboratoriumwerk en de reactie van Thomas op zijn automaton (of robot) bewijzen dat Albertus zich streng aan deze regel hield. En meer dan hij te kennen gaf wist hij ook dat dezelfde regel op de spirituele alchemie toepasselijk is.

'Verdeel het ei van de filosofen in vier delen, waarvan elk zijn eigen natuur zal hebben. Breng die dan gelijk samen in de juiste verhouding, zodat er geen tegenstrijdigheden in voorkomen, en met de toestemming van de Heer zult ge bereiken wat ge u voorgenomen had. Dit is een universele methode.'

'De mineralibus' behandelt uitgebreid de samenstelling en de eigenschappen van halfedelstenen, beelden gehouwen in steen, de aard van metalen en zouten. Waar hij het heeft over de waarde van beelden en zegels die in steen zijn ingekerfd, duidt Albertus aan dat astrologische werkwijzen de kenmerken van ťťn soort op het materiaal van een andere soort kunnen afdrukken of inprenten:

'Soms komen de lichtende hemellichamen en de andere planeten samen op een plaats die zo'n groot vermogen voor de voortbrenging van menselijke wezens bezit, dat het een menselijke vorm afdrukt, zelfs op het zaad van een totaal andere soort, en in tegenstelling tot de vormende krachten die in dat zaad aanwezig zijn ...
Dit is de reden waarom men in steen, gehard door de inwerking van gassen, soms de afbeelding van een mens of van een andere soort in de natuur ontwaart ...'

In zijn 'Liber de natura locorum', een verhandeling over geografie, toonde Albertus aan dat het klimaat, en bijgevolg de flora en de fauna, worden bepaald door de breedtegraad en de plaatselijke toestanden. De aarde wordt verdeeld in klimaatzones die van tropisch tot koud gaan, maar grote wouden, rivieren en bergketens kunnen in deze zones de temperatuur en de regenval radicaal wijzigen.
Albertus Magnus : blz 6
Op grond van indirecte informatie over India meende Albertus dat het zuidelijk halfrond dezelfde klimaatstroken zou vertonen, maar in de omgekeerde volgorde. Hij haalde argumenten aan voor een redelijk accurate diameter van een sferische aarde en ontkende de absurde opinie dat de zuidelijke helft van de bol onbewoonbaar was omdat de mensen die daar leefden er zouden afvallen.

De studie van de natuurverschijnselen werkt begeesterend wanneer zij het denken doordringt met de wonderlijke activiteit van het goddelijke. Het gedachteloos aanvaarden van de traditie, gekoppeld aan een wereldse houding, verblindt en verwondt de ziel, vernielt het spirituele leven van het individu en verspilt zo de kostbare tijd die verloopt tussen geboorte en dood. Albertus schreef in 'De adhaerendo Deo':

'De werkelijke reden waarom wij op vele manieren uitgesloten zijn van de ervaring en het genot van het innerlijke leven en er zelfs geen glimp van kunnen vatten, is dat het verstrooide en door allerlei zorgen verteerde menselijke denken niet in zichzelf binnengaat door zich God te herinneren. Het verkeerde begrip van de mens is zo volgepropt met aardse beelden dat hij de weg terug naar zijn eigen innerlijk hart niet kan vinden, noch zijn begeerten tegenwerken en zichzelf binnengaan door te hunkeren naar het innerlijke licht van de geestelijke vreugde.'

Albertus Magnus leefde in een tijd van brutale repressie van de vrije meningsuiting en toch bewees hij dat het denken, ondersteund door de zin voor het goddelijke in het hart, boven de hindernissen van een tijdperk kan uitstijgen en zich tot grote hoogten van bewustzijn kan verheffen.

'Laten we ons hart terugtrekken uit de verstrooiingen van de wereld en het oproepen terug deel te nemen aan de vreugden van het innerlijke leven, zodat we in bescheiden mate onze ware woonst in het licht van de goddelijke contemplatie kunnen vestigen. Want hierin ligt het leven en de vrede van onze ziel.'

Vertaald uit 'Hermes' van mei 1981, Jaargang VII, nr.5, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, U.S.A.

Nawoord en voetnoten

Daar het de bedoeling is van deze reeks, de aandacht te vestigen op de constanten van het streven naar verlichting en verinnerlijking dat zich in de geschiedenis openbaart door de opeenvolging en de onderlinge verbondenheid van deze grote figuren, worden we in onze keuze geleid door de waarde van het individu voor de theosofische beweging als geheel, en niet door zijn plaats in het uiterlijke apparaat van religie, wetenschap of filosofie.

Formuleringen en concepten komen en gaan, verschijnen en verdwijnen, maar de mystieke drang naar vereniging met de Realiteit blijft. Het hoeft ons niet te verwonderen dat ook kerkelijke figuren daarin een belangrijke rol kunnen spelen, ten goede of ten kwade. Er is geen sfeer van menselijk ondernemen die totaal vrij blijft van smetten en gebreken.

In de middeleeuwen werd de basis gelegd voor een latere doorbraak van de Theosofie. De weg is er een van tasten en zoeken, want het doel ligt veraf. Mensen als Albertus Magnus behoren tot de Theosofische Beweging, niet door conformiteit met de weergave van de Theosofie in de negentiende eeuw, maar omdat zij beantwoorden aan de definitie van de theosoof die gegeven werd door Thomas Vaughan, de Engelse rozenkruiser, en die door Mevrouw Blavatsky werd geciteerd in haar artikel 'What is Theosophy ?' (H.P.B. Articles, I, 39):
Albertus Magnus : blz 7
'Een theosoof is iemand die u een theorie van God of de werken van God geeft, die niet berust op openbaring maar op eigen inspiratie.' Zij voegt hieraan toe: 'Volgens deze opvatting is ieder groot denker en filosoof, en in het bijzonder iedere stichter van een nieuwe religie, school van filosofie of sekte, noodzakelijk een theosoof.'

We weten dat de belangstelling voor psychische verschijnselen vrijwel altijd de diverse uitingen van de Beweging vergezelt.

Een zeer eigenaardig en mysterieus aspect hiervan vinden we in de middeleeuwse interesse voor automata of robotten. Misschien was dat nog verwant aan de joodse tradities over een 'golem'. Hoe dan ook, we vinden dergelijke belangstelling bij Albertus Magnus, ook bij Roger Bacon, en later zelfs bij Paracelsus.

Dat Mevrouw Blavatsky ervan op de hoogte was, blijkt uit de volgen- de passages van 'Isis Ontsluierd', in de Nederlandse uitgave I, 26 en I, 70:

'Waar kan men in de gedenkschriften der Europese magie knapper bezweerders vinden dan in de geheimzinnige eenzaamheid der kloosters? Albertus Magnus, de bekende bisschop en bezweerder van Regensburg, werd in zijn kunst nooit overtroffen. Roger Bacon was monnik, en Thomas van Aquino was een der geleerdste leerlingen van Albertus. Trithemius, abt van de Spanheimse benedictijnen, was de leermeester, vriend en vertrouweling van Cornelius Agrippa; terwijl de genootschappen der theosofen overal verspreid waren in Duitsland, waar zij het eerst ontstonden, elkaar hielpen en jarenlang streden voor het verkrijgen van esoterische kennis, kon iedereen, die wist hoe de begunstigde leerling van zekere monniken te worden, heel spoedig bedreven zijn in alle belangrijke takken van occulte kennis.'

'Het is een door vele getuigen bevestigd feit dat paus Sylvester II door Kardinaal Benno in het openbaar werd beschuldigd, dat hij een tovenaar en bezweerder was. Het koperen 'orakel-sprekende hoofd' dat door Zijne Heiligheid was vervaardigd, was van dezelfde soort als het door Albertus Magnus gefabriceerde.

Dit laatste werd door Thomas van Aquino in stukken geworpen, niet omdat het het werk was van of bewoond werd door een 'demon', doch omdat het spook, dat er door mesmerische kracht van binnen aan was vastgehecht, onophoudelijk praatte, en zijn gebabbel de welsprekende heilige hinderde in het uitwerken van zijn wiskundige vraagstukken. Die hoofden en andere sprekende beelden, trofeeŽn van de magische bekwaamheid van monniken en bisschoppen, waren facsimile's van de 'bezielde' goden uit de tempels der oudheid.

1. Sommige bronnen waarover wij beschikken geven als geboortejaar 1206.

2. De universiteiten van Padua en Napels waren centra waar voor het eerst in ItaliŽ de studie van de Arabische wetenschap een belangrijk punt van het programma vormde. Dit was te wijten aan de invloed van keizer Frederik II van Hohenstaufen (1194-1250), die in zijn jeugd op SiciliŽ de mohammedanen had leren kennen en er veel van had opgestoken. Deze kleinzoon van Frederik Barbarossa huldigde het principe van het vrije onderzoek en bracht het in toepassing aan de universiteit van Napels, door hem in 1224 gesticht.

Winkler Prins zegt dat hij in kerkelijke kringen werd beschouwd als antichrist en dat hij overigens een zeer eigenaardige natuur was: '... 'stupor mundi' (verstomming der wereld) zeiden zijn tijdgenoten: een sensuele genieter en op godsdienstig gebied een scepticus, intellectueel zeer begaafd en onderlegd, beslagen in de wetenschappen, de astrologie, de kunst en de poŽzie, verzamelaar van exotische dieren en schrijver van een boek over de jacht, 'De arte venandi cum avibus' (Over de kunst met vogels te jagen), waarin zeer accuraat de gedragingen der vogels worden beschreven.'

Frederik II heeft in de Verlichtingsbeweging zeker een uiterst belangrijke rol gespeeld.

3. Onderhavig artikel resumeert leven en werk van Albertus zo kort dat we hier mogen spreken van een wereld in een notendop. De confrontatie tussen rede en geloof, filosofie en religie, Plato en Aristoteles enerzijds en het christendom anderzijds, liet oneindig veel gecompliceerde problemen rijzen,

en de gigantische intellecten van die tijd waren gegrepen in tal van eindeloze disputen. Wie het verloop daarvan enigszins wil volgen moet gespecialiseerde werken raadplegen zoals, bijvoorbeeld, Emile Brťhier, 'La Philosophie du Moyen-Age', Albin Michel, Paris, 1937. Deze schrijver wijdt ongeveer veertig pagina's aan Albertus en Thomas van Aquino en ook hij geeft een 'resumť'.
Albertus Magnus : blz 8
4. De literaire nalatenschap van Albertus Magnus bewijst hoe enorm zijn encyclopedische geest wel was:

a. Tot zijn theologische werken behoren de 'Summa de creaturis'; de commentaren op de Sententies van Petrus Lombardus, en op Dionysius de Areopagiet; de 'Summa Theologiae'

b. Filosofisch werk: commentaren op Aristoteles, de joodse en Arabische tradities.

c. Baanbrekend werk op het gebied van de experimentele weten schappen: geestdriftig proefondervindelijk onderzoek in de zoŲlogie, de botanie, de mineralogie; ontdekkingen in de scheikunde: affineren van goud, inwerking van salpeterzuur op metalen, zwavel- en kalionderzoek. (Encyclopedie SUMMA)

d. Alchemie en andere takken van 'occulte' wetenschap.

Zijn werken zijn in 38 delen uitgegeven door Borgnet te Parijs (1890-1899) en in Keulen door B. Geyer vanaf 1951. Een lijst van gespecialiseerde literatuur over Albertus Magnus staat ook in SUMMA. Er bestaat een portret van hem door Justus van Gent, afgedrukt in Winkler Prins; het origineel in de Galleria Barberini te Rome. Hij werd ook afgebeeld door Fra Angelico en anderen.

5. De scholastiek is de systematische samenstelling van theologie en filosofie die in de middeleeuwen aan de universiteiten werd onderwezen, de 'wetenschapsbeoefening' van die tijd.

Ze heeft zich ontwikkeld uit het onderwijs in de klooster- en paleisscholen, gegeven door de 'scholasticus' of leermeester. Haar bloeitijd ligt in de dertiende eeuw en ging samen met de opkomst van de universiteiten, vooral te Parijs, waar in 1253 door Robert de Sorbon het eerste college (de Sorbonne) werd gesticht.

artikel is vertaald uit 'Hermes' van juni 1982, Jaargang VIII, nummer 6, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, USA.
Djalaloeddin Roemi : blz 1
Djalaloeddin Roemi
Ik ben noch christen, noch jood,
noch gabr, noch moslim.
Ik ben niet van het oosten, noch van het westen,
noch van het land, noch van de zee;
Ik kom niet van de aarde,
noch van de wentelende hemel.
Ik kom niet uit India, noch uit China,
noch uit Bulgarije, noch uit Saksen;
Ik behoor niet tot het koninkrijk Irak,
noch tot het land van Khorassan.
Mijn plaats is het plaatsloze,
mijn spoor het spoorloze.
't Is noch lichaam noch ziel,
want ik behoor aan de ziel van de geliefde.
'k Heb alle dualiteit terzij gelaten,
en gezien dat de twee werelden ťťn zijn.
Ik zoek het Ene, ik ken het Ene, ik zie het Ene, ik roep het Ene.

Diwan                   DJALALOEDDIN ROEMI


Lang voordat de islam uit het Arabische schiereiland het Byzantijnse Rijk in het westen en PerziŽ in het oosten overspoelde, was Balch door vele cyclussen van grootheid en verval gegaan. Nu nog nauwelijks een stadje, getuigen slechts zijn ruÔnes dat het een van de oudste steden van de wereld is. De legende verhaalt dat Zoroaster in Balch werd geboren, en de geschiedenis bevestigt dat hij er onderwees. Gelegen op een nu uitgedroogde bijrivier van de Amu Darja, werd Balch tot Bactra (1), het centrum van waaruit de religie van Ahoera Mazda zich over het Perzische rijk verspreidde en Darius, 'de Grote Koning', bekeerde.

Alexander de Grote maakte van Bactra de hoofdstad BactriŽ, de meest oostelijke provincie van zijn uitgestrekt maar kortstondig rijk, en BactriŽ overleefde hem als een autonoom koninkrijk. Verscheidene eeuwen lang was Balch een groot centrum van boeddhistische geleerdheid, en hoewel het ver van het centrum van de islamitische wereld lag, werd de stad voor het intellectuele leven van de moslims 'de moeder der steden'.

Toen de Khwarizmsjahs (2) Balch in 1206 aan hun snelgroeiend rijk toevoegden, werd het weldra het centrum van hun hofcultuur. Fakhr al-Din al-Razi (3) vertegenwoordigde in de islamitische theologie en metafysica de scholastische strekking. Zij was ontstaan door de ontdekking van Plato maar werd in haar details meer en meer aristoteliaans. Baha'al-Din Walad sprak voor de school van al-Ghazzali, die de islam van zijn scholastische aanwassen wilde zuiveren en zijn ingeboren eenvoud herstellen, en die in intense mystieke ervaring de basis van spirituele authenticiteit vond.

Baha'al-Din Walad werd zo befaamd om zijn theologische geleerdheid, mystiek inzicht en persoonlijke heiligheid, dat hij de bijnaam 'sultan van de oelama' kreeg, de traditionele juristen die de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de moslims droegen. Tegelijkertijd werd hij hoog geŽerd als mysticus en leraar van de soefischool. Hij meende dat hij door zijn vader afstamde van Aboe Bakr (4), de eerste kalief na Mohammed, en langs zijn moeder van de regerende Khwarizmsjah. Toen op 30 September 1207 zijn zoon werd geboren, noemde hij hem Djalal al-Din Moehammad. Het kind werd opgevoed in een huis vol geleerdheid en cultuur, gratie en politieke verfijning.

Verscheidene jaren lang was het leven aan het hof te Balch onzeker. Vůůr dat Fakhr al-Din al-Razi in 1210 stierf, werden leden van de soefibeweging van Baha'al-Din Walad gedood, of zij stierven in verdachte omstandigheden. Nu zijn theologische tegenstander overleden was, nam de spanning tijdens de volgende tien jaar af en kon Djalal al-Din zich met meer vrijheid aan het koninklijk hof bewegen, en zowel in de orthodoxe scholen als in soefikringen verkeren.
Djalaloeddin Roemi : blz 2
In 1219 begreep Baha'al-Din Walad dat de veroveringstocht van de Mongoolse horden onder de gedisciplineerde leiding van Djengis Khan niet bij de poorten van Balch zou stilhouden, en hij vluchtte met zijn gezin naar Nisjapoer (5).

Daar erkende de beroemde mystieke dichter Farid al-Din Attar (6) zeer vlug de groeiende spirituele gaven van Djalal al-Din en hij schonk hem een exemplaar van zijn 'Asrar-Nama', het 'Boek der geheimen', een devotioneel werk dat Djalal al-Din volledig assimileerde en heel zijn leven bleef citeren.

Op haar vlucht voorttrekkend bracht het gezin drie dagen door in Bagdad en besloot dan zijn ongelukkige situatie aan te wenden om de verplichte pelgrimsreis naar Mekka te ondernemen. Verscheidene jaren zwierven de vluchtelingen door SyriŽ en AnatoliŽ, tot zij zich op den duur neerlieten in Laranda, een dorp ten Zuid-Oosten van Konya, in zuidelijk centraal Turkije. Djalal al-Din huwde er Gauhar Kha-toen, die hem in 1226 een zoon baarde. Deze jongen, Sultan Walad zou de biograaf en de opvolger van zijn vader worden.

Konya was het antieke Iconium, driemaal bezocht door Paulus van Tarsus en volgens een oude legende de laatste rustplaats van Plato. De Seldjoeken (7) bezetten Konya in 1070 en ontworstelden het aan het Byzantijnse Rijk. Kai Ka'oes bouwde er een mooi paleis, en zijn opvolger, Kai Qoebad I, voltooide er een grote moskee. Konya werd de hoofdstad van het Seldjoekenrijk. Toen hij berichten hoorde over de faam van wijsheid en heiligheid van Baha'al-Din Walad, nodigde Kai Qoebad hem uit naar Konya om er een 'madrasah' of religieuze school te leiden.

In de twee jaren voor zijn dood verzamelde hij er de beste discipelen van de streek. Velen onder hen waren gevlucht voor de vreselijke vernielingen toegebracht door de voorttrekkende Mongoolse legers. Na de dood van zijn vader werd Djalal al-Din tot diens opvolger benoemd.

Vanaf het begin vond men zijn leringen en zijn preken aantrekkelijk door de diepte van hun eruditie en de spontaniteit van hun vorm. Djalal al-Din speelde de hem toebedeelde rol met verfijnde precisie en versluierde de mystieke karaktertrekken van zijn natuur.

Ongeveer een jaar nadat hij zijn publieke taken was begonnen, verscheen echter een rijpe leerling van zijn vader in Konya, op zoek naar zijn meester. Toen Boerhan al-Din Moehaq-qig (8) vernam dat zijn meester was overleden, bewees hij hem zijn eerbetoon door zijn zoon te onderwijzen in de diepere mysteriŽn van de soefi's en het spirituele Pad.

Djalal al-Din zette zijn studies met hem voort door hem te vergezellen naar Aleppo en Damascus, waar hij een aantal soefi's ontmoette en zelfs kennis maakte met de grote Andalusische mysticus Ibn'Arabi.

Negen jaar lang bleef Djalal al-Din bij Boerhan al-Din studeren, en toen zijn leraar in 1240 stierf hernam hij zijn eigen onderwijs met hernieuwde kracht.

Djalal al-Din begon zijn sermoenen te publiceren onder de naam Djalal al-Din Roemi, schijnbaar omdat hij zijn woonplaats in het Seldjoekenrijk Roem had gekozen ('Roem' is een vervorming van 'Rome', waarmee zij het oude Byzantijnse Rijk bedoelden). De soefi's wisten echter dat Roemi ('Rumi') in getallen uitgedrukt even- waardig is met Noer ('Nur'), dit is 256, en Noer is de Perzische en Arabische naam voor het 'licht', een van de negenennegentig contemplatieve namen van Allah. Achter de elegante orthodoxe zinnen van zijn sermoenen kunnen zij die de gave van het mystieke zien bezitten het spirituele licht ontwaren.

Op 30 november 1245, werd Djalal al-Din Roemi's leven uit zijn comfortabele routine losgescheurd en in een crisis van exaltatie gedompeld.
Djalaloeddin Roemi : blz 3
Een zwervende soefi uit Tabriz, genaamd Sjams al-Din (de zon van religie), arriveerde in Konya en sloot zich onmiddellijk aan bij de kring van discipelen die rond de gerespecteerde leraar waren geschaard.

Er bestaan zeer verschillende tradities omtrent deze eerste ontmoeting. Een van de versies zegt dat Roemi een verzameling boeken vůůr zich had wanneer hij les gaf.

Sjams-i-Tabriz onderbrak Roemi's rede door naar de boeken te wijzen en te vragen: 'Wat betekent dit ?' Roemi was niet gewoon aan zulke norse onderbrekingen en liet de vraag terzijde, zeggende: 'Dat weet jij niet.' Onmiddellijk begonnen de boeken te branden, en Roemi vroeg verschrikt: 'Wat is dit nu?' 'Dat weet jij niet,' antwoordde Sjams rustig, en hij ging weg. Sommigen beweren dat Sjams de boeken onder het water van een fontein wierp en ze onbeschadigd weer boven haalde toen Roemi klaagde over het verlies van die onschatbare teksten. Een andere versie verhaalt dat Sjams Roemi op straat aanklampte en hem vroeg: 'Wat is het doel van wijsheid en kennis?' waarop Roemi met kalm vertrouwen wedervoer: 'De Profeet te volgen en te bereiken.' Maar Sjams reageerde daarop met: 'Dit is een gemeenplaats.' Roemi vroeg dan op zijn beurt: 'Wat is dan het doel van kennis ?'

En Sjams antwoordde daarop: 'Kennis is wat je naar haar bron brengt, want, zoals Sana'i heeft gezegd, is onwetendheid veel beter dan kennis die je niet verlost van jezelf.'

Alle berichten komen hierin overeen dat Roemi ogenblikkelijk de spirituele bron erkende die uit Sjams ontsproot en onmiddellijk diens discipel wilde worden. Sjams nam Roemi mee naar een geheime retraite die volgens sommigen veertig dagen, volgens anderen drie maanden duurde.

De inhoud van die bevoorrechte periode is bedekt met de mantel van de stilte, want geen van beiden heeft er ooit iets over gezegd en niemand die toen of later leefde is zo vermetel geweest te raden naar wat achter die sluier van teruggetrokkenheid was gebeurd.

Toen Roemi uit deze merkwaardige retraite terug tevoorschijn kwam, was hij een ander mens. Zijn geleerdheid bleef tot in de kleinste details onaangeroerd, maar de zaden gezaaid door zijn vader, door Attar en door zijn leraar Boerhan begonnen weelderig op te schieten en overvloedig vrucht te leveren.

In Sjams vond Roemi de spirituele vriend, de goddelijke geliefde, die de perfecte spirituele relatie tussen goddelijk en menselijk vertegenwoordigde, de immanentie van de Godheid, die eveneens haar onvatbare transcendentie is. Roemi liet Sjams in zijn eigen huis wonen en liet zijn leerlingen vele uren aan de voeten van deze wijze zitten, die meer op een sjofele asceet geleek dan op een hofgeleerde.

De mystieke intensiteit van de relatie wekte de afgunst op van de discipelen in de groeiende Mevlevi-orde die Roemi had gesticht en door zijn familie als een schandaal werd bestempeld.

Tweemaal moest Sjams naar Damascus vluchten om zijn leven te redden; tweemaal reisde Sultan Walad, Roemi's zoon, erheen om hem te smeken naar zijn treurende vader terug te keren. De discipelen betuigden hun spijt over hun kleingeestig en oneerbiedig gedrag, en vroegen Sjams om vergiffenis.

Niettemin versterkten afgunst en onbegrip, een gevoel van vervreemding en uitsluiting, hun vrees en afkeer voor de vreemde wijze zo hevig dat hij op een dag in 1248 plots verdween. Roemi geloofde lang dat Sjams Konya gewoon voor de derde keer had verlaten maar anderen, die er misschien mee te maken hadden, dachten dat Sjams vermoord was en snel begraven bij een bron die ook vandaag nog bestaat.

Roemi was ontroostbaar. Hij verzaakte aan zijn onderwijsfunctie en gaf zijn orthodoxe levenswijze op. Tevoren had hij muziek, gedichten en dans als frivole afleidingen verworpen, maar nu keerde hij er vurig naar terug. Dansend bij de zoete, abstracte melodieŽn van Perzische instrumenten, begon hij die unieke vorm van extatische dans te ontwikkelen die aan de orde der Mevlevi de naam 'draaiende derwisjen' gaf. Terwijl hij zich zo bewoog in een diepe staat van goddelijke eenheid en innerlijke vrede, begon Djalal al-Din Roemi spontaan 'ghazals' te uiten, gedichten die streng een patroon volgen dat op de sonnet gelijkt, en die uitsluitend aan Sjams waren opgedragen.
Djalaloeddin Roemi : blz 4
Zijn discipelen schreven ze op of leerden ze ter plaatse van buiten, en zo werden zij de prachtige 'Diwan-i-Sjams-i-Tabriz', gericht tot zijn leraar.

Ik was op die dag toen er geen namen waren,
Noch enig teken van bestaan dat namen droeg.
Door mij werden namen en de genaamde zichtbaar
Op de dag toen er noch 'ik' noch 'wij' was.
Als teken werd een eindje krul van de geliefde
een middelpunt van openbaring;
en toch was het eind van die mooie krul weer niet.
Kruis en christenen, van dit eind tot dat
heb ik overvlogen; Hij was niet op het Kruis.
Ik ging naar de tempel van afgoden, de oude pagode;
Geen spoor van hem was daar te zien.
Ik ging naar de bergen van Herat en Kandahar;
Ik keek, en vond hem niet op heuvels of in dalen.
Met onversaagde volharding bereikte ik de piek van Qaf;
Maar daar lag slechts het leger van de Anqua's.
Ik wendde mijn stappen in de richting van de Kaa'ba;
Hij bevond zich niet in dat toevluchtsoord van oud en jong ...
Ik keek in eigen hart;
Daar zag ik hem, hij was nergens anders.
Niemand was als de zuiverbezielde Sjams-i-Tabriz
Ooit zo dronken, verrukt en verscheurd.

Voor Roemi was Sjams dronken van goddelijke wijsheid; alleen Sjams voelde scherp alle subtiele scheidingen tussen zijn eigen bewustzijn en de godheid. Roemi's verdriet om het verlies van zijn vriend was een uiting van het verlangen van de ziel naar de hermetische begeleidingsgod in dit rijk van de 'levende doden'.

Overtuigd dat er niets in deze wereld objectief verschijnt zonder een aspect van het onsterfelijke Zelf in ieder mens te zijn, ondernam Roemi de reis naar binnen om er Sjams te vinden, en op den duur ontdekte hij dat hij naar zijn eigen Hoger Zelf zocht.

Hoewel het scheen dat ik zijn schoonheid verheerlijkte,
was ik in feite zelf de schatkamer van die gratie.
De menselijke ziel lijdt niet om uiterlijke dingen,
zij streeft alleen naar de vervolmaking van haar eigen schoonheid.

Wanneer dit besef tot lichtende gloed wordt in de kern van ons eigen wezen worden de aanbidder en de geliefde ťťn, de zoeker en het gezochte. Terwijl dit zoeken begint in 'fana', het opheffen van het persoonlijk ik-gevoel, eindigt het in 'baga', de totale eenwording gevonden in de diepste meditatie.

Eens te meer steeg ik uit boven het hart, de rede en de ziel;
De geliefde verscheen in mijn midden;
We stegen uit boven dit midden,
We keerden weg van 'fana' en doken in 'baga'.
We speurden in het tekenloze en rezen boven het symbool.

Velen van Roemi's discipelen geloofden dat Sjams niemand anders was dan Khidr, de geheimzinnige wijze die op diverse tijden en plaatsen verscheen om oprechte soefi's verder te helpen op het Pad van verlichting. Voor Roemi was Sjams zijn eigen ware Zelf geworden.

Roemi hergroepeerde zijn discipelen nu tot een onderscheiden soefi-orde, waarin de heilige dans de voornaamste methode van zelf- overstijgen werd. En Roemi onderwees door middel van zijn voorbeeld.
Djalaloeddin Roemi : blz 5
Terwijl hij voortging met zijn toespraken, drukte hij zich vaak uit in verzen en wisselde hij zijn spontane gedichten af met verhalen en leerspreuken.

Op een dag hoorde hij de hamer van een goudsmid ritmisch het metaal bewerken. Het geluid inspireerde hem tot een 'ghazal'.

Roemi vond dat deze goudsmid, hoewel onopgevoed, zijn goud behandelde met zo'n klinkende devotie dat deze in resonantie trad met het alchemistisch proces dat zich in hemzelf voltrok, en weldra nam hij de smid, Salah al-Din Zar-kob, in vertrouwen. Zij waren jarenlang trouwe vrienden.

Kort nadat Salah stierf, in 1261, werd Hisam al-Din Chalapi Roemi's intieme gezel en bleef in zijn dienst tot Roemi zelf stierf, in 1273. Het was ingevolge de suggestie van Hisam dat Roemi de massale Mathnawi-yi-Ma'maui (9), de 'Spirituele coupletten', componeerde.

Uiteindelijk bevatte dit werk zesentwintigduizend rijmende coupletten (twee versregels) en talrijke verhalen en parabels, verscheidene duizenden oden en honderden 'roebai's' (kwatrijnen).

De Mathnavi werd het grootste epische dichtwerk in de Perzische taal en bleef een bron van inspiratie voor talloze generaties van discipelen.

Roemi construeerde geen systematische filosofie. De studies van zijn jeugd hadden aan zijn intellect helderheid en precisie gegeven, maar hij zei dat de steeds groeiende visie van zijn ziel alles tot een geheel vermengde. Een deel echt te begrijpen betekent het geheel begrijpen. Roemi verzaakte aan systemen omdat goddelijke filosofie slechts begrepen wordt wanneer zij ieder aspect van het leven doordringt.

Heiligen dansen en rijden op het geestelijk slagveld.
Zij dansen in hun eigen bloed.
Wanneer zij bevrijd zijn van de overheersing van het zelf klappen zij in de hand;
Wanneer zij hun eigen onvolmaaktheid overstijgen doen zij een dans.
Binnen in henzelf slaan muzikanten op de tamboerijn:
In hun extase barst de zee los in schuim.
Je ziet er niets van, maar voor hen
zijn de bladeren op een boom klappende handen.
Je ziet het klappen van de bladeren niet:
Je moet geestelijke oren hebben, niet het oor van het lichaam.
Sluit de oren van je hoofd voor narren en onwaarheid Zodat je de schitterende stad van de ziel zult zien.

Voor Roemi is de gelouterde innerlijke ervaring de enige weg waarlangs men de werkelijkheid kan leren kennen, die goddelijk van aard is en zich in graden openbaart. De zogeheten objectieve wereld kan men slechts begrijpen door de lens van de doorzichtige spirituele intuÔtie. De wortelervaring, waaruit al het andere opwelt, is liefde, 'een geest van eenheid met het universum'.

0 geliefden, o geliefden, het is tijd de wereld te verlaten;
De trom van het vertrek bereikt mijn geestelijk oor vanuit de hemel.
0 ziel, zoek de geliefde, O vriend, zoek de vriend,
0 wachter, ontwaak: het past een wachter niet te slapen.
Aan alle zijden hoort men rumoer en tumult,
in alle straten ziet men kaarsen en toortsen,
Want vannacht wordt uit de krioelende wereld
de wereld van altijd geboren.

Liefde is de sleutel tot het begripsvermogen, de gids voor feilloos gedrag, de louteraar van het denken en de balsem op de smart. Zij is de heler, de alchemist, de leraar, de weg. Wie er geen bewijzen aan vraagt, vindt er geloof en devotie. Zonder een sterke en volgehouden liefde wordt de mens het slachtoffer van 'wahm', opinies en gedachtebeelden. De rede staat tegenover zinnelijkheid en voorstellingen, maar zuivere intuÔtie bestuurt de onbesmette rede. Rede geeft kennis, maar liefde verschaft zekerheid.

Kennis is ondergeschikt aan zekerheid maar staat boven opinie, want kennis zoekt naar zekerheid, en zekerheid is een zoeker naar visie en intuÔtie.
Visie wordt dadelijk uit zekerheid geboren, zoals fantasie voortkomt uit opinie.

Djalaloeddin Roemi : blz 6
Het onderscheid in de ervaring tussen innerlijk en uiterlijk, subjectiviteit en objectiviteit, vergt het delen van de werkelijkheid in twee gebieden, dat van de geest en dat van de natuur. MateriŽle objecten behoren tot deze laatste, maar de ziel is geheel spiritueel en als dusdanig uiteindelijk ongedifferentieerd (de Monade).

Daar zij bovenzinnelijk en suprarationeel is, is zij niets anders dan de Godheid zelf. De schijnbare afscheiding van de ziel van zichzelf in myriaden zielen en haar terugkeer naar haar godmakende eenheid is het proces van evolutie. Terwijl de evolutie begint in de stof, voegt Roemi hier aan toe: 'Mijn lichaam is het product van mijn ziel, niet mijn ziel een product van mijn lichaam.' In haar eigen natuur ontwikkelt de ziel materie en neemt er dan bezit van in een lang proces van transformaties, dat van de manifestatie het symbool van de Godheid maakt.

Ik stierf als mineraal en werd een plant;
Ik stierf als plant en klom op tot dier;
Ik stierf als dier en werd een mens.
Wat heb ik te vrezen?
Wanneer werd ik ooit minder door te sterven?
En nog zal ik sterven als mens om met
de engelen op te stijgen.
Maar zelfs in de engel
kan ik niet blijven: alles wat niet God is moet vergaan.
Wanneer ik mijn engelenziel zal geofferd hebben,
zal ik worden wat geen denken ooit kon vatten.

Daar de menselijke wil vrij is en op elk niveau van de natuur zijn analogieŽn heeft, is de evolutie zowel cyclisch als progressief. In dit universum is het kwaad onvermijdelijk. Op leder gebied is er een beroving van perfectie, en dit heeft als functie de wil en het karakter van het evoluerende wezen te sterken. Absoluut kwaad is onmogelijk en zelfs Iblis (Satan) kan worden verlost.

Besteed geen aandacht aan het feit
dat je verachtelijk en gebrekkig bent:
Kijk op naar je aspiratie, 0 edele.
In welke toestand ook, ga voort met zoeken,
want dit zoeken is de zalige beweging;
Dit zoeken is de vernieler van hindernissen
op de weg naar de Godheid.

Net zoals de oorspronkelijke impuls van liefde die beweging van de goddelijke ziel mogelijk maakte die het universum is, zo zal de cultuur van de liefde alle tegengestelden overstijgen wanneer de ziel oprijst tot zichzelf, de goddelijke eenheid.

Het is het lot van de mens naar volmaaktheid te streven.

De strijd tegen wat het lot schijnt te zijn, is het lot van de mens.

Op ieder ogenblik geef ik aan het hart een andere wens,
Op ieder ogenblik leg ik het hart een andere soort van denken op.
Bij iedere dageraad heb ik een ander werk
Hoe wonderbaar dat de geest gevangen zit
en de sleutel van zijn kerker in zijn hand houdt!

In 1273, toen Roemi stierf, waren er onder zijn discipelen moslims, joden en christenen. Hoewel Roemi de taal van de religieuze traditie gebruikte, steeg hij boven religies en sektarische standpunten uit, gedragen door zijn vlammend visioen en zijn oerzuiver bewustzijn, dat de categorieŽn en de nomenclaturen van de scholen en standpunten terzijde laat.
Djalaloeddin Roemi : blz 7
Toen Roemi's lichaam was begraven, vroeg een soefi aan een christen waarom hij zo bitter weende. 'Wij eren hem als de Mozes, de David, de Jezus van deze tijd,' antwoordde hij.

Roemi's graf blijft tot aan vandaag nog een bedevaartsoord en zijn orde van draaiende derwisjen staat nog altijd onder de leiding van zijn directe afstammelingen via Sultan Walad. Hun wijde gewaden wentelen als draaiende wielen rond een onzichtbaar centrum, dat de goddelijke aanwezigheid in iedere mens is.

Voor Roemi is het geÔntegreerde individu ťťn met het Goddelijke en een mens van God. Zijn passie is de universele wil in zijn prachtigste openbaring. Roemi hunkerde met heel zijn wezen naar dit doel, zo'n Mens te worden:

Zulk een mens beweegt met de wereld volgens zijn wensen.
Volgens die wens vloeien ook de stromen en rivieren.
en bewegen de sterren zoals hij het wil;
Leven en dood zijn zijn ambtenaren
en gaan her en der volgens zijn wil.

Vertaald uit 'Hermes' van juni 1981, Jaargang VII, Nummer 6, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, U.S.A.
Djalaloeddin Roemi : blz 8
VOETNOTEN:

(1) Balch, na de veroveringen van Alexander de Grote in 382/327 v. Chr. Bactra of Bactra-Zariaspa genaamd als hoofdstad van de provincie BactriŽ, ligt in een gebied dat nu tot het noordelijk deel van Afghanistan behoort. De Amoe-Daria is een rivier die ontspringt op de hoogvlakte van Pamir, voorbij Balch stroomt en noordwestelijk verder loopt tot zij uitmondt in het Aralmeer. Deze gebieden waren in de oudheid schijnbaar al dichtbevolkt, te oordelen naar het groot aantal steden dat men vindt in oude atlassen, zoals de Andrees.

(2) Khwarizm, naam van een machtig vorstenhuis (sjahs) dat er op verbluffend korte tijd in de twaalfde eeuw in was geslaagd een rijk op te bouwen, dat zich uitstrekte van het Oeralgebergte tot de Perzische golf en van de Indus tot de Eufraat. Het omvatte dus vrijwel geheel PerziŽ en delen van het huidige Afghanistan en ook van Irak. De laatste vorst van dit geslacht, Ala'oeddin Moehammad, die regeerde van 1200 tot 1220, bedreigde zelfs de kalief van Bagdad, al-Nazir, en het was deze die een bondgenootschap aanging met de gevreesde Djengis Khan, hoofd van de Mongoolse horden. Zij zouden op hun beurt grote gebieden veroveren en verschrikkelijke verwoestingen aanrichten.

(3) Fakhr al-Din al-Razi. Deze theoloog stierf in 1209. Hij schreef commentaren op de werken van Ibn-Sina (Avicenna), behandeld in G.L.T. Gele Reeks boek III, nummer 10.

(4) Aboe Bakr was een intieme vriend van de profeet, en werd later zijn schoonvader, tijdens de eerste drie jaren van de zending samen met Ali, de neef van de profeet; ook enkele anderen getuigen van diens inspiratie. Aboe Bakr werd kalief (opvolger) bij de dood van Mohammed, in 632 en bleef dat tot 634. De eerstvolgende kaliefen behoorden allen tot die eerste kring van intimi: Oemar (634-644), Oethman (644-656), en Ali (656-661). De Sjiieten beroepen zich op Ali, wiens kalifaat werd betwist door de stadhouder van SyriŽ, Mo'awija, stichter van de kaliefendynastie der Oemayyaden.

(5) Nisjapoer of Nishapur, nu Neyshabur, westelijk van Mashhad of Mesjed in het noordoosten van Iran.

(6) Farid al-Din Attar, ook Faridoeddin Attar, groot dichter ingewijd door al-Hallaj. (zie voetnoot 7 in G.L.T.Gele Reeks boek III, nummer 10 over Suhrawardi). Hij stierf in 1229.

(7) Seldjoeken, naam van een geslacht dat in het begin van de elfde eeuw een leidende rol speelde onder de Turkse stammen van West-Turkestan. Zij veroverden bijna geheel Klein-AziŽ en PerziŽ. In hun hoofdstad Konya regeerden zij tot 1302, maar toen reeds onder Mongoolse heerschappij. Zij hebben ook een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de mohammedaanse kunsten.

(8) Boerhan al-Din Moehaqqig, of Burhanuddin Muhaqqiq, vriend en discipel van Djalal's vader, verliet Konya in 1240. Zijn lichaam werd begraven in Kayseri en zijn bescheiden graf wordt nog steeds vereerd. Zelfs indien hij in Konya de grote theosoof Ibn-Arabi, die daar stierf in 1240, niet persoonlijk zou hebben ontmoet, moet hij toch Sadroeddin Qonawi hebben gekend, de belangrijkste commentator van Ibn Arabi. Sadroeddin woonde in Konya en was zeer met Djalal al-Din Roemi bevriend.

(9) De 'Mathnawi' moet een van de mooiste boeken zijn die ooit werden geschreven. Gelukkig bestaat er een Nederlandse vertaling van belangrijke fragmenten, 'naar het Perzisch vertaald en toegelicht door Prof. Dr. R. van Brakell Buys, uitgegeven in 'Scriptorium, een reeks van eeuwige geschriften' door de Arbeiderspers, Amsterdam, 1952. Dit boek is een prachtig werk. Wij ontlenen eruit, als kort voorbeeld van Roemi's kunst, het begin van zijn verhaal 'De koning en de goudsmid':

'In oude tijden leefde een koning, die over wereldlijke en geestelijke macht beschikte.

Op een morgen reed hij met zijn hovelingen uit ter jacht. Onderweg ontmoette hij een slavin en terstond werd het hart des konings door liefde overweldigd. Als de vogel in zijn kooi zo klapwiekte de ziel in zijn lichaam; hij, de koning, werd de slaaf van een slavin. Hij rustte niet aleer hij haar had gekocht.

Nadat zij enige tijd in zijn paleis had vertoefd en zijn begeerte bevrediging had gevonden, werd zij krank door goddelijke wilsbeschikking.

De ontstelde vorst riep uit alle delen van het rijk geneesheren tezamen ...

Daar was een man, die een ezel in zijn bezit had, maar geen pakzadel; toen hij eindelijk een zadel had bemachtigd, bleek de wolf zijn lastdier te hebben weggesleurd. Hij had een kruik, maar kon geen water vinden; eindelijk vond hij die, maar toen bleek de kruik gebarsten.'

Het verhaal is lang en boeiend en getuigt van hoogstaande spirituele en artistieke inspiratie.
Roger Bacon : blz 1
Roger Bacon
Alvorens ons bezig te houden met de hoofdpersoon van dit boekje in de GLT-reeks, Roger Bacon (ca. 1214-1294), is het wellicht nuttig de achtergrond te belichten van het tijdperk waarin Roger Bacon leefde, dacht en werkte. We zullen ons moeten beperken tot enkele hoofdlijnen omdat we anders het kader van dit boekje ver te buiten zouden gaan.

Zoals een eerder besproken figuur in deze reeks, Johannes Scotus Erigena (circa 810 - circa 877) leefde in de periode van de vroege scholastiek tot ca. 1200, leefde Roger Bacon in de bloeitijd, de dertiende eeuw; waarna vanaf ca. 1300 nog de late scholastiek volgt.

De scholastieke wijsbegeerte is in wezen een wetenschap van de scholen [Vgl. Lat. scholasticus = leermeester (aanvankelijk) of geleerde (later)>. Zij ontstaat in de klooster- en kathedraalscholen van het christelijke Westen en blijft daar haar bestaan voortzetten, tot ze in de dertiende eeuw (Rogers tijd) aan de universiteiten haar hoogste bloei bereikt. TheorieŽn en systemen gaan van leraar op leerling over en blijven in dezelfde school met enige regelmaat voortbestaan.

Men voelt weinig behoefte aan oorspronkelijkheid, of aan nieuwe oplossingen voor oude problemen, omdat men de overtuiging bezit, niet alleen dat de waarheid objectief is gegeven, maar ook dat zij door de denkers van het verleden in feite reeds is gevonden.

Hun gedachten behoeven slechts verder uitgewerkt te worden om door te kunnen geven aan het nageslacht. Het gaat er bij de scholastiek kennelijk niet om de 'waarheid' te vinden. Deze is gegeven met de geopenbaarde heilswaarheid. Het gaat er alleen om ze door middel van redelijk denken, dus van de filosofie, te 'funderen' en uit te leggen - waarbij de vraag blijft in hoeverre dit mogelijk is.

Prof.L.M.de RIjk zegt hierover nog:

'De middeleeuwse scholastiek ontstond uit de behoefte de openbaringswaarheden, en in het algemeen de geloofsleer, te verzoenen met wat men vanaf het begin der middeleeuwen had leren kennen als wijsgerige waarheden ontleend aan de Griekse denkers, met name Aristoteles.

Anselmus van Canterbury (1033-1109) ijkte de augustinische formule: 'Fides quaerens intellectum'; het geloof dat op zoek is naar rationeel inzicht.

Dit streven vindt men reeds bij de kerkvaders, maar vanaf Anselmus ziet men dit als een ontwikkeling tot een wetenschappelijke vorm van theologie bedrijven.

Naar haar inhoud is deze scholastiek aanvankelijk erfgename van de leer der kerkvaders (vooral Augustinus) met inbegrip van een sterk platonische tendens, die nog wordt versterkt door de lectuur van pseudo-Dionysius de Areopagiet en Johannes van Damascus (ca. 650).

Vanaf de dertiende eeuw ging Aristoteles (sterker nog dan in de elfde eeuw was geschied) de methodische aanpak bepalen door invloed van zijn logische werken die werden bestudeerd. Dit bracht hem in een ten overstaan van Plato en het platonisme bevoorrechte positie en thans ook van zijn wijsgerige werken zoals 'Physica', 'Metaphysica', 'De anima' en 'Ethica', voor zover het de doctrinaire zijde betreft.

Zo wist Aristoteles van 'schoolmeester' der middeleeuwen ook hun 'leermeester' te worden. Deze aristotelische beÔnvloeding verliep voor een belangrijk deel via Arabische (en in mindere mate ook joodse) bronnen: Avicenna, AverroŽs, Mozes, Maimonides. Het aristotelisme moest strijden op twee fronten: enerzijds tegen een steeds weer oplevend platonisch denken (augustinisme, avicennisme, scotisme) en anderzijds tegen het Latijnse averroÔsme dat Aristoteles' leer zonder enige kritiek vanuit de geloofsgegevens onverkort overnam, waarbij de wijsgerige waarheden als onafhankelijke waarden, naast die van het geloof, werden geplaatst (zogenaamde leer der dubbele waarheid).'

Roger Bacon : blz 2
Het is niet goed mogelijk in dit bestek een definitie van de scholastieke methode te geven. De belangrijkste lijn voerde van de 'lectio' (lezing van de gezaghebbende tekst: de Schrift, Aristoteles, de kerkvaders, enz.) naar de 'quaestio' (de probleem- stelling, waarvan de oplossing een dieper inzicht in de tekst moet verschaffen) en besloten met de 'disputatio' (een discussie, gepaard aan de confrontatie met andere opinies).

Volgens pater Chenu overheerste tot +1200 de 'lectio'; in Roger Bacons tijd (de 13de eeuw) de 'questio' en in de late scholastiek na 1300 de 'disputatio'. Het belang van deze methode was het feit dat de intellectueel op deze wijze werd gedwongen tot betrokkenheid. Hij kon zich niet tevreden stellen met het aansnijden van discussies, maar diende zichzelf in de strijd te werpen.

De scholastieke methode voerde uiteindelijk tot een bevestiging van de intellectuele verantwoordelijk-heid van het individu.

Sommige scholastici - we volgen J. Le Goff - namen in hun speurtocht naar nieuwe bewijzen hun toevlucht tot observatie en experiment.

Meestal valt in dat verband de naam van 'Roger Bacon', die de term 'scientia experimentalis' als eerste schijnt te hebben gebruikt en zijn verfijnde Britse neus optrok voor die al te dogmatische Parijse meesters, met uitzondering van Petrus van Maricourt, een alchimist, die hij de 'meester van de experimenten' noemde. Hij stelde deze wufte Parijzenaars de meesters van Oxford ten voorbeeld, die waren onderwezen in de wetenschappen der natuur.

Deze geleerden waren echter vooral wiskundigen en hier treden de moeilijkheden aan het licht om verbanden te leggen tussen theorie en praktijk. De prille scholastiek had getracht verbanden te leggen tussen de vrije kunsten en de mechanistische kunsten, tussen wetenschap en techniek. Toen de universitaire meesters toetraden tot de maatschappelijke lagen die zich schaamden voor handenarbeid liepen deze aanvankelijke pogingen spaak.

Wanneer we buiten de kloosters en kathedraalscholen van die tijd treden, dan vinden we een kerk die, vanaf het begin der christelijke jaartelling, steeds meer aan bezit en invloed had gewonnen. In de dertiende eeuw bezat zij via allerlei constructies een derde van het grondgebied van Europa en haar schatkist stroomde over van de giften geschonken door arm en rijk.
Roger Bacon : blz 3
Duizend jaar lang (en meer) hield zij, onder de ban van een onwankelbaar credo, de meeste volkeren van een continent verenigd. Maar deze eenheid, zo meende de Kerk, eiste een gemeenschappelijk geloof, dat door bovennatuurlijke sancties werd verheven boven de veranderende werking van de tijd.

Daarom werd het dogma, voorgoed bepaald en wel omschreven, 'als een schelp over de jonge geest van het Europa der middeleeuwen gebogen' zoals W. Durant het zo treffend zegt.

Binnen deze nauwe ruimte bewoog zich de scholastische filosofie van het geloof naar de rede en omgekeerd, in een warnet van ongegronde hypothesen en voorbarige conclusies.

In de dertiende eeuw werd de gehele christenheid in beroering gebracht en geprikkeld door de Arabische en Hebreeuwse vertalingen van Aristoteles; maar de macht van de kerk was nog in staat, met de steun van Thomas van Aquino en anderen, Aristoteles om te vormen tot een middeleeuws theoloog. Het resultaat was spitsvondigheid maar geen wijsheid. Vroeg of laat zou het intellect van Europa uit deze schelp losbreken.

In de profane wereld was intussen ook van alles aan de hand. De landbouwopbrengsten werden weer overvloedig, waardoor handel en transport weer noodzaak werden.

Op de kruispunten der handelswegen ontstonden weer grote steden, waar de bewoners samen konden werken aan de instandhouding van de cultuur en de wederopbouw der beschaving.

De Kruistochten openden de wegen naar het oosten en lieten een stroom van zedeloosheid en ketterijen binnen, die ascese en dogma noodlottig werden. Het papier werd nu goedkoop uit Egypte aangevoerd en verving het kostbare perkament, waardoor de kennis het monopolie der geestelijkheid was gebleven.

De boekdrukkunst die lang naar een goedkoop middel ter verbreiding van geschriften had uitgezien, brak zich nu vrij baan en oefende overal haar ontwrichtende, maar de geest verhelderende, invloed uit. Dappere zeelieden, nu voorzien van kompassen, waagden zich op de onbekende zeeŽn en overwonnen de onwetendheid van de mens omtrent de aarde. Geduldige waarnemers, gewapend met telescopen waagden zich buiten de grenzen van het dogma en leerden de mens de hemel beter kennen.

Hier en daar, in universiteiten, kloosters en eenzame studeervertrekken, hield men op met disputeren (bijvoorbeeld over de vraag: hoeveel engelen er konden plaatsnemen op de punt van een naald) en begon men te experimenteren.

Langs een omweg - uit de poging om lagere metalen in goud om te zetten - werd de alchemie tot chemie; de astrologie vond schuchter, maar vermetel tastend, de weg tot de astronomie en uit de fabels van de sprekende dieren kwam de zoŲlogische wetenschap voort.
Roger Bacon : blz 4
De opleving begon met Roger Bacon, zij zou voortschrijden met Leonardo da Vinci (1452-1519J en bereikte haar hoogtepunt in de astronomie van Copernicus (1473-1543) en Galilei (1564-1642) enz.

We hebben in deze voorbeschouwing reeds enkele malen de naam van Roger Bacon genoemd als initiator en aangever van nieuwe wegen voor wat betreft de intellectuele activiteiten in die tijd. Het wordt stilaan tijd dat we zijn persoon, leven en werken wat nader belichten.

Alvorens hiermee te beginnen is het misschien nuttig iets te zeggen over de verschillende en verscheidene Bacons om persoonsverwisseling te voorkomen.

Behalve Roger kennen we nog verscheidene andere Bacons die min of meer bekend werden; althans volgens de Winkler Prins. Zo kennen we een Sir Francis Bacon (1561-1626), Engels staatsman en geleerde zoon van Nicholas Bacon (grootzegelbewaarder onder koningin Elisabeth I). Jacobus I benoemde Francis evenals zijn vader tot grootzegelbewaarder en in 1619 tot Lord Chancellor. Hij werd tenslotte, beschuldigd van het aannemen van steekpenningen, ontslagen. Veel belangrijker dan zijn politieke carriere is zijn wetenschappelijke arbeid geweest. Francis Bacon streefde naar een alomvattende vernieuwing van de wetenschap.

Het doel van de wetenschap lag voor deze Bacon in de beheersing der natuur, waarmee de menselijke vooruitgang het best was gediend. 'Kennis is macht'. Pas na een grondige zuivering van het menselijk kenvermogen was een dergelijk doel te verwezenlijken.

Verder is er nog een Francis Bacon (geb.1909), een bekend Brits schilder. Vervolgens een John Bacon (1740-1799) en zijn zoon (1777-1859) beiden beeldhouwers, en tenslotte ene Sir Nathaniel Bacon (1585-1627), Engels schilder. Hij wordt beschouwd als de enige belangrijke schilder in Engeland voor Anthony van Dijck.

En zo komen we alfabetisch bij 'onze' Roger Bacon.

Roger Bacon werd geboren in de nabijheid van Ilchester in Somerset rond 1214. Hij behoorde tot een welgestelde, voorname familie. Maar de opstandige houding van zijn vader tegenover koning Hendrik III dwong verschillende van Rogers familieleden in ballingschap, terwijl tevens de familie-eigendommen werden onteigend.

Dit geschiedde in Rogers jeugd.
Roger Bacon : blz 5
Roger Bacon ging studeren in Oxford alwaar hij, gedurende zijn studie, kennis maakte en bevriend raakte met verscheidene opmerkelijke denkers zoals Robert Grosseteste, bisschop van Lincoln, kanselier (hoofd) van de universiteit, vertaler en commentator van de werken van Aristoteles, eerste lector van de Oxfordiaanse franciscanen en een voorstander van experimenteel onderzoek.

Roger Bacon trad in de franciskaner orde op zijn negentiende jaar (in +1233) en vertrok spoedig daarna naar Parijs om te gaan studeren aan het meest levendige theologische centrum van die tijd.

Hij trof daar de leden van de franciscaanse en dominicaanse orden aan, die met elkaar in een verhit debat waren gewikkeld over onderwerpen die naar voren waren gekomen bij de vertaling en verspreiding van de werken van Plato en Aristoteles.

De franciscanen waren over het algemeen minder streng orthodox dan de dominicanen. Tussen beide orden bestond een scherpe naijver en de franciscanen waren niet bereid het gezag van Thomas van Aquino te aanvaarden. De voor die tijd drie belangrijkste franciscanen zouden worden: Roger Bacon, Duns Scotus (+1270-1308), niet te verwarren met Johannes Scotus, en William van Occam (+1295-+1350).

Verder zijn nog vermeldenswaardig: St.-Bonaventura (1221-1274) en Mattheus van Aguasparte (+1235- 1302).

Alexander van Hales was in bovengenoemd debat de voornaamste woordvoerder voor de franciscanen, terwijl Albertus Magnus dit was voor de dominicanen.

Aanvankelijk had Parijs de werken van Aristoteles en AverroŽs in de ban gedaan, maar Toulouse had een opening gemaakt door een catalogus uit te geven in 1229 verkondigend: 'het onderricht geven van de boeken omtrent de natuurwetenschappen die in de ban zijn gedaan door Parijs.'

In 1237 was Roger Bacon hoofddocent en gaf colleges over de boeken die destijds in de ban waren gedaan. De lessen die hij had bijgewoond van Alexander van Hales en Albertus Magnus sloeg hij niet zeer hoog aan, omdat zij volgens hem niets afwisten van mathematica en optica, en bovendien geen Grieks en Hebreeuws kenden.

Bovendien had Roger kritiek op Alexander van Hales' conservatieve houding ten opzichte van de in de ban gedane boeken en hij begon nieuwe denkrichtingen in te slaan.

Uitdrukking gevend aan zijn ontstemming vanwege de slechte vertalingen van de klassieke werken, beschikbaar in Europa, en het gebrek van zelfs ook maar een enkele lector Grieks in Parijs, en daarenboven de afhankelijkheid van de macht der gewoonte boven de waarneming bij de natuurwetenschap, dreef Roger naar de rijke bronnen van de islamitische filosofie en wetenschap; en hij nam tevens Aristoteles op in zijn colleges.
Roger Bacon : blz 6
Roger Bacon had een diep respect voor Petrus de Maharncuria van PicardiŽ, een duister wiskundige die een verhandeling over magnetisme had geschreven.

Rogers colleges vonden in brede kring erkenning, maar zijn diepgaande studie van het islamitische 'Geheim der geheimen', dat leerde dat een scherp intellect tezamen met een edel karakter de mysteries der Natuur konden ontrafelen, veroorzaakte afkeuring door de orthodoxe geestelijkheid. Toen hij zijn doctorsgraad behaalde, werd hem ook de eretitel Doctor mirabilis (bewonderswaardige doctor) toegekend. Hij werd eveneens geŽerd door hem gelijk te stellen met Avicenna en AverroŽs, alsook met Aristoteles, de ijverige leerling van Plato.

In 1247 keerde hij naar Engeland terug en kort daarna deed hij zijn intrede in de orde der franciscanen in Oxford. Hlj ging in Oxford talen studeren en schafte zich wetenschappelijke instru- menten en boeken over arcane onderwerpen aan. Ook stichtte hij een genootschap van gelijkgestemde denkers.

Evenals Albertus Magnus werd geroemd om zijn geestelijke gaven, werd Roger Bacon geassociŽerd met het bovennatuurlijke, de magische kennis der neo-platonisten.

Want, Roger Bacon was niet zozeer een filosoof in de engere zin van het woord, als wel een man van universele geleerdheid, met een hartstocht voor wiskunde en natuurwetenschap. Deze laatste hing in zijn dagen nauw samen met de alchemie, en men verdacht haar eveneens van een verbond met de zwarte magie.

In 1257 plaatste Bonaventura, de generaal van de orde der franciscanen, hem te Parijs onder toezicht en verbood hem verder iets te publiceren. Hij moest afzien van elk onderzoek en moest zich in afzondering houden.

Ondanks deze periode van stilte, inkeer en zelftraining gedurende bijna tien jaar, verbreidde zijn invloed zich. Desondanks gelastte de pauselijke legaat in Engeland, Guy de Foulques, hem zijn filosofie op schrift te stellen ten behoeve van de paus. En toen deze Foulques zelf paus Clemens IV werd in 1265, vroeg hij Roger Bacon een verhandeling te schrijven over de wetenschap.

Bacon had inmiddels talloze verhandelingen geschreven, maar nu zette hij zich aan het schrijven van een uitvoerige schets van zijn hoofdwerk Opus Majus, en nog een onder de titel Opus minus en daarna nog een ander overzicht van zijn denkbeelden onder de naam Opus tertium. Hij zond deze werken naar paus Clemens tezamen met een dure lens en een wereldkaart.
Roger Bacon : blz 7
Kort daarop stierf Clemens IV (1268), maar niet nadat hij Roger van zijn straf had ontheven en hem toestond weer naar Oxford terug te keren.

Na de dood van Clemens IV keerde het getij weer ten ongunste van Roger Bacon. Zo raakte hij onder meer verwikkeld in de moeilijkheden rond de kerkelijke veroordelingen van een aantal wetenschappelijke stellingen. Dit leidde opnieuw tot woede van de leiding der franciscanen. Niets was in staat hem tot voorzichtigheid te brengen. Hij placht voortdurend minachtende kritiek uit te oefenen op zijn meest geleerde tijdgenoten; in het bijzonder was hij van oordeel dat de vertalers uit het Grieks en Arabisch in ernstige mate te kort schoten.

In 1271 schreef hij een boek, Compendium studii philosophiae geheten, waarin hij de onwetendheid van de geestelijkheid bestreed. Dit droeg niet bij tot de populariteit onder zijn collega's, en in 1278 werden zijn werken veroordeeld door de generaal der orde, ene Hieronymus Masci (die de latere paus Nicolaas IV zou worden). Hij werd voor veertien jaar gevangen gezet. Omstreeks 1292 werd hij vrijgelaten en moet kort daarna gestorven zijn, zo rond 1294.

Laten we ons, na de beschrijving van zijn levensloop, nu bezighouden met Roger Bacon als mens, denker, geleerde en publicist.

We volgen Bertrand Russell een eindweegs in zijn beoordeling van Roger Bacons hoedanigheden en zienswijzen.

Roger Bacon bezat een encyclopedische kennis, doch een weinig systematische aanleg. In tegenstelling tot de meeste filosofen van die tijd hechtte hij grote waarde aan het experiment, en toonde de betekenis daarvan aan door zijn theorie over de regenboog. Hij schreef over aardrijkskunde; Columbus las een gedeelte van zijn werken en werd er vrij zeker door beÔnvloed. Hij was verder een uitstekend wiskundige en hield zich bezig met de werken van Euclides. Hij hield zich bezig met en schreef over de perspectiefleer, dit in navolging van Arabische schrijvers. De alchemie vond hij belangrijk genoeg om erover te publiceren.

In zekere zin was Bacon een vat vol tegenstrijdigheden. Orthodoxie en traditionalisme naast hervormingsdrang: felle kritiek op overheden en autoriteiten en een naÔeve liefde voor de kerk als instituut. Dit houdt in dat men van hem niet ťťn uitgewerkt denksysteem kan verwachten dat zich kenmerkt door uniformiteit.

Volgens Bacon is het hoofddoel van de menselijke activiteit de ware wijsheid. Deze is zowel van zedelijke als intellectuele aard. De wijsheid leidt niet alleen tot verbetering van zichzelf, maar ook tot hervorming van de Kerk en de (christelijke) staat. Prof. De Rijk zegt hierover: Volgens Bacon is de volkomen wijsheid, de profane zowel als de sacrale, reeds in de Schrift voorhanden.
Roger Bacon : blz 8
De wetenschappen zijn echter nodig om haar te expliceren. De wijsbegeerte is voor Bacon niets anders dan de explicatie van de door God in de Schrift neergelegde wijsheid.

Fundamenteel voor Roger Bacons visie is zijn opvatting omtrent de geschiedenis van het denken. De geschiedenis der wijsbegeerte is volgens hem het verhaal van de lotgevallen van alle door God geopenbaarde waarheden bij het joodse volk en via hen bij andere volken. Een der hoogtepunten hierin was de periode van Thales van Milete tot Aristoteles. Het was volgens Bacon de taak van zijn tijd de gehele filosofie (in de Schrift en daarbuiten) weer te doen kennen.

Daartoe is kennis van Grieks, Hebreeuws en Ara- bisch noodzaak. Wanneer men dan, dankzij die bronnen, toegerust is om te komen tot de opbouw van een christelijke wijsheid, dient men als eerste taak een studie te maken van de wiskunde en de optica. Zonder deze wetenschappen kan men het zijn der dingen, waarvan de krachten teruggaan op de werking van het licht niet doorgronden.

Bacons voorliefde voor het experiment maakte hem niet alleen tot een verwoed ontmaskeraar van schijnweten en bakerpraat, maar opende hem ook de weg tot soms briljante toekomstfantasieŽn zoals een auto, een brug zonder pijlers, een vliegtuig en verrekijkers. We citeren Roger Bacon zelf:

'Wiskunde is sleutel en deur naar de wetenschap en de dingen der aarde...

Het is duidelijk dat, indien we ons zekerheid willen verschaffen zonder twijfel, en waarheid zonder dwaling, dan moeten we het fundament van kennis baseren op wiskunde.'

Volgens Bacon bestonden er vier oorzaken van onwetendheid:

1) Het voorbeeld van een wankel en ondoelmatig gezag.

(Bacon zei niet expliciet dat dit ook voor paus en kerk gold)

2) De invloed van de macht der gewoonte.

3) Het oordeel van de domme massa.

(met enige ironie kunnen we stellen dat deze blijkbaar uit al zijn tijdgenoten bestond, met uitzondering van hemzelf).

4) Het verbergen van onwetendheid achter schijnbare wijsheid.

Dit waren volgens hem de bronnen van alle menselijk kwaad.

Zijn eerbied voor Aristoteles was groot maar niet onbegrensd. Evenals vrijwel alle tijdgenoten gebruikt hij de benaming 'de filosoof' als hij over Aristoteles spreekt, maar zelfs die heeft volgens Bacon de grenzen van de menselijke wijsheid niet bereikt. Na hem was Avicenna 'de vorst en meester van de filosofie'; zoals Bacon het formuleerde.

Men vindt in zijn werken telkens iets dat een zweem van een zekere orthodoxie en conservatisme over zich heeft. Als voorbeeld dat de enige volmaakte wijsheid te vinden is in de Schrift, zoals deze wordt uitgelegd door de canonieke wet en de filosofie.

Maar het klinkt oprechter als hij verklaart dat er geen bezwaar bestaat om kennis aan de heidenen te ontlenen.
Roger Bacon : blz 9
Behalve Avicenna en AverroŽs citeert hij vaak Al- Farabi, een leerling van Kindi (zie GLT-reeks, boek III, nr.5) (+950) en van tijd tot tijd ook de sterrenkundige Albumazar en anderen.

Hij citeert Albumazar om te bewijzen dat de wiskunde reeds bekend was voor de zondvloed; en bij Noach en zijn zonen. Dit gebruikte Bacon om aan te geven wat men zoal van ongelovigen kon leren of te weten komen.

Bacon is het met AverroŽs eens dat het actieve intellect een substantie is, die in wezen onafhankelijk is van de ziel. Schijnbaar tegenstrijdige teksten bij Aristoteles berusten volgens hem op foutieve vertalingen. Hij citeert Plato niet rechtstreeks, doch via Cicero of ook via de Arabische schrijvers of Porphyrius (Zie ook GLT-reeks, boek I, nr 10). Hij heeft van hem, van wie de leer omtrent de 'universalia' door hem 'kinderlijk' werd genoemd, echter geen hoge dunk.

Ter verduidelijking: Porphyrius refereert aan de oude strijdvraag die we kennen van Plato en Aristoteles; de vraag naar het wezen van het algemene of naar de werkelijkheid die aan de universalia, de algemene begrippen toekomt.

Twee opvattingen staan hier tegenover elkaar:

- de ene richting die aan het algemene de eigenlijke werkelijkheid tegenover het enkele ding toekent (idealisme: destijds realisme genoemd)

- de andere richting, hier zijn alleen de concrete dingen werkelijk; de algemene begrippen zijn louter in ons intellect voorhanden (nominalisme).

In de moderne tijd heeft men Bacon vooral geprezen omdat hij grotere waarde toekende aan het experiment als bron van zekerheid, dan aan het verstandelijk, redenerend bewijs. Ongetwijfeld week hij zowel in zijn belangstelling als in de wijze waarop hij de onderwerpen van studie behandelde af van de typische, klassieke scholastici. Hij is waarschijnlijk meer beÔnvloed door de Arabische schrijvers dan door de christelijke. Evenals hij stelden de Arabieren belang in de natuurwetenschap en geloofden in astrologie en magie, terwijl de christenen de magie voor slecht en 'zwart' hielden en de astrologie voor misleiding.

Zoals uit het bovenstaande blijkt, week Roger Bacon sterk af van zijn tijdgenoten en collega's en had hij een beperkte invloed op zijn tijd. Toch waren zijn werken belangrijk en we zullen ons daarom schetsmatig bezighouden met het vermelden van de voornaamste van zijn werken en de ideeŽn die daaruit naar voren komen.
Roger Bacon : blz 10
Roger Bacons 'Opus Majus' bestond uit zeven delen.

========================================

Het eerste deel besteedde aandacht aan de vier 'offendicula' of oorzaken van onwetendheid die we enkele bladzijden terug reeds hebben genoemd. Zo stelt hij dat, wil men aanspraak maken op werkelijke autoriteit (op welk gebied dan ook), dit gebaseerd moet zijn op de ondervinding, die met zelf-kennis en doelgerichte ervaring kan worden verkregen.

Aan de basis hiervan ligt dan weer het onderzoek gesteund door het experiment. Werkelijke kennis kan niet als grondslag hebben de, ad hoc, en geen tegenspraak duldende, bespiegelingen. Onderzoek en experiment vereisen de geduldige ontwikkeling van de ware bekwaamheid op het gebied van meditatie en waarneming.

Want de zintuigen, op zichzelf, zullen het ongeoefende en wanordelijke brein misleiden. Het meest gevaarlijke is echter het weloverwogen maskeren van onwetendheid achter voorgewende kennis, de deerniswekkende bevestiging van misleiding voortkomende uit de versnippering van bewustzijn. Wanneer men de genoemde gebreken kan opheffen, zal men spoedig de eenheid der wetenschap(pen) kunnen waarnemen en de noodzaak inzien van een encyclopedische aanpak bij de studie van de Natuur.

Het tweede deel van het 'Opus Majus' leerde dat alle wijsheid kon worden gevonden in de geschriften, op voorwaarde dat men zich hiermee vertrouwd maakt. De briljante inzichten van de oude filosofen, die niet beschikten over de orthodoxe geschriften, be- vestigen het bestaan van goddelijke verlichting die noodzakelijk is om door te dringen tot de kern van de geestelijke betekenis (der dingen).

Het derde deel hield zich bezig met het overdragen van wijsheid door middel van de taal. Maar 'aangezien het onmogelijk is dat de specifieke hoedanigheid van een taal behouden zal blijven in een andere'... kan men geen geschrift of filosofie bevatten of begrijpen tenzij men dit leest in de originele taal.

Een goede vertaler moet een grondige kennis van die taal bezitten waarin het origineel, respectievelijk de vertaling, geschreven is. Bovendien dient hij kennis te hebben van het onderwerp van de vertaling.

De Vulgaat, de geautoriseerde Romeinse versie van de Bijbel, (Vulgaat: Vulgata interpretatio Sacrae Scripturae = algemene vertaling van de Heilige Schrift), is onbetrouwbaar:

'Want het is bewezen dat de Latijnse geschriften geheel vervalst (onecht) zijn op die plaatsen welke van belang zijn voor de geschiedenis en wel zodanig dat de tekst zichzelf tegenspreekt.'

Het aanscherpen van de mentale vermogens zijn een aanzet tot het uitwissen van de 'offendicula' en maken het geestelijk leerproces mogelijk, doch nauwgezetheid en aandacht zijn niet meer dan een eerste vereiste tot begrip. Theologie en filosofie vereisen meditatie en overdenking om hun innerlijke betekenis te ontdekken. En dit met een geest (verstand) die zich moreel heeft gesterkt en intellectueel is gericht op het goddelijke.
Roger Bacon : blz 11
Het vierde deel van Bacons 'Opus majus' concentreert zich op de wiskunde of, zoals hij het noemt: 'het alfabet der filosofie'.

Wiskunde gaat vooraf aan de overige wetenschap-pen, want: 'het uitmuntende van de logica berust op wiskunde' en ... 'wanneer iemand zou afdalen in het bijzondere (speciale), door de macht der wiskunde toe te passen op de afzonderlijke wetenschappen, dan zou hij inzien dat niets luisterrijks in hen geweten kan worden zonder wiskunde'. Wetenschap boekt slechts dan vooruitgang als de waargenomen feiten ondergebracht kunnen worden onder wiskundige principes. De werkingen van natuurlijke lichamen kunnen meetkundig worden begrepen, want: 'elke vermenigvuldiging staat in betrekking tot lijnen, hoeken of figuren'.

Zoals we al eerder vermeldden werden Bacons toepassingen van de meetkunde op de geografie, als illustratie van zijn leer, twee eeuwen later door Columbus bestudeerd.

Het vijfde deel van zijn magistrale werk leerde dat de fysieke wereld is samengesteld uit materie en kracht, door hem genoemd: virtus, species en imago agentis.

Materie bestaat als een oervolheid (= ruimte gevuld met materie) waarin fysieke werkingen optreden als overdracht of afdruk langs meetkundige lijnen, hoeken of figuren.

De dynamische meetkundige indruk op een 'gemeenschappelijke lichamelijkheid', een universele substantie, onderscheidt het ene fenomeen van het andere. Deze universele substantie is niets minder dan het licht zelf, want het licht toont de overbrenging van kracht zodanig aan, dat optica de beste wetenschap is om te bestuderen teneinde een begrip te krijgen van psychologie, fysiologie en fysica.

De verhandelingen van Alhazen van Cairo en Al-Kindi over optica deden Bacons verbeelding ontsteken. Hij was het er echter niet mee eens dat het licht zich onmiddellijk en ogenblikkelijk zou bewegen tussen twee werkelijke punten. De 'vermenigvuldiging der soorten', de overdracht van energie, geschiedt altijd door de ruimte gevuld met materie (plenum), want: 'de soort is een natuurlijk ding, en heeft een natuurlijk medium nodig, want in een vacuum kan de natuur niet bestaan.'

Transmissie door een medium is niet zozeer als het vloeien van water door een kanaal maar meer een trilling zich voortplantend van deeltje naar deeltje.

In dit opzicht is licht gelijk aan geluid.

'Geluid ontstaat door het botsen van de objecten waardoor de deeltjes uit hun natuurlijke positie geraken.

Er volgt een trilling van de deeltjes in elke richting gepaard gaande met enige mindere dichtheid, want de bewegingsrichting is vanuit het centrum naar de omtrek.

En precies zoals het eerste geluid is gegenereerd door de eerste trilling, zo is er een tweede geluid met de tweede trilling in een tweede deel lucht, enz Daarom is het geen beweging van plaats maar een voortplanting vermenigvuldigd door de verschillende deeltjes van het medium.'

Roger Bacon : blz 12
Licht heeft tijd nodig om zich door de ruimte voort te planten ondanks de grote snelheid. Bacon experimenteerde met de samenstellingen van de lenzen, ontwikkelde het principe van het vergrootglas en stelde vast dat de synthese van de beelden die het oog binnentreden gebeurt in de verbinding van de optische zenuwen.

Het zesde deel van 'Opus Majus' behandelde de scientia experimentalis; de experimentele wetenschap. Alhoewel Bacon geen notie had van een materialistische wetenschap, zag hij duidelijk in dat de krachten van de rede waren gevangen in de vooringenomenheid van dogmatisch geloof en in een zwerm 'theologische ondeugden'.

Deze krachten konden slechts bevrijd worden door een vernieuwde nadruk te leggen op ervaring, ondervinding.

'Er zijn twee wegen om kennis te verkrijgen, namelijk door redenering en ervaring.
Redenering trekt een conclusie en dwingt ons die te aanvaarden; maar dit maakt de conclusie nog niet zeker, noch verjaagt het de twijfel zodat er niets anders overblijft voor het verstand dan om te vertrouwen op de intuÔtieve waarheid, tenzij het verstand de waarheid ontdekt door het pad der ervaring te volgen.'

Maar ervaring kent twee zijden. De ene wordt verkregen door de zintuigen die, indien zij gewend zijn zonder vooroordeel of subjectiviteit waar te nemen, experiment kunnen worden genoemd.

De andere is innerlijk, het gebruik van een gedisciplineerd bewustzijn om het rijk van het brein en de geest te verkennen. Het innerlijk experiment is op elke trede 'overgoten' met een zekere graad van goddelijke verlichting.

De zeven graden van innerlijke ervaring beginnen met de intuÔtie vereist voor de zekerheid die wordt gevonden in de wiskunde en neemt toe door de onderscheiden stappen naar de bewustzijns-consumerende geestvervoering, zoals verbeeld in Paulus' visioen van de 'derde hemel'.

Er wordt ook op gezinspeeld in 1 KorintiŽrs 9, en beschreven in het apocriefe 'Visioen van Paulus'. Experimentele wetenschap heeft het in zich om conclusies direct te verifiŽren, waarheden te ontdekken ontoegankelijk voor de rede (redenering) alleen -aangezien de redenering is gebonden door premissen aangenomen als vertrekpunt- en door te dringen in de geheimen der Natuur en het verleden en de toekomst open te leggen.

Het zevende en slotdeel van Bacons verhandeling leerde dat grammatica en logica van ondergeschikte betekenis waren,

aangezien de rede (het beredeneren) aangeboren is aan het menselijk verstand en derhalve het best kan worden ontdekt door meditatie of overpeinzing, het innerlijke experiment, en verwijst naar de alchemie als de wortel- of basiswetenschap achter de chemie en de biologie.

'Er is een wetenschap welke zich bezighoudt met het ontstaan der dingen van de elementen en al de levenloze (on-bezielde) dingen; omtrent de elementen en de eenvoudige en samengestelde vloeistoffen; omtrent stenen, edelstenen en marmer; omtrent goud en de andere metalen; omtrent zwavel en de zouten en pigmenten; omtrent blauw en rood en de andere kleuren... Het ontstaan van mens en dier en planten uit de elementen en vloeistoffen heeft veel gemeenschappelijks met het ontstaan der onbezielde dingen.'

Alchemie, zoals het in brede kring wordt begrepen is de studie van de fundamentele eigenschappen der Natuur, de verborgen overeenstemmingen en verhoudingen tussen ogenschijnlijk diverse fenomenen. Voor Bacon is de speculatieve alchemie het begrip dat de ervaring verschaft, en de operatieve alchemie is haar toepassing.

Lood kan worden getransmuteerd in goud, gewoon bewustzijn kan worden getransformeerd in verlicht bewustzijn. (Eng. consciousness --> awareness).
Roger Bacon : blz 13
Alchemie in haar meest fundamentele betekenis verschaft de sleutels om de materiŽle, morele en geestelijke gebieden te begrijpen.

Met dit begrip, toegepast door de experimentele wetenschap is 's mensen potentiŽle kennis onbe- grensd, zoals ook zijn mogelijkheden om de wereld te veranderen.

In zijn 'Epistola de secretis operibus' geeft Bacon zijn visie op wat bereikt zou kunnen worden op het materiŽle vlak binnen een tijdspanne van zevenhonderd jaar.

'Machines voor de scheepvaart kunnen worden gebouwd zonder roeiers, zodat de grootste schepen op rivieren of zeeŽn kunnen worden bewogen door een enkele man met grotere snelheid dan door al die roeiers.

Wagens zonder trekdieren kunnen worden gemaakt; die zich bewegen met ongelofelijke snelheid... en vliegende machines kunnen worden samengesteld...

Zulke dingen kunnen worden gemaakt, welhaast zonder beperking, evenals mechanismen en mechanisch gedreven werktuigen.'

De morele- en geestelijke gebieden in de samenleving kunnen niet gescheiden worden van de materiŽle aspecten en uitingen.

Vooruitgang moet op al de drie gebieden samengaan indien men onbewuste of ondoorzichtige zwarte kunst wil voorkomen of vermijden.

Dit is mogelijk omdat de menselijke geest het in zich heeft de uiteindelijke natuur der innerlijke en uiterlijke dingen te omvatten en deze samen te vatten in ťťn verenigde universele wetenschap.

'Licht wekt warmte op, warmte wekt bederf op, bederf leidt tot de dood...

Dit is ook de werking van de zon en de sterren op dit aardse gebied, en de engelen bewegen de hemel en de sterren en de ziel beweegt het lichaam...

Aangezien het werk van het rationele verstand zich in het bijzonder kenmerkt door middel van woorden en doordachte oogmerken, kan een astroloog woorden vormen met een onuitsprekelijke kracht mits hiervoor het juiste tijdstip wordt gekozen.

Want, wanneer de doelstellingen, het verlangen en de macht van het rationele brein, welke hoogwaardiger is dan de sterren, samengaat met de macht van de hemel... kan het verstand (denkvermogen) de hemelse krachten vrij en zonder dwang volgen...

Aangezien het denkvermogen van een hogere orde is dan de sterren, kan het denkvermogen, precies zoals de sterren, en alle andere dingen om ons heen, hun macht uitoefenen op dingen buiten henzelf kan dus het denkvermogen, hetwelk de meest werkzame zelfstandigheid is na de Godheid en de engelen, zijn macht en invloed uitoefenen op het lichaam, alwaar het dť werkelijkheid is.

Deze macht strekt zich ook uit tot de dingen buiten het lichaam.

Dit is in het bijzonder zo wanneer, vanuit het sterke verlangen (begeerte), juiste oogmerken en het vertrouwen waarvan ik spreek, zij niet alleen de macht vanuit de hemel ontvangen, maar evenzo vanuit het denkvermogen, welke nog edeler is.

Daarom kunnen ze beschikken over een groot vermogen om de dingen dezer wereld te veranderen.'

Roger Bacon liep vooruit op de tot de verbeelding sprekende mechanismen van Leonardo da Vinci en de filosofie omtrent de menselijke waardigheid van Pico della Mirandola, en hield de toorts hoog die het creatieve vuur van de Renaissance zou ontsteken.
Roger Bacon : blz 14
Hij bevrijdde de geesten van het religieuze dogma, verwijzende naar de essentiŽle eenheid van de mens en de Natuur. Hij leerde hoe de menselijke geest kon samenwerken met de intelligente hiŽrarchieŽn van de fysieke en de geestelijke wereld. Hij verkondigde de noodzaak van een zelfbewuste evolutie naar een goddelijke verlichting en de mogelijkheid om een paradijs op aarde te scheppen.

Volledigheidshalve vermelden we nog dat Mevr. H.P. Blavatsky Roger Bacon op drie plaatsen vernoemt in haar 'Secret Doctrine' (De Geheime Leer) en wel op de pagina's 581 en 611 van deel I en pagina 443 van deel II van de originele uitgave (London, 1888).

We willen eindigen met een ietwat kritische noot aangaande de middeleeuwse filosofie en religie, waarvan Roger Bacon in tal van opzichten een 'dissident' was. We ontlenen die kritische zinsneden aan Jean Francois Revel:

'In wekelijkheid is de middeleeuwse filosofie geen filosofie. Het filosofisch materiaal is in eigenlijke zin geheel en al aan de oudheid ontleend. Het centrale probleem in de middeleeuwen is hoe de verzoening tussen de geopenbaarde religie en de rationele bewijsvoering tot stand kan worden gebracht.

Het is van belang te onderstrepen dat het hier gaat om 'geopenbaarde' religie, om het dogma, en niet om de religie van bijvoorbeeld Plotinus.

Want de moeilijkheden hangen juist samen met de vraag of er tussen het gezag van de kerkvaders en concilies en de dialektiek overeenstemming kan zijn of, korter gezegd, met de vraag of het geloof rationeel kan worden gewettigd. Dit centrale probleem is dus een religieus probleem.

Zonder het gezag van het Geloof was het niet aan de orde gekomen.

'Waar hij bloed en tranen zweet om van Plato een christen te maken, geeft hij te kennen zelf maar een heiden te zijn', zegt Thomas van Aquino als bezwarend getuigenis tegen Abaelardus. (Pierre Abelard, 1079 - 1142), en verder:

Het thomisme werd de officiŽle leer van de Kerk. Wat de thomistische overdenkingen opleverden werd onmiddellijk tot bron van gezag en leidde tot kortsluiting van het denken. De filosofie was geworden tot wat ze wel moest worden: de slaaf van de theologie, 'philosophia ancilla theologiae'. De middeleeuwen zijn ten einde wanneer de filosofie haar vrijheid op de religie (het geloof) herovert en ophemelt 'de dienster van de theologie' te zijn. Maar soms leert men veel in gevangenschap, en de bevrijde dienstmaagd zal zich te eigen nutte de listen en lagen van haar meesteres herinneren.'

Via Mevr. H.P. Blavatsky citeren we als laatste onze hoofdpersoon Roger Bacon:

'Wanneer iemand bij zijn overdenkingen begint met zekerheden, zal hij eindigen met twijfels; maar als hij zich ermee tevreden stelt met twijfels te beginnen, zal hij eindigen met zekerheden.'

Literatuur: Hermes, Volume VI, nr 11, Concord Grove Press, U.S.A.

Russel, Bertrand, Geschiedenis der Westerse filosofie, 1981 Winkler Prins Encyclopedie, 1974 GLT-reeks 1988-90

Durant, Will, Van Socrates tot Bergson, 1968 Le Goff, J., De cultuur van middeleeuws Europa, 1987 Revel, J.F., Geschiedenis van de Westerse filosofie, 1969.
Hadewijch : blz 1
Hadewijch
De waanzin der liefde
is een rijkelijk leen;
ieder die dit ziet
zou liefde niets anders vragen:
zij verenigt de tegengestelden,
zij draait de paradox om.
Ik vertel je hierover de waarheid: de waanzin der liefde
maakt bitter wat zoet was; hij maakt de vreemde tot bloedverwant,
en brengt het kleinste tot de grootste pracht.
Aan die zielen
die zulke liefde niet bereikten,
geef ik de volgende goede raad:
kunnen zij niet beter doen,
dat zij dan liefde en kwijting smeken,
en dienen in vertrouwen
volgens de raad door liefde gegeven,
en denken: 'Het kan mij gebeuren,
de kracht van Llefde is zo groot.'
Slechts na de dood is genezing onmogelijk.                                                      HADEWIJCH

Rond de elfde eeuw was het pausdom erin geslaagd iedere externe beweging die van ketterij kon worden beschuldigd meedogenloos te verpletteren. Dit had evenwel niet de interne behoefte tot kerkhervorming kunnen ontwortelen; een krachtige stroming van spirituele vernieuwing bleef verouderde instellingen en corrupt beleid overspoelen. Zelfs de middeleeuwse inquisitie, later verfijnd in haar Romeinse en Spaanse versies, kon het zoeken naar een verlossend spiritueel inzicht niet ontmoedigen.

De voornaamste ketterse visies en alternatieven op de Romeinse theologie en religieuze praktijk waren vernietigd; de wens tot terugkeer naar de christelijke essentie bleef evenwel de kerkelijke instelling bedreigen vanuit haar eigen trouwste rangen. Zelfs toen Frankrijk immuun was gesteld tegenover iedere roep naar hernieuwing, doken in de Lage Landen alternatieve vormen van ontevredenheid op, die later mogelijk zelfs de reformatie in de hand werkten.

De twaalfde en dertiende eeuw vertoonden het verschijnsel waarbij een aantal individuen bleven, alhoewel aan de kerk toegewijd, toch het formele kloosterleven als weg tot het spirituele bleven verwerpen. Begijnen -vrouwen die zich in hun rustig huiselijk leven een zelfopgelegde gelofte van armoede en reinheid oplegden- verzamelden zich in kleine gemeenschappen onder de spirituele leiding van een lekenleidster, gewaardeerd om haar devotie en ondervinding.

Hadewijch was vermoedelijk ťťn der grootste van deze gidsen; haar leven en werken beÔnvloedden in diepe mate Jan van Ruusbroec (1) en het Duitse religieuze denken, en vormden de basis voor een belangrijke afgeleide Nederlandse literatuur.

Van Hadewijchs leven is niets bekend, behalve wat daarover uit haar eigen werken kan worden afgeleid. Zelfs haar naam is nietszeggend: uit dezelfde tijdsperiode zijn honderdenelf religieuze vrouwen met dezelfde naam bekend!

Er mag worden verondersteld dat zij werd geboren tegen het einde van de twaalfde eeuw, in een aristocratisch -zelfs adellijk- gezin. Zij bezat een gedegen kennis van hofleven en ridderschap, en mocht blijkbaar steunen op een uitstekende opvoeding. Zeer waarschijnlijk was zij in Antwerpen geboren. Alhoewel zij in het Nederlands schreef -alle werken werden immers aan haar medebegijnen geadresseerd- had zij een goede kennis van het Latijn en het Frans, kennis die zij voor literaire effecten benutte. Haar werk had als belangrijkste inspiratiebronnen het Oude en Nieuwe Testament, maar zij verwerkte hierin op frisse en originele wijze getallensymboliek, ptolemeÔsche astronomie, principes van verskunst en briefschrijven, en muzikale theorie.

Hadewijch bewonderde Origenes, Augustinus, de victorijnen (2) en vroege cisterciŽnzers (3); haar theologische standpunten weerkaatsten de leringen van de oosters-orthodoxe zowel als van de roomse kerk. Ze was goed op de hoogte van de hoofse liefdesdichtkunst, de lyriek der Provencaalse troubadours, de Duitse 'Minnesang' en de eigen Nederlandse 'minnesang'. De liefdeslyriek, eens ontsproten uit de spirituele liefdesgedichten van de soefi's uit PerziŽ, het Midden-Oosten, Noord-Afrika en het islamitische Spanje, had in het middeleeuwse christendom een sterke ontaarding gezien. In Hadewijchs gedichten werd de hoofse liefde opnieuw teruggebracht tot de zoektocht van de ziel naar het goddelijke, de oorspronkelijke inspiratiebron van dit genre.

De begijnen werden door de kerk niet als serieus, en zelfs eerder achterdochtig bekeken, totdat paus Honorius III hun in 1216 toestond in gemeenschap te leven. Hadewijch vormde of werd lid van een groep begijnen rond deze tijd, en werd hun spirituele gids. Uit haar gedichten en brieven is af te leiden dat velen uit haar groep haar standaard te hoog vonden en haar autoriteit trachtten te ondermijnen. Hadewijch was zich wel van deze tweedracht bewust en trachtte de betere keerzijde van haar gemeenschap te stimuleren door ondwangmatige, morele aansporing. Zeer waarschijnlijk werd zij definitief uit haar gemeenschap verstoten, ondanks de blijvende loyaliteit van enkele volgelingen. Van haar leven na haar verstoting is niets meer bekend, alhoewel latere legenden suggereren dat zij door de inquisitie werd opgesloten en zelfs terechtgesteld. Vermoedelijk echter leefde zij verder een teruggetrokken leven, organiseerde haar geschriften en stierf als een anonieme, weinig bekende, godvruchtige vrouw.
Hadewijch : blz 2
Haar werken raakten in de vijftiende eeuw meer en meer zoek, tot hun herontdekking in 1838. M. Brauns (4) schreef dat de herontdekking van Hadewijchs werken een lichtpunt vormt in de veeleer donkere Middeleeuwen; recent suggereerde Columba Hart zelfs dat haar herontdekking niet slechts een lichtpunt, maar zelfs de redding van dit tijdperk betekent! Hadewijch oversteeg haar tijd in denken en uitdrukking, en de klaarheid en kracht van haar werken zijn in staat ontvankelijke individuen uit eender welk tijdperk aan te spreken.

Hadewijch formuleerde haar standpunten in een nuchter literair proza. Haar brieven, soms lijkend op verhandelingen, werden geschreven in antwoord op de verschillende behoeften die bij de begijnen opdoken; een systematische bundeling van haar zienswijzen beoogde zij niet. Haar gedichten, soms in strofen, soms in rijmend couplet, zijn uiterst gestructureerd en gestileerd. Op haar tiende levensjaar kreeg Hadewijch een eerste vurig visioen. Alhoewel zij nog verscheidene jaren nodig had om haar devotie, vastheid van gedachte en zuiverheid van wil, essentieel voor een vereniging met het goddelijke, te oefenen, begreep zij heel snel de irrelevantie, zowel van het filosoferen omtrent de ultieme aard van het goddelijke, als van het jagen naar werelds bezit. Voor haar was de centrale vraag van het aards bestaan: 'hoe staat de ziel in relatie tot het goddelijke?'. In haar antwoord hierop verkoos zij het woord 'minne', liefde, te gebruiken.

Hadewijch begreep de subtiele nuance tussen een wezen enerzijds, en de ontmoeting daarmee anderzijds. Het wezen bezit zijn eigen bestaan, aard en eigenschappen; gewaarwording van deze entiteit hangt evenwel af van de maturiteit en oriŽntering van iemands bewustzijn. De mate van bewustzijn filtert noodzakelijkerwijze de manier waarop men een wezen ervaart. Dit is reeds duidelijk in de manier waarop materiŽle objecten kunnen worden misverstaan, bijvoorbeeld zoals een koord in het schemerlicht verkeerdelijk als een slang kan worden aangezien. Hadewijch was zeer gevoelig voor dit probleem in haar relatie met het goddelijke.

Ervaring van God wordt dus geconditioneerd door het bewustzijn, en 'minne' heeft zowel betrekking op het eigenlijke goddelijke, als op de manier waarop de ziel hierop antwoordt. Hadewijch was minder begaan met het dubbelzinnige van dit begrip 'minne', maar veeleer met de manier van leven en denken die ervoor moet zorgen dat het onderscheidingsvermogen wordt gezuiverd en dat de ziel dichter tot een vereniging met het goddelijke wordt gebracht.

Zij trachtte niet het Onuitsprekelijke te beschrijven, want God was voor Hadewijch transcendent, onzegbaar en onbegrijpelijk, alhoewel tezelfdertijd als Drievuldigheid gemanifesteerd via Jezus, en mystiek aanwezig in de communiehostie. Veeleer trachtte zij de receptieve ziel, of en de aspecten en gradaties van 'minne', te verduidelijken. Minne is een goddelijk aspect, het wordt door de ziel als ťťn van haar eigenschappen weerkaatst, en het vormt tevens de binding tussen de ziel en het goddelijke.

Het is ongeveer zoals de zonnestraling, de zonnestraal en de door een object weerkaatste lichtstraling als geheel ťťn zijn. Zij was er zich van bewust dat een louter morele aansporing en tuchtiging van het lichaam de ziel eerder zou afleiden dan haar naar God te richten; zij verkoos daarom de poŽtische taal der troubadours te benutten, om een positieve stuwing in de ziel te induceren.

Wat is deze zachte last der liefde,
Dit zoete juk?
Is het de nobele drukking van de geest
waarmee liefde de minnende ziel beroert
en haar met zich verbindt,
tot ťťn wil, ťťn wezen, zonder terugkeer?

Hadewijch verklaarde dat de individuele persoon de kracht niet kan vinden om de goddelijke geliefde te zoeken, tenzij hij of zij een eerste maal de onweerstaanbare kracht van minne heeft ervaren. Volle minne doordrenkt de ontwakende ziel en leert haar af te stappen van foute verwachtingen en ongepaste opvattingen; men leert onbeperkt te leven. Door de latente vermogens van de ziel terug wakker te schudden, hernieuwt of verlevendigt liefde de relatie tussen het individu en de vluchtige wereld.

0, hoe nieuw leek mij ieder
Die nieuwe liefde diende,
met nieuwe ware trouw
Zoals een novice doen zou,
Wanneer liefde zich eerst openbaart ...
Want liefde geeft het nieuwe goed,
Vernieuwt de geest,
Vernieuwt zich in alles
Wat liefde nieuw aanraakt.

Begint men de kracht van liefde in haar totaliteit te ervaren, dan verliest men het verlangen naar secondaire weerkaatsingen van de primaire bron.

Ik ken iemand die zich aanvankelijk
Tot liefde richtte als in een spel;
Totdat hij zichzelf erin verloor,
En het geen verder spel voor hem meer was.
Of hij verliest of wint,
Terugkeer is zo goed als uitgesloten.

Als een zoekende doolridder moet de ontwakende ziel leren alles te offeren voor liefde, die zowel de weg naar de geliefde is, als zijn eigen eindbestemming.

Wij moeten voor liefde totaal aan liefde verzaken;
Hij die voor liefde aan liefde verzaakt, is wijs.
Het is alles eender of we sterven of leven:
sterven voor liefde betekent genoeg geleefd.
Ach liefde! Jij hebt mij lang tot het uiterste gedreven;
Maar in dit ultieme uiterste waartoe je mij gedreven hebt,
Zal ik waakzaam blijven, o liefde, in uw liefdesdienst.
Hadewijch : blz 3
Volgens Hadewijch markeert het eerste smaken van liefde en het eerste intense smachten hiertoe een gevaarlijke drempel. Het individu dat door deze nieuwe ervaring wordt aangespoord, bezit nog niet die zelfdiscipline en die mate van meedogenloos zelfonderzoek, noodzakelijk om hem vast op het smalle pad naar de geliefde te houden. Wordt zijn geest bezield door verlangens naar genot, dan zal hij verbitterd worden door het lijden gepaard aan liefde. Ziet hij niet klaar in zijn eigen psychische toestand, dan zal hij afdrijven in romantiserende voorstellingen van liefde; en is hij zich niet bewust van de beperkingen van zijn lichamelijke toestand, dan zal hij in gedachten en daden zijn eigen zinnen strelen.

De zuivere ervaring van liefde geeft een plots binnengaan in een transcendent rijk; het koninkrijk der liefde. Door ketening van de aardse, geconditioneerde wereld, wordt deze verheven ervaring gemakkelijk verkeerd vertaald tot een intensifiŽren van aardse ervaringen. Dit is de weg naar zelfverlies, naar een levend dood zijn; de weg die volgens Hadewijch velen onder haar begijnen geneigd waren te betreden. Enkel het verhelderend vermogen van de rede in dienst van liefde kan dergelijke rampzalige fouten vermijden. In ťťn van haar visioenen zag Hadewijch een koningin gekleed in een gouden gewaad afgezoomd met ogen.

Vůůr de koningin liepen drie jonge maagden. Een van hen droeg een prachtig rood staatsiekleed en hield twee trompetten vast. Toen zij op ťťn ervan blies, zei deze: 'Ieder, die niet luistert naar mijn meesteres, zal eeuwig voor het geluk doof blijven en zal nooit meer de hoogste melodie en het wonder van liefde zien en horen.' En de andere trompet zong en zei: 'Eenieder die gaat volgens het pad dat mijn meesteres verkiest, zal machtig zijn in het koninkrijk van liefde.'

Het tweede meisje droeg een prachtig groen gewaad en had twee palmtakken bij, met telkens daaraan een boek vastgehecht.

Hiermee waaierde zij van haar meesteres het stof van dag en nacht, en van zon en maan weg, want van geen wenste deze bestoft te zijn.

Het derde meisje had een zwarte mantel omgeslagen, en ze hield in haar hand zoiets als een lantaarn gevuld met dagen, waarmee haar meesteres de diepte van de diepste ravijnen, en de hoogte van de steilste hellingen kon bekijken.



De koningin kwam schrikwekkend snel naar mij toe,
zette haar voet op mijn keel, en krijste: 'Weet jij wie ik ben?'
En ik antwoordde: 'Jazeker; jij hebt mij lang genoeg ellende en pijn bezorgd. Jij bent van mijn ziel het vermogen tot 'rede.'

De drie koninklijken gezellinnen zijn heilige vrees of zelfonderzoek, wakend over de reinheid der aspiraties van de omhoogstrevende ziel; onderscheidings-vermogen, dat liefde en rede onderscheidt; en wijsheid die rede met liefde verbindt en God als God, al het bestaande in God en ieder ding als beeld van God aanziet.

Daar waar de rede de weg naar het goddelijke klaar verduidelijkt en aantoont, vormt liefde de motivatie om deze weg in te slaan. Liefde moet zo zuiver mogelijk worden gemaakt, wat bereikbaar is door bevrijding van beperkingen en conditionering, door het aankweken van alle deugden. Men moet hierbij nederig blijven, want onbeperkte deugd kan niet als eigen aan iemand worden beschouwd.

Voor Hadewijch is dit doel verafgelegen, alhoewel een nederige zoeker het bestaan ervan kan ervaren, en eenieder die werkelijk wil, kan de reis maken. Evenwel moet men steeds de eerste stap willen zetten. Bij deze geestelijke opstijging bestaan geen privileges gebaseerd op rang en afkomst. In een visioen werd Hadewijch door een tuin met bomen geleid, ieder van hen symbool voor een diepe spirituele realiteit. Toen kwam zij bij het centrum van de tuin.

Daar stond een boom met zijn wortels naar boven en de kruin naar onder. Hij had vele takken. De laagste takken, deze bij de kruin, verbeeldden geloof en hoop, waarmee iemand het pad vooreerst betreedt.

De leidsengel zei tot me: '0, meesteres, klim deze boom op, van het begin tot het einde, de ganse weg tot de diepste wortels van de onvatbare God.

Begrijp dat dit de weg is van de beginners en van dezen die tot in perfectie volharden.

Door alle takken van de boom tot aan zijn wortels te doorlopen, komt de ziel terecht bij de zetel van de Godheid. Daar bemerkte Hadewijch een troon die er als een schijf uitzag, ondersteund door drie pilaren, ťťn van vuur, ťťn van topaas en ťťn van amethist. Onder het midden van de schijf bevond zich een donkere, sneldraaiende kolk.
Hadewijch : blz 4
De troon, lijkend op een schijf, was de eeuwigheid.

De drie zuilen waren de drie namen waaronder de stakkerds ver verwijderd van liefde deze eeuwigheid begrijpen. De vurige zuil verbeeldt de Heilige Geest. De zuil in topaas verzinnebeeldt de Vader.
De zuil in amethist verbeeldt de Zoon. De diepe draaikolk, schrikwekkend donker, verbeeldt de rijping tot het goddelijke, met zijn verborgen stormen.

Daar aanschouwde zij de geliefde; zij realiseerde zich dat zij de gehele weg tot hem werd begeleid, alhoewel tot daar nog veel moest worden beleefd. Toen ze aan zijn voeten neerviel, zei hij plots: 'Sta op! Want gij behoort tot mij sedert alle eeuwigheid, volledig vrij, onverminderd.' Hij verklaarde haar dat zij dit visioen mocht ontvangen omdat haar geleide-engel haar waardig had bevonden in devotie en werk, en hij zei: 'Ik geef u nu een nieuwe taak. Wens jij in het mensdom zoals ikzelf te zijn, dan zul je arm, miserabel en door ieder veracht zijn, en elke smart zal jou zoeter schijnen dan om het even welk aards genot; laat dit jou nooit bedroeven.'

Volgens Hadewijch spoort de spirituele liefde tot niets minder aan dan de totale absorptie in het goddelijke. Dit veroorzaakt onvermijdelijk een zeker lijden, aangezien alles, wat deel heeft aan het wereldse, vervreemdt en de zoekende niet verder tot steun is. Maar vanuit het standpunt van de zoekende wijzigt ook de wereld zich van gedaante, want alles wat anderen lijdend en smartelijk zouden noemen, wordt nu feitelijk aangenaam. De liefhebbende nadert tot en verenigt zich met het goddelijke door het adopteren van de Christos, verzinnebeeld door het leven van Jezus.

Je moet steeds, met brandend verlangen,
Zoeken naar nieuw lijden terwille van liefde,
Je moet liefde zelf zich laten uiten;
Die zal alle pijn met liefde vergoeden.
Beschouw jij je lijden als een last,
Dan heb je liefde duidelijk niet lief.
Wil je jouw lijden tentoonstellen,
Dan ben je liefde totaal vergeten.
Die alles en ieder verovert
Wie ernaar streeft volledig in hem te zijn ...
Nu, laat ons onszelf zo boetseren,
Dat liefde zelf ons leiden kan
Naarheen de zegening
Waarin liefde voor eeuwig is.



Aangezien wereldse verstrooiing - en alles wat niet als een goddelijke manifestatie kan worden beschouwd, een verstrooiing is - vreemd is aan de ziel, moet liefde deze afstoten. De ziel lijdt omdat haar ervaringsbegrip moet worden getransformeerd. Bij de aanvankelijke verrukkingen, door liefde teweeggebracht, is er een subtiele zweem van het zelf, aangezien iedere ervaring in enige mate naar zichzelf refereert als datgene wat de ervaringen ontvangt.

Wordt deze neiging om aldus de aandacht naar het zelf om te buigen niet verdreven, dan zal de ziel de gaven gaan bewonderen zonder de gever nog aandacht te schenken. Toegenegenheid tot deze gaven wint veld, het doel zelf wordt uit het oog verloren, en in minder dan geen tijd lijken de beproevingen der liefde wrang en zelfs onrechtvaardig. Men wordt op zichzelf gericht, en vlucht in werelds plezier of vervalt in geÔsoleerde verbittering. Hadewijch zag dat een zuiverende ervaring zonder zelfreferentie inderdaad mogelijk is.

Hij die liefde verovert,
Wordt zelf veroverd.
En koestert liefde iemand,
Dan verslindt zij, als in een jacht, al wat hij bezit.
Wanneer hij ten lange laatste leert,
Door de kracht van liefde, vrede te veroveren,
Ontdekt hij dat de prijs voor liefde ellende is.

Het goddelijke overstijgt de beperking van het sterfelijk zelf-bewustzijn. Indien men beseft dat liefde verdergaat dan en verschillend is van individuele ervaringen, kan men een zuiver ervaren leren, hierbij de Bron aanschouwend zonder de aanschouwer nog te bemerken. Het zelf verliest zich in de geliefde doordat het verhelderend element in het bewustzijn wordt geperfectioneerd door vereniging met de geliefde.

Het individu , dat dit punt bereikt, ondervindt een ongeŽvenaarde vrijheid en wilskracht. Dit bereiken vereist evenwel een geestelijke reis die aanvangt in het enthousiasme van een spirituele jeugd, die gaat door vele stadia van zelfverbetering en die rijpt in spirituele ouderdom. Oudere zielen weten dat lijden niet wordt gekenmerkt door uiterlijke tekens, maar wordt getekend door vervreemding van het goddelijke en wordt aangewakkerd door een dikwijls pijnlijk scheiden van oudere bindingen.

Hadewijch : blz 5
De intense aantrekking tot liefde is een teken dat de ziel nog niet echt oud is. Om zielsouderdom, die weinig met duur te maken heeft, te verdienen, moet de ziel leren om zowel onbevreesd bedrijvig als onvoorwaardelijk receptief te zijn. In haar zoeken naar liefde is de ziel als een doolridder, klaar om iedere beproeving en ontbering het hoofd te bieden, in zijn pogen dichter bij de geliefde te komen.


Soms bevredigend, soms wrang,
Soms donker, soms helder;
In bevrijdende troost, in dwingende schrik. In nemen en geven,
Moeten diegenen,
Doolridders der liefde,
Steeds hieronder leven.


De ziel zou zich evenwel moeten opsmukken als een bruid wachtend op de bruidegom, want zodra zij zich de deugden van onbaatzuchtigheid, barmhartigheid en identificatie met alle wezens, alsook wilskracht, oprechtheid en geestelijk geheugen heeft eigen gemaakt, zal ze door de goddelijke bruidegom worden opgenomen in een hemels huwelijk. De onzelfzuchtige ziel wordt een zo volmaakte spiegel van het goddelijke, dat het Christoslicht en zijn reflectie ononderscheidbaar worden.

De ziel, voor zover zij haar achtenswaardige staat behoudt,
is een peilloze diepte waarin God met zichzelf bestaat,
en zijn eigen zelf-zijn vindt haar volle rijpheid in deze ziel
zoals de ziel, van haar kant, dit in hem vindt.
De ziel is een weg die God benut om vanuit zijn diepte naar zijn ontplooiing te vlieden, en God is een weg voor de ziel om haar vrijheid te bereiken, dit is naar haar meest geheime diepte, onbereikbaar, tenzij langsheen de zielseigen afgrond. En zolang God niet totaal tot de ziel behoort, is zij niet echt bevredigd.

De onbekwaamheid van veel van haar begijnen om hun mogelijkheden ten volle te gebruiken, en ridders en bruiden van de geliefde te worden, moet Hadewijch hebben ontgoocheld. Hun gebrek aan zielenridderschap moest haar bedroeven, en haar eigen verbanning moest haar pijnigen. Maar echt verrast was ze niet.

De roep tot spirituele liefde leidt tot lijden, totdat overgave aan het goddelijke volledig is, waarna men als winnende in deze wereld tot een onuitspreekbare gelukzaligheid komt. Voor Hadewijch (5) (6) was haar eigen pijnervaring slechts een onderdeel van het lijden van de mensheid in zijn streven om dichterbij het goddelijke te komen. Het is een streven dat, indien intens en volledig, ten volle wordt beloond.

Dezen die klaar staan om volledig aan liefde te voldoen,
Zijn ook eeuwig en onpeilbaar.
Want hun omgang gebeurt in de hemel,
En hun zielen volgen overal hun geliefde, die onpeilbaar is.

Vertaald en bewerkt naar 'Hermes'1 Vol. X, Jaargang 1984, pp.374-383.
Hadewijch : blz 6
VOETNOTEN

(1) Jan van Ruusbroec, 1293-1381, kapelaan van de St.-Goedelekerk te Brussel. Op vijftienjarige leeftijd zonderde hij zich in het ZoniŽnwoud (Groenendaal) af. In zijn vele, in het Brabants geschreven, werken legde hij de basis voor een eigen Nederlandse mystiek die niet uitging van Thomas van Aquino, maar van Augustinus. De vereniging van de ziel met God wordt bereikt door met Christus te leven, die zich ontledigde van al het geschapene, van het eigen ik.

Zijn werken zijn uitgegeven o.a. door het Ruusbroec-genootschap, door jezuÔeten gesticht in 1925, en met hoofdzetel en bibliotheek te Antwerpen.

(2) Victorijnen, of congregatie van de orde der reguliere kanunniken van St.-Augustinus, gesticht in 1108. De orde, met de moederabdij te Parijs, was over geheel Europa verspreid, en had ook in het Nederlandse gebied een aantal vrouwenkloosters. De congregatie werd na de Franse revolutie opgeheven. De school zocht een synthese van scholastiek en mystiek, mede omtrent de symbolische structuren van de ervaarbare werkelijkheid. Ze beschouwde de mystieke godcontemplatie als een doel van de wetenschap en het leven.

(3) De stichtingsoorkonde der cisterciŽnzers (1119) vereiste een volledige armoedebeoefening, verbood de profane studie en beval onderwerping aan de bisschop.

(4) Vermoedelijk wordt Marcel Brauns (1913-1995) bedoeld, Vlaams schrijver, jezuÔet en docent Nederlandse letterkunde te Namen tot 1964. Hij schreef gedichten, toneelspelen, dogmatisch werk, studies over poŽzie en dichters.

(5) Hadewijch, volgens uittreksel uit de 'Grote Nederlandse Larousse Encyclopedie': ...Waarschijnlijk verzamelde zij tweemaal zonder blijvend succes rond zich enkele jonkvrouwen, die zij geestelijk leidde en met wie zij liefdadigheid beoefende. Haar geestelijke geschriften, ontdekt in 1838, maakten Hadewijch tot de grootste literaire figuur uit haar tijd. Zij behandelde de Dietse minnemystiek, de volkomen overgave aan de goddelijke liefde, gebaseerd op het mysterie van de Drievuldigheid, waarbij de persoon van Christus centraal staat. Haar werk bracht in de volkstaal wat tot dan toe slechts in het Latijn werd uitgesproken ... Het omvat prozawerken: 'Brieven' (31 in getal), 'Visioenen' (14 in getal, gevolgd door de 'Lijst der volmaakten'); alsmede poŽzie, met name 45 'Strofische gedichten', herinnert aan de Provencaalse lyriek, 'Mengelgedichten', en 16 meer didactische verzen.

(6) en Hadewijch, volgens uittreksel uit 'Encyclopaedia Universalis' (vertaling):

Hadewijch bedient zich op een zeer persoonlijke manier van de profane hoofse poŽzie. Haar werken staan in het teken van de liefde, als persoonlijke relatie tot de Bruidegom, als 'Unio mystica'.

Voor Ruusbroec insisteert Hadewijch op de absorptie van het contemplatieve individu in de eenheid van de goddelijke essentie.

Deze verzwelging gebeurt analoog met de opname van de Drie-eenheid in de eenvoud van de essentie. Volgens Hadewijch is deze theorie geen conceptuele doctrine, maar ervaring.

En verder lezend in de Encyclopaedia Universalis, kan men begrijpen waarom Hadewijch weinig bijval genoot bij haar medebegijnen. Want alhoewel de oorsprong van de beweging der begijnen voor ťťn deel wordt gelegd bij het spirituele zoeken zoals het in het eerste deel van dit artikel wordt beschreven, wordt anderzijds toch ook de nadruk gelegd op de sociale oorsprong der begijnen: 'overschot' aan vrouwen (alhoewel ook mannelijke begijnen voorkwamen), oorlogsweduwen, de problemen van adellijke dames om in eigen milieu een echtgenoot te vinden, het wegvloeien van geschoolde mannen naar de clerus, kortom een nood van een aantal mensen, en dikwijls vrouwen, om een houvast te vinden. Deze waaier van oorzaken bracht met zich mee dat het gemiddelde intellectuele en spirituele peil der begijnen niet veel hoger lag dan dat van de gemiddelde bevolking.

Enkele bewerkingen van, en studies over, Hadewijch zijn:

- 'Brieven', nieuwe editie, J. van Mierlo, deel I-II, Antwerpen 1947

- 'Visioenen', nieuwe editie, J. van Mierlo, deel I-II, Leuven 1924

- J. van Mierlo: 'Hadewijch, une mystique flamande du 13iŤme siŤcle', Revue d'ascetique et de mystique, 1924, p.269.
Fakhroeddin : blz 1
Fakhroeddin
Gij zijt de wereld -
Maar hoe kunt Gij worden gezien?
Zijt Gij ook niet de ziel?
En toch, hoe kunt Gij dan verborgen zijn? Hoe kunt Ge geopenbaard worden?
Want Ge zijt toch altijd occult.
En hoe kunt Ge verborgen zijn
Wanneer Ge eeuwig gezien wordt?
Verborgen, geopenbaard,
Beide tegelijkertijd,
Zijt Ge noch dit, noch dat -
Toch beide tegelijkertijd ...
Als Gij Alles zijt
Wie zijn dan al die mensen?
En als ik niets ben
Waartoe dient dan al dit gedoe?

                                                     Lama'at 'IRAQI

Plotinus verklaarde dat inzicht, rede en ervaring moesten samengaan alvorens iemand zou mogen beweren waarlijk te weten. In de islam, zoals trouwens in alle godsdiensten die op openbaring zijn gebaseerd, wordt de ervaring verdrongen door de inspiratie van die openbaring -de Koran en de 'hadith' of traditionele gezegden toegeschreven aan Mohammed. Dit aspect van vermeende geestelijke kennis wordt bewaard en beschermd door de 'moetakallimoem', of theologen, en de 'oelama', zij die de wet van de Koran begrijpen.

De moe'tazilitische beweging introduceerde beredeneerd overleg in de islamitische studiŽn door een beroep te doen op de macht van het intellect en op de praktische ervaring. De soefi's respecteerden beide tradities maar voegden aan de eerste vereisten van geestelijke kennis twee dingen toe: 'sjoehoed', contemplatie, en 'dhawq', de intuÔtieve waarneming die uit de directe ervaring voortvloeit.

Terwijl de theologen met eerbied over Allah (God) spreken, verwijzen de filosofen alles naar 'wajib al-woejoed', het noodzakelijk zijn; en de soefi's, die zeer vrij gebruik maken van een grote hoeveelheid van termen, voelen zich geroepen tot 'al-haqq', het werkelijke, en tot 'wahdat al-woejoed', de radicale eenheid van het bestaan.

Hoewel de innerlijke vrijheid van de soefimysticus de theoloog en de filosoof op hun hoede doet blijven, kan een religie zonder priesterkaste de principiŽle mogelijkheid van een theofanie (de verschijning van een godheid) niet ontkennen. Zij verhindert de mysticus ook niet een diep geloof en filosofisch begrip te belijden. Terwijl de mohammedaanse theoloog voor geloof leerde pleiten, en de filosoof uitdrukking gaf aan de hoop, werd de soefi bij uitstek de vertolker van Goddelijke liefde.

De krachtige opleving van creatief denken in de twaalfde en dertiende eeuw bracht voor de leringen van de soefi's een klein gouden tijdperk voort en Fakhroeddin 'Iraqi rijst als een heldere ster op in die uitgelezen constellatie die het pad voor anderen verlicht.

Een maand voor de geboorte van Fakhroeddin Ibrahim had zijn vader een droom over Ali, de schoonzoon van Mohammed en patroonheilige van de soefi's. In de droom plaatste iemand een kind op de grond voor Ali's voeten.
Fakhroeddin : blz 2
Deze nam het kind op en overhandigde het aan de vader met de woorden: 'Neem onze 'Iraqi en breng hem met uiterste zorg groot, want hij moet een veroveraar van de wereld worden'. Zo werd de geboorte van Fakhroeddin Ibrahim in 1213 met veel vreugde begroet. Hij werd geboren in het dorp Kamajan, bij Hamadan in een deel van PerziŽ dat 'Iraq-i 'ajam heet en werd bekend als Fakhroeddin 'Iraqi. Het kind ging naar school toen het vijf jaar werd en in negen maanden had het de Koran van buiten geleerd. Toen hij acht was, stond hij reeds in de hele streek bekend om de melodieuze stijl en het zieltreffend effect van zijn Koranvoordracht. Met even grote bekwaamheid ondernam hij nu andere studies en tegen zijn zeventiende jaar had hij de twee soorten wetenschappen geleerd, de overgeleverde wetenschappen en die welke het resultaat zijn van menselijke rede en onderzoek. Op een dag kwam een bonte groep van qalandars naar zijn stadje, en zijn leven sloeg voor altijd een andere weg in.

De qalandars waren zwervende mystici. Zij verzaakten aan rijkdom, status en persoonlijke achting, beschouwden sociale conventies als valstrikken en maskers van schijnheiligheid en schuwden de goedkeuring van leken. Daar schelmen en uitgestotenen het voor eigen doeleinden nuttig vonden de qalandars na te bootsen , werden de ware zwervende mystici evenzeer verfoeid - een ironie die hen niet kon storen. Toch waren er meestal ook mensen die deze zwervers met tegenzin een kortstondige gastvrijheid verleenden. De gevoelige 'Iraqi voelde een grote liefde in zich opwellen en wanneer de qalandars vertrokken was hij diep neerslachtig. Hij was er echter de man niet naar om te aarzelen en bij de pakken te blijven neerzitten.

Hij legde zijn boeken terzijde en ontdeed zich van de kleding die hem als student in de theologie kenmerkte. Zonder iets mee te nemen haastte hij zich om zich bij de groep te vervoegen en toen hij zijn nieuwe vrienden had gevonden, barstte hij los in spontane verzen:

Ik ben naar Mekka geweest om er de Ka'ba te omcirkelen Maar zij lieten mij niet binnen,

Zeggende:'Maak dat je wegkomt! Welke verdienste heb je verworven? Daarbuiten, dat we je ook zouden binnenlaten?'
Toen, gisteravond, klopte ik aan de deur van de herberg.
Binnen klonk een stem: 'Iraqi, Kom!
Want jij bent een van de uitverkorenen.'

De qalandars begrepen onmiddellijk dat deze vermelding van de deur van de herberg een zinspeling was op de drempel van de kamer van het hart, waar de wijn van de wijsheid is te vinden, en zij verwelkomden 'Iraqi tot hun gezelschap.

Samen zwierven zij door Oost-PerziŽ en tot in India, waar zij Multan bereikten (nu in Pakistan). Daar hadden zij een ontmoeting met sjeik Baha'oeddin Zakariyya' Multani, de derde grote leraar in de traditie van Soehrawardi. Tijdens zijn leven stond hij bekend als 'goeth', 'kabir' en 'moenir', de 'pool van het tijdperk', de grote en de 'verlichter'.

Terwijl hij drank aan de qalandars gaf, merkte Baha'oeddin 'Iraqi op. 'Die jongen is helemaal voorbereid,' zei hij tot een van zijn leerlingen, 'hij zou bij ons moeten blijven.' 'Iraqi zelf voelde zich door zo'n sterke aantrekkingskracht tot de sjeik aangegrepen dat hij voor zijn verstand vreesde en er bij zijn reisgenoten op aandrong dadelijk te vertrekken.
Fakhroeddin : blz 3
Steeds maar door 'Iraqi aangespoord trokken de vrienden naar Delhi, waar zij een tijdlang vertoefden. Toen zij naar Somnath vertrokken, werden zij door een storm gescheiden, en 'Iraqi was verplicht naar Delhi terug te keren. Hij verstond deze eigenaardige toestand als een teken, ging alleen op weg naar Multan en plaatste zich daar aan de voeten van Baha'oeddin.

De sjeik aanvaardde hem en beval hem in een totaal afgezonderde retraite te gaan.

Enkele dagen later barstte 'Iraqi echter los in extatische verzen. Zijn medeleerlingen waren verontwaardigd over zijn luid gezang en gingen de meester waarschuwen, die onmiddellijk kwam luisteren. 'Die jongeman is klaar', zei hij, en hij riep 'Iraqi uit zijn cel, legde hem de mantel van gevorderd leerlingschap aan, en gaf hem zijn eigen dochter ten huwelijk. Daar de soehrawardische traditie in haar uiterlijke gedragingen conservatief was, waren vele leerlingen ontevreden om de vrijheden die aan deze spontane mysticus werden toegestaan. Niettemin bleef 'Iraqi bij Baha'oeddin, kreeg een zoon genaamd Kabiroeddin, en diende zijn meester trouw vijfentwintig jaar lang. Toen de sjeik zijn dood voelde naderen, benoemde hij 'Iraqi tot zijn opvolger.

'Iraqi zorgde voor een behoorlijke graftombe, die ook nu nog in Multan bestaat. Hij wist dat vele van zijn vroegere medeleerlingen tegen hem complotteerden en verzaakte aan het opvolgerschap.

Met enkele vrienden vertrok hij naar Mekka.

Hij nam eerst een schip naar Oman, waar hij reeds om zijn geÔnspireerde verzen befaamd was. De sultan heette hem welkom, stond de groep toe in zijn eigen paleis te verblijven, en benoemde 'Iraqi tot eerste sjeik van de streek.

Toen 'Iraqi voldoende rust had genoten, verzocht hij om toelating naar Mekka door te reizen, maar de sultan vertoonde zoveel tegenzin dat 'Iraqi het nodig vond er in het geheim van door te gaan. Overal waar hij kwam werd hij geŽerd en zijn verblijf in Mekka en Medina was er een van vurige vreugde en diepe meditatie. Op den duur besloot hij te vertrekken naar Damascus en twee van zijn vrienden uit Multan vergezelden hem op die reis.

Vanuit Damascus reisden zij verder naar Roem (het moderne Turkije) en zo vonden zij de weg naar Konya. Daar ontmoette 'Iraqi twee hoogst merkwaardige soefi's, Djallaloeddin Roemi en Sadroeddin Qoenawi, de opvolger van Ibn al-Arabi en eerste sjeik van Konya.

'Iraqi raakte sterk bevriend met Qoenawi, die de inwijding had verkregen in de school van Soehrawardi, en deze vriendschap duurde voort tot Qoenawi's dood. Door 'Iraqi's vriendschap met Baha'oeddin was zijn zelfvertrouwen gesterkt; door het contact met Qoenawi werd zijn intellect scherper. Toen hij pas in Konya was aangekomen ging hij zich bij enkele studenten vervoegen die naar Qoenawi's lezingen over 'De zegels van de wijsheid' van Ibn al-Arabi kwamen luisteren. Na elke lezing schreef hij een meditatie over wat hij had gehoord, en zo ontstond zijn groot werk, de 'Lama'at' (Lichtflitsen).

Toen hij zijn 'Lama'at' aan Qoenawi aanbood, las deze het, kuste het zoals een moslim een heilige tekst kust, en zei: ''Iraqi, jij hebt het geheim geopenbaard dat in de woorden van de mens lag verscholen.'

'Iraqi bleef nauw met Qoenawi verbonden. Zelfs toen hij naar Medina en Damascus reisde als antwoord op een droom waarin Ibn al-Arabi hem had geboden zijn graftombe te bezoeken, schreef 'Iraqi lange, liefhebbende brieven naar Qoenawi,

waarin hij zijn 'tweede leraar' verzocht in zijn dromen te verschijnen en hem terug te roepen.
Fakhroeddin : blz 4
'Iraqi verzamelde met gemak een aantal discipelen rond zich, onder wie het administratief hoofd van Roem, de emir Moe'inoeddin Parwanah. Niettegenstaande 'Iraqi's totaal gebrek aan belangstelling voor zijn eigen welzijn, drong Parwanah erop aan voor hem in Tokat een tehuis in te richten, waar hij hem dagelijks kwam bezoeken. Omstreeks deze tijd werd Roem geregeerd door de Mongoolse keizer Abaka, en de Mamelukkenkeizer Baybars organiseerde een aanval op hem vanuit Cairo. In 1277 werden de legers van Abaka verslagen door die van Baybars, die zich prompt tot keizer van Roem kroonde. Parwanah die onder Abaka had gediend, ging op de vlucht, maar zijn zoon werd gevangen en vervoerd naar Cairo. Toen de Mamelukken zich terugtrokken naar Egypte, beschuldigde Abaka Parwanah van verraad.

Zeker zijnde dat hij ter dood gebracht zou worden, ging Perwanah 'Iraqi opzoeken en gaf hem een zakje edelstenen. Hij vroeg 'Iraqi die te gebruiken om zijn zoon vrij te kopen en bad hem van de jongen een soefi te maken, die onverschillig voor de politieke macht zou blijven.

Door de oorlogen waren Roem en AnatoliŽ in een toestand van rebellie en wanorde vervallen, en Abaka zond er Kangirtay, zijn broer, heen om de Mongoolse heerschappij te herstellen. Kangirtay verdacht 'Iraqi ervan, in het bezit gekomen te zijn van de rijkdom van de ongelukkige Parwanah en stuurde zijn geleerde vizier naar 'Iraqi om hem te bespieden. De vizier was echter zo bekoord en geÔnspireerd door het gedrag en de woorden van 'Iraqi dat hij de eigenlijke bedoeling van zijn bezoek er helemaal bij vergat.

Toen hij bij Kangirtay terugkeerde, vernam hij dat deze soldaten had uitgezonden om 'Iraqi te arresteren. Hij liet hem daarop in allerijl waarschuwen dat hij op de vlucht moest gaan en bezorgde hem een zak met duizend dinars om hem bij zijn ontsnapping te helpen. 'Iraqi verliet het gevaarlijke Tokat en reisde eerst naar Sinope, waar een andere zoon van Parwanah regeerde, en trok daarna verder naar Cairo. Daar aangekomen vroeg en verkreeg hij een audiŽntie bij de sultan en overhandigde hij deze de ongeopende zak met edelstenen.

Wanneer de sultan vernam dat 'Iraqi alleen maar een dienst aan Parwanah wilde bewijzen en niets voor zichzelf had behouden, beval hij dat Parwanah's zoon zou worden vrijgelaten en behandeld als een prins. Zelf zat de sultan aan 'Iraqi's voeten als zijn discipel. Hij was zo opgetogen over 'Iraqi's woorden dat hij hem tot eerste sjeik van Cairo benoemde en een grote processie liet uitgaan om de benoeming bekend te maken.

De volgende dag kwam de vizier van de sultan 'Iraqi in de fijnste gewaden kleden, gaf hem een prachtige tulband en liet hem een paradepaard bestijgen, waarbij al de geleerden, edelen en militaire hoofden van het hof zich te voet rond hem moesten scharen.

'Iraqi keek rond, trok plots de tulband van zijn hoofd, en zat enkele minuten stil na te denken. Daarna zette hij even onverwacht zijn tulband terug op en gaf het sein voor het vertrek van de processie. De sultan, over deze vreemde manier van doen ingelicht, verzocht 'Iraqi om een verklaring.

'Iraqi merkte op dat niemand anders van zijn tijd zulke eerbewijzen had gekregen en dat hij de tulband had afgenomen tot hij er zeker van kon zijn dat noch hoogmoed noch zelfzucht in zijn gemoed opwelden. De sultan, die door zulke spirituele eenvoud in een wereld van eerzucht, decadentie en pracht was ontroerd, verdubbelde 'Iraqi's bezoldiging.
Fakhroeddin : blz 5
Maar 'Iraqi wilde terug naar Damascus en op den duur kon hij de sultan ertoe overhalen hem te laten gaan. Er werden postduiven losgelaten opdat elk station op de weg op de hoogte zou zijn en de pelgrim behoorlijk zou ontvangen. Zelfs voor 'Iraqi uit Cairo was vertrokken, had de koning van Damascus hem al tot eerste sjeik van zijn stad benoemd en hij werd met groot enthousiasme door de plaatselijke bevolking begroet. Zes maanden nadat 'Iraqi in Damascus was aangekomen, kwam zijn zoon, Kabiroeddin, zich vanuit Multan bij hem vervoegen. Nadat 'Iraqi de leerstoel van Baha'oeddin had opgegeven, had de zoon van de sjeik hem opgevolgd, om op zijn beurt weer door Kabiroeddin te worden opgevolgd, die net zoals zijn vader aan de leerstoel had verzaakt. In een droom had hij bevel gekregen zich naar Damascus te begeven, en een andere droom hield voor zijn leerlingen de boodschap in dat zij hem moesten laten gaan.

Kabiroeddin leefde nog enkele maanden met zijn vader samen, tot 'Iraqi plots ernstig ziek werd. Hij viel in een koortsachtige slaap, die vijf dagen duurde. Op de zesde dag ontwaakte hij, riep om zijn zoon en zijn gezellen, en nam van hen afscheid met een kwatrijn waarin hij stelde dat de verordeningen van het lot, teruggebracht tot het Goddelijke principe, niet minder of niet meer zijn dan wat ons allen individueel toekomt.

'Iraqi dronk 'de schaal des levens uit' op 23 november 1289 en heel de stad rouwde om zijn dood. Zijn lichaam werd begraven in Salihiyyah, naast de graftombe van Ibn al-Arabi. Kabiroeddin werd tot zijn opvolger benoemd en toen hij op zijn beurt de fysieke kluisters losliet, begroef men zijn lichaam naast dat van zijn vader. Beide graven gingen verloren tijdens de restauratie van het graf van Ibn al-Arabi door sultan Selim. Niettemin zeggen de pelgrims nu nog, wanneer zij het graf van Ibn al-Arabi bezoeken: 'Dit was de oceaan van de Arabieren', daarna wenden zij zich naar de andere zijde en zeggen: 'Dit was de Oceaan van de Perzen.'

In tegenstelling met Ibn al-Arabi, die evenwel een van zijn grote bronnen van inspiratie was, schreef 'Iraqi geen ingewikkelde verhandelingen over gnostische onderwerpen. In Multan was hij begonnen met het schrijven van gedichten, meestal lyrische stukken, en kwatrijnen. Tegen het einde van zijn leven schreef hij 'Het lied van de geliefden', opgedragen aan de vizier die hem had geholpen aan de soldaten van Kangirtay te ontsnappen. Ook schreef hij enkele gedichten voor de familieleden van Parwanah te Sinope.

De 'Lama'at' is beslist zijn meesterwerk en wordt beschouwd als een van de voornaamste soefiwerken waarin de leringen van de gnosis worden weergegeven in de taal van de liefde.

Ahmed Ghazzali, de broer van al-Ghazzali, had dit het eerst gedaan met zijn 'Vonk van liefde', en Sjihaboeddin Soehrawardi was in deze stijl de tweede geweest met zijn werk 'Over de werkelijkheid van de liefde'.

De 'Lama'at' van 'Iraqi, het mooiste werk van deze soort in heel de Perzische letterkunde, heeft in PerziŽ en in India een lange traditie van dichterlijke verhandelingen geÔnspireerd.

De filosofische blik op het Oosten gericht verbindt immanentie en transcendentie, zodat het Goddelijke, op zich steeds onkenbaar, overal en altijd in alles wordt weerspiegeld.

Met het oog op het Westen en in het bijzonder op de platonische traditie, stelt het dat er een hele keten of ladder van liefde bestaat, gaande van de liefde voor de vormen tot de liefde voor het Goddelijke, de echte liefde, waar de schoonheid van de vorm opgaat in het Schone zelf, een van de Goddelijke namen.

De theologen hadden, aanvankelijk met tegenzin en schoorvoetend het woord 'mahabba', liefde, tot de woordenschat van de godsdienstige taal toegelaten omdat liefde het idee van 'gehoorzaamheid' inhoudt.
Fakhroeddin : blz 6
Tegen de tiende eeuw voelden de filosofen zich vrij genoeg om over 'hoebb'oedhri' te spreken, de platonische liefde, het kuise aanschouwen van het ideaal. Maar 'Iraqi shockeerde de orthodoxen, en zelfs enkele soefi's, door met nadruk het woord ''isjq', hartstochtelijke liefde, te gebruiken om te wijzen op de vurige hunkering van de ziel naar het Goddelijke. Hij geloofde dat de ziel zowel de ervaring van de scheiding van het Goddelijke als die van de eenheid ermee moest opdoen. Alleen wanneer de toegewijde spiritueel de tederheid van de scheiding kon smaken zou hij bereid zijn uit een alomvattend Godschouwen terug te keren naar de lijdende wereld om anderen te helpen.

In de islam is de fundamentele geloofsbelijdenis altijd de 'Sjahada' geweest, die begint met 'La ilaha illa Allah', 'Er is geen andere god dan Allah', wiens naam 'de (ene) God' betekent.

De 'Lama'at' van 'Iraqi is de uitwerking van zijn herformulering van de 'Sjahada': 'La ilaha illa'l-'isjq', 'Er is geen andere god dan liefde', een aforisme dat ook nu nog vaak door Turkse soefi's wordt gebruikt. (Vermoedelijk is deze paragraaf, zoals de voorgaande, ontleend aan 'Mystical Dimensions of islam', van Prof. Annemarie Schimmel, University of North Carolina Press,1975, p.137. Vert.)

'Verheven is de liefde boven de hunkering van de mens,
Verheven boven alle verhalen over zijn eenheid of scheiding;
Want dat wat zich boven de verbeelding verheft
Ontgaat eveneens aan alle metaforen en verklaring.'

'Iraqi beweerde niet dat zijn eigen intuÔtie voor het begrijpen volstond. Zijn 'Lama'at' was een antwoord op de leringen van Ibn al-Arabi; hij heeft in zijn leven twee leraren gevolgd en hij begon zijn werk met de aanroeping van Mohammed als het archetype van de Leraar. Als oorspronkelijke 'goeroe' van de soefi's zegt Mohammed in 'Iraqi's werk:

'In het paradijs van de godschouwing ben ik de zon:
Wees niet verwonderd dat elk atoom mij weerspiegelt.
...Ik ben het licht.
Alle dingen worden zichtbaar door mijn ontsluiering.
En van het ene ogenblik op het andere wordt mijn straling sterker.
De Goddelijke namen dragen in mij hun vrucht.
Kijk: ik ben de spiegel van de schitterende essentie.
Deze lichten, die in het Oosten rijzen uit het niets Zijn elk van hen mijzelf - en toch ben ik meer.

Indien de liefde, 'al-isjq', de Godheid zonder attributen is, worden zowel de minnaar als de geliefde ervan afgeleid, 'maar de liefde, op haar machtige troon, is van alle bestaansvormen gelouterd, in het heiligdom van haar werkelijkheid te heilig om door innerlijkheid of uiterlijkheid geraakt te worden'.

Maar de minnaar, wiens ziel gekeerd is naar het Goddelijke, en de geliefde, die de hoogste visie op het Goddelijke is, zijn spiegels voor elkaar. Het bestaan van de zichtbare en onzichtbare werelden is niets dan de manifestatie van liefde als licht.

Deze primordiale godschouwing of verschijning van het Goddelijke is tegelijkertijd de wetmatigheid van de natuur en de zelfbewuste verwerkelijking van de natuurwetten in de mens.
Fakhroeddin : blz 7
'De morgen van de manifestatie slaakte een zucht,
de bries van gratie ademde zacht,
lichte golven ontstonden op de oceaan van edelmoedigheid ... De minnaar, nu verzadigd door het water des levens, ontwaakte uit de sluimering van het niet-bestaan,
deed zich het kleed van het zijn om
en bond rond zijn hoofd de tulband van de contemplatie; hij trok de gordel van begeerte rond zijn middel en zette de voet van de oprechtheid op het pad van het zoeken.'

Er kan natuurlijk slechts ťťn uiteindelijke bron zijn.

Die eenheid, verheven zelfs boven het Ene wanneer dat wordt gecontrasteerd met twee, verplicht de minnaar te zoeken naar wat hij, in feite, 'is'. De spirituele zoektocht bestaat erin een reeks beelden of begrippen die men zich ervan maakt, eerst in de wereld en daarna in het bewustzijn, met meer leven te bezielen naarmate zij subtieler worden. Een voor een worden zij als onvoldoende voorstellingen van het doel neergehaald, tot zelfs de ideeŽn van 'zoeken' en 'doel' zijn voorbijgestreefd. De vraag 'Waar is de geliefde?' en de vraag 'Wie ben ik?' zijn dezelfde.

'Luister, uitschot.
Wilt gij het Al zijn?
Ga dan,
Ga, en word, niets ...
Droom nu maar niet dat deze draad
een valstrik is van dubbelzinnigheid:
Wortel en tak
Zijn slechts een.
Kijk dichter: alles is hij -
Maar hij wordt zichtbaar door mij.
Alles, dat 'mij', zeer zeker
Maar, 'door' hem.

Voor 'Iraqi wordt het Goddelijke door de beweging van wezens gemanifesteerd, want zij zijn de daden van het Goddelijke. Dit is de betekenis van de stelregel van Mohammed: 'Hij die zichzelf kent, kent zijn Heer.' Het is het Goddelijke in de mens dat liefheeft, waarneemt, aanroept en voltrekt.

Zo is de overtuiging van de zoeker het Goddelijke zelf in hem, en alle liefde, wat ook haar doel of beeld, 'is slechts een vleugje van jouw geur: geen andere kan het voorwerp van mijn liefde zijn'.

De soefi begrijpt dat iemand of iets anders lief te hebben dan het Goddelijke geen kwestie van goed of kwaad is, maar een onmogelijkheid. Het besef dat liefde niet slechts door alle dingen heen stroomt, maar alle dingen is, is de wortel van het geestelijk besluit de geliefde te zoeken in elke hindernis, in iedere test of beproeving; die liefde is de bron van moreel gedrag en de grond van alle betekenis.

Niettemin is de geliefde altijd groter dan de spiegel die de minnaar is. 'Hoe is het mogelijk betekenis samen te persen in het dwangbuis van de vorm?' Zelfs de lichtende en schaduwrijke sluiers, volgens sommigen zeventig duizend, tussen het Absolute en de mens, verblinden en misleiden alleen hem die zich aan de vorm hecht in plaats van aan de betekenis.

'Gij zijt verborgen voor de wereld
in uw manifestatie zelf ...
Verborgen, vertoond,
Beide samen;
Gij zijt 'noch dit', 'noch dat' -
Toch beide tegelijkertijd.'

Fakhroeddin : blz 8
De sluiers van differentiatie die de alles overstijgende eenheid van het Goddelijke schijnen te verbergen zijn slechts de Goddelijke namen en attributen waardoor Het handelt, aan wezens het bestaan verleent. Zij zijn de intelligente, Scheppende machten van de manifestatie.

'Let wel: als deze sluiers niet meer dan menselijke eigenschappen waren, zouden zij tot niets worden verbrand...

Maar in feite gebeurt dit nooit; het visioen verbrandt ze niet, en ook houden zij niet op ons schouwen te verhinderen.

Daarom kunnen deze sluiers niet menselijk zijn,

maar moeten zij Goddelijk zijn, Gods namen en attributen: lichtende, zoals manifestatie, welwillendheid, en schoonheid; duistere, zoals ongeopenbaardheid, onderwerping, en majesteit -

Maar de godsverschijning van de essentie zelf handelt vanuit de achterkant van de sluiers die namen en attributen zijn ...

Uiteindelijk is hijzelf zijn eigen sluier, want hij is verborgen door de intensiteit van zijn manifestatie en verduisterd door de macht van zijn licht.'

'Iraqi vindt in de wiskunde analogieŽn om aan te tonen wat men moet doen om naar de geliefde te gaan. Daar het Goddelijke ťťn is en het individu er een volmaakte spiegel voor moet worden, moet ook het individu ťťn worden. Meetkundig uitgedrukt moet hij een sfeer worden, congruent met de sfeer van het Goddelijke.

'De Werkelijkheid is een sfeer: waar je ook je vinger plaatst, daar is haar centrum.' Dit is de cirkel, waarvan het middelpunt overal is en de omtrek nergens.

'Onze verven en tinten zijn slechts opinies en fantasieŽn. Hij is kleurloos en zijn schakering is het die we moeten aannemen.'

Als er geen spirituele zon van manifestatie was, zouden er geen schaduwvormen zijn, want schaduwen kunnen in de Goddelijke duisternis niet bestaan.

En toch, wanneer de zon overal ten volle schijnt, zijn er ook geen schaduwen. Dit is de paradox van onze oorsprong en ons doel. De stadia van de weg naar het doel, de oplossing van de paradox, worden getekend door het feit dat hoe meer wij liefhebben, wij des te meer naar liefde smachten. Het is alsof men zeewater drinkt: hoe meer men drinkt, des te groter de dorst. Wat we nodig hebben is armoede in de ziel, want dezelfde wind die de kaars van de rijke uitblaast, zal het smeulend houtvuurtje van de bedelaar aanwakkeren.

En als de minnaar de vereniging bereikt, zal het uitwissen van de scheidingslijn een spoor nalaten, een herinnering aan de liefelijkheid van de hunkering naar liefde, en de minnaar zal bereid zijn naar de wereld terug te keren, nu gekleed in Goddelijke tinten, gewassen van aardse kleur, om diegenen te helpen voltooien die nog in het schemerlicht van de onwetendheid vertoeven. Uiteindelijk zal de minnaar hoop in zich voelen, want 'hopeloosheid is geenszins verplicht', en deze hoop kan zich uitbreiden tot een diepe en onwankelbare hoop voor het heil van de hele mensheid.

De uiteindelijke vereniging van de minnaar en de geliefde lost beiden op, en alleen de Godheid blijft. Dit is de wijze waarop de soefi de zin begrijpt, 'Er is geen andere god dan God' - en niets dat reŽel is, behalve het Goddelijke. Heel zijn leven lang streefde 'Iraqi ernaar dit ene idee te realiseren, en wat ook zijn uiteindelijke realisatie moge zijn geweest, iedere dag heeft zijn overtuiging en zijn geestelijk besluit gesterkt om voort te gaan op het pad dat de ladder van liefde is, de brug tussen de aarde en het onbegrijpelijke Goddelijke.

'Wanneer de minnaar de schoonheid van de geliefde
aanschouwt in de spiegel van de vorm,
worden smart en genot geboren,
treurnis en vreugde wisselen elkaar af,
vrees en hoop ontmoeten elkander,
samentrekking en uitzetting volgen opeen.
Maar wanneer hij de gewaden van vorm wegscheurt
en in de oceaan van de alomvattende eenheid duikt,
kent hij geen marteling of zaligheid meer,
verwachting of vrees, hoop of wanhoop,
want deze zijn het gevolg van verleden en toekomst,
en nu verdrinkt hij in een zee
waaruit de Tijd verbannen is,
waar alles het nu van het nu is.'

Vertaald uit 'Hermes' juli 1983, Jaargang IX, pp.325-335, uitgegeven door Concord Grove Press, Santa Barbara, California, U.S.A.
Ramůn Llull 1991-8 : blz 1
Ramon Llull
INLEIDING

De redactie van deze GLT-reeks heeft steeds de bedoeling gehad personen voor het voetlicht te brengen die op ťťn of andere manier van (grote) betekenis zijn geweest voor de Theosofische Beweging in de loop der eeuwen.

Tot zover geen probleem; de moeilijkheden ontstaan echter als we ons gaan bezighouden met mensen als Ramůn Llull. Het is welhaast onmogelijk om leven, streven en het gedachtegoed van iemand als hij in een relatief klein artikel weer te geven. Als we dan nog bedenken dat hij toch tamelijk onbekend is, valt het dubbel moeilijk om in zo'n kort bestek iemand te beschrijven die zelf een uiterst bewogen leven heeft geleid en zoveel heeft geschreven over zoveel uiteenlopende onderwerpen.

Om u alvast een idee te geven: hij schreef tegen de 300 werken waarvan er 250 bekend, doch vele nog onuitgegeven zijn.

We zullen ons in dit artikel baseren op een aflevering verschenen in Hermes VIII, 7 en het werk van Anthony Bonner: 'Selected Works of Ramůn Llull' een 1600 pagina's tellend werk.

Het is niet alleen zo dat Ramůn Llull zoveel heeft geschreven, er is ook zoveel over hem en zijn werk geschreven. Alles te citeren gaat het kader van dit artikel ver te buiten.

We zullen niet meer dan een 'snapshot' kunnen maken zoals met een vooroorlogs 'boxje' met oude film en een vuile lens.

LEVEN EN HISTORISCHE ACHTERGROND

Ramůn Llull is in vele opzichten een verbazingwekkende figuur. Gedurende zijn lange leven (van 1232 tot ca. 1316) ontwikkelde hij zoveel punten die onze aandacht vragen dat het ons verwart.

Hier volgen enkele van zijn hoedanigheden: hij was een christelijk filosoof in de neoplatonische traditie; hij was de eerste grote mysticus op het Iberische schiereiland; hij was de eerste Europeaan die novellen schreef met eigentijdse thema's.

Hij gebruikte de eigen landstaal (het Catalaans) en de romance om over theologie te discussiŽren. En dit gold ook voor filosofische en wetenschappelijke onderwerpen; hij legde mede de basis voor de Catalaanse literatuur; hij was een missionaris; hij was een verdediger van het christelijk geloof; hij was de stichter van een school voor oosterse talen; en tenslotte was hij de uitvinder van de 'Ars', een complex systeem, gebruikmakende van semi-mechanische technieken gecombineerd met een manier van symbolische notatie en combinatiediagrammen.

Achter dit alles schijnt er een paradox te bestaan, namelijk die van een figuur komende van een klein eiland in de (W.-)Middellandse Zee, Mallorca (wat nu wordt beschouwd als een minderheidscultuur), welke figuur ťťn van de meest universele systemen ontwikkelt, dat hij aanbiedt aan pausen, koningen, sultans en universiteiten in Spanje, Frankrijk, ItaliŽ en Noord-Afrika gedurende zijn leven.

Dit bracht hem buitengewone roem door geheel Europa in de Renaissance; maar ook verdenkingen van ketterij.

Het is misschien nuttig een korte schets te geven van het eiland Mallorca in die dagen omdat Ramůn Llull er tenslotte de helft van zijn lange leven doorbracht.

De sociale structuur van Mallorca was verschillend van die van het moederland CataloniŽ. Kolonisten kwamen uit geheel CataloniŽ en zelfs vanuit Aragůn alsook uit Montpellier, Marseille en andere delen van Zuid-Frankrijk

Er waren ook belangrijke gemeenschappen van handelaren uit Genua en Pisa. Moslims maakten ongeveer een derde deel uit van de bevolking van het eiland. De meesten waren slaven als gevolg van de recente verovering van het eiland door koning Jacobus I, terwijl anderen daar door slavenhandelaren waren ingevoerd.
Ramůn Llull 1991-8 : blz 2
Er waren echter ook nog een beperkt aantal vrije moslims die werkzaam waren als handwerkslieden, kleine handelaren en pachters.

Numeriek een duidelijke minderheid, maar zeer belangrijk op het economische, financiŽle en handelsvlak waren de joden.

Zij waren hoogst belangrijk voor de kroon als een bron van belastingen en als bankiers. Want deze joden hadden een grote kennis van zowel de christelijke als de islamitische werelden en hun respectieve talen. Zij waren de ideale ambassadeurs voor de Catalaanse koning in Noord-Afrika. Tenslotte waren zij ook nog de intermediairs in de goudhandel tussen tropisch Afrika en Mallorca.

Mallorca nam in die dagen een excellente plaats in bij het scheepsverkeer. Kort na 1280 ging men zelfs op Engeland varen via de Straat van Gibraltar. De eerste bekende datum hiervoor refereert aan een Genuese galei, handeldrijvende met Vlaanderen in 1277-78.

De lezer moet echter niet denken aan een modern beeld van een zonnige, altruÔstische co-existentie van de diverse rassen en religies. Alles in de middeleeuwen was van een sterk contrast. CommerciŽle rivaliteit was scherp, piraterij was aan de orde van de dag. De relatie tussen onderdrukker en onderdrukte was van een openhartige wreedheid, en tolerantie een zaak van economische interesse of een momenteel evenwicht van de machtsverhoudingen.

Ramůn Llull werd geboren in 1232 of in het voorjaar van 1233 in de stad Ciutat de Mallorques (het latere Palma) op het eiland Mallorca. Zijn vader, die eveneens Ramůn heette, was juist drie jaar tevoren op Mallorca aangekomen met de veroveringslegers van koning Jacobus I.

Het is waarschijnlijk dat de oorspronkelijke familienaam Amat was en Llull een soort scheldnaam of bijnaam die het aanvankelijke Amat verving. De oudcatalaanse spelling was Ramůn Lull of Luyl; in Latijnse bronnen wordt gesproken van Raymundus Lul, Lullus of Lullius.

Deze laatste vorm is dan weer de bron voor het Spaanse Raimundo Lulio en het Engelse Raymond Lully. In de Franse literatuur is de naam Raymond Lulle gangbaar. Men is er niet zeker van of de familie van adel was dan wel van de klasse der kooplieden, maar de gronden die aan de vader werden geschonken na de bezetting, en de latere positie van de zoon aan het hof, maken het aannemelijk dat ze van adellijke afkomst waren.

Ramůn Llull werd dus geboren in een familie die luxe en rijkdom gewend was, bekend in koninklijke kringen en omringd door diverse culturen en religies.

Lang nadat de controle over Mallorca in christelijke handen was overgegaan, verkregen de moslims een meerderheid voor wat de bevolkingssamenstelling betreft en dat zal dus zijn invloed hebben gehad op het maatschappelijk leven.

Verscheidene eeuwen hadden christenen, moslims en joden samengeleefd op een min of meer pragmatische wijze. Terwijl de mystiek der soefi's in AndalusiŽ floreerde, werd de kabbala door geheel Spanje en Noord-Afrika bestudeerd, uitgelegd en beschreven.

Ramůn Llull groeide op te midden van deze diversiteit, ontving de opvoeding van een edelman respectievelijk hofknaap.

Anthony Bonner merkt hierover op dat deze opvoeding nu niet de geschikte opleiding was die men zou wensen met het oog op de intellectuele kant van zijn latere levensloop. Het schijnt dat hij liederen heeft geschreven voor troubadours -oorspronkelijk Provencaalse minnezangers- en verbonden was aan het hof van Jacobus I en meer speciaal dit van zijn zoon, de toekomstige Jacobus II, die tien jaar zijn leerling was.

Later zal Ramůn Llull op dit leven terugzien als losbandig en wuft. In elk geval is het zo dat zijn positie als hoveling het hem mogelijk maakte veelvuldig te reizen door onder andere Aragůn, CataloniŽ, CastiliŽ, Valencia en Frankrijk, en kennis op te doen van de toenmalige wereld om hem heen.
Ramůn Llull 1991-8 : blz 3
In 1257, hij was toen vijfentwintig jaar, huwde hij Bianca Picany en werd vader van twee kinderen, DomenŤc en Magdalena.

Hij bleef zijn (koninklijke) reizen voortzetten en was mede daardoor in staat op dezelfde voet verder te gaan met zijn activiteiten, zich niet gebonden voelend door zijn huwelijk.

Zijn huis was in hoofdzaak een basis voor zijn avontuurlijke ondernemingen. Zijn luxe en hedonistische (genotzuchtige) levensstijl zette hij voort tot zijn dertigste levensjaar. We weten nog dat hij in die tijd werd benoemd tot hofmaarschalk (dit is administratief hoofd van de koninklijke huishouding van de toekomstige Jacobus II van Mallorca).

Dit is zowat alles wat we weten van meer dan een derde van Ramůn Llulls lange leven. We stipten het al aan, Ramůn Llull zou hierop niet met welbehagen terugzien. Weliswaar leerde hij veel omtrent de samenleving en de politiek van die tijd, maar zijn belangrijkste bezigheid was het bekoren en vermaken van (mooie) vrouwen en dit niet alleen met zijn attenties en liederen. Zijn inspanningen op dit zeer stoffelijke gebied werden zo regelmatig gehonoreerd dat zelfs zijn vader, die zeer tolerant was, zich zorgen maakte over de doelloosheid van het leven dat zijn zoon leidde.

Op een avond was hij druk doende een liefdeslied te componeren voor de een of andere dame voor wie hij een hopeloze liefde koesterde en die hem zeer bekoorde. Afwisselend schreef hij de dichtregels neer en neuriede de melodie. Plotseling verscheen er voor zijn geestelijk oog een overweldigend beeld van de gekruisigde Christus die voor hem in een lege ruimte hing. Geschrokken en verdoofd wierp hij zich op zijn bed en viel in een diepe slaap. De volgende avond wilde hij zijn lied van de vorige avond voltooien toen opnieuw het visioen verscheen. Hij kon er echter niet toe komen om lering te trekken uit dat wat zo levendig in de lucht stond geŽtst, want vier nachten op een rij herhaalde het beeld zich met onverminderde en dwingende helderheid. Tenslotte, gaf Ramůn Llull zich over; terwijl de wederwaardigheden van de rest van zijn leven nog een aanvang moesten nemen, was de strijd in zijn ziel gestreden. De boodschap was begrepen. De ongebonden liefde die hij had verkwist op een zeer wereldse wijze, was van nu af aan gewijd aan de Heer.

Ramůn Llulls liefde voor het leven (in al zijn aspecten) rijpte in een niet te breken idealisme en maakte van hem iemand met een niet te schokken optimistische kijk op en houding tegenover het leven. Besloten zich te wijden aan geestelijke zaken, vroeg hij zich af op welke wijze hij zich dienstbaar zou kunnen maken. Overtuigd dat het goddelijke licht al diegenen omvat die het zoeken, ging zijn belangstelling uit naar een wijze van leven die een voortdurend offer zou zijn en gericht op een uiteindelijke verlossing.

Dit offer was in zijn ogen zijn eigen persoonlijkheid. Hij besloot een missionaris te zijn die het pad van het geloof ging en dat zelfs zou kunnen leiden tot martelaarschap als een uiterste consequentie.

Hoewel Ramůn Llull bereid was zijn leven voor zijn Heer te geven, zag hij geen nut in het oproepen van tegenstellingen met diegenen die niet zijn geloofsovertuiging deelden. Zoals Franciscus respecteerde hij elk mens als een ziel en zag in het onderwijzen en verklaren de ware verwezenlijking van de christelijke getuigenis.

Liever dan te vluchten in een soort glorieuze vervoering wilde hij een baken van de waarheid zijn; de waarheid zoals hij die zag. Bij nader inzien vond hij het vreemd dat de meeste orden zich binnenwaarts hadden gekeerd en bij voorkeur voor 'eigen parochie' preekten in plaats van de wereld in te gaan met 'het goede nieuws'.

Ramůn Llull was onder de indruk van de werkwijze der dominicanen, maar emotioneel voelde hij zich meer aangetrokken tot de ietwat primitieve franciscaanse geestelijkheid; de belaagde minderheid die zich loyaal hield aan de regels zoals die door Franciscus waren vastgelegd.

Als toelichting kunnen we hierbij opmerken dat Franciscus bij zijn tijdgenoten maar weinig gehoor vond. Wat zij niet konden bevatten was Franciscus' toewijding aan de christenheid, zijn onderdanigheid aan de kerk en zijn onvoorwaardelijk respect voor de mensen als zielen. Ramůn werd zeven jaar na de dood van Franciscus geboren ....
Ramůn Llull 1991-8 : blz 4
Een van zijn eerste daden om zijn geloof uit te dragen, ongeacht de consequenties, was dat hij zich zette aan het schrijven van een reeks boeken die een ontzagwekkende reeks zouden gaan vormen. Deze boeken moesten aan elke open geest de fundamentele waarheden aantonen van het christendom. Tevens besloot hij colleges te stichten ter opleiding van missionarissen die op een eerlijke manier hun overtuiging zouden kunnen uitdragen. Zijn bescheidenheid blijkt uit het feit dat hij zich op datzelfde moment niet bepaald goed voorbereid vond en niet geschikt om zulk een ernstig werk aan te vatten.

Drie maanden na zijn ervaringen die zijn leven zouden veranderen woonde Ramůn een viering bij van het zojuist ingestelde feest van Franciscus. Hierbij was een prediker aanwezig die getuigde van zijn totale overgave aan de Heer en de verloochening van alle bezittingen. Indien er al sprake van was dat Ramůn in de verleiding was om in twee werelden te (blijven) leven, de geestelijke en de wereldlijke, deed die preek die verleiding verdwijnen.

Hij keerde naar huis terug, en reserveerde voldoende middelen om voor zijn vrouw en kinderen hun levensonderhoud te verzekeren.

Hij verkocht zijn overgebleven bezittingen en verdeelde de opbrengst onder de behoeftigen. Om de totale breuk met het verleden te symboliseren kleedde hij zich in het gewaad van een pelgrim en verliet Mallorca. Hij besteedde een aantal jaren aan het bezoeken van heilige en gewijde plaatsen zoals bijvoorbeeld de kerk gewijd aan St. Jacobus te Santiago de Compostela, de kerk die ooit was bezocht door Franciscus. Waarschijnlijk werd ook Montserrat door Ramůn bezocht.

Ten tijde van zijn terugkeer naar huis zette hij zijn zinnen op het aanleren van Arabisch en Latijn. Gedurende een negental jaren deed hij weinig anders; zijn buitengewone kennis en taalvaardigheid werden slechts geŽvenaard door zijn toewijding en de intensiteit van die studie.

Gekleed in de ruwe kleding, zoals dat bij de franciscanen gebruikelijk was, verbaasde hij zijn toenmalige mede-edelen die zijn verandering van levenshouding als een dwaasheid beschouwden. Zijn intensieve studie van het Arabisch werd afgekeurd door de kerkelijke hiŽrarchie. Van de plaatselijke moslims waren er sommigen geÔmponeerd, anderen waren verontrust omdat dit als een infiltratie werd gezien.

Gedurende deze negen jaren hield hij zich diepgaand bezig met de islamitische spiritualiteit en meer in het bijzonder met de Andalusische soefi-tradities en met de joodse kabbala.

Hij was veertig jaar oud toen hij zichzelf in staat achtte God en de mensheid waardig te dienen. Wel wat laat om een missionaris te worden maar bekwaam in Latijn, Arabisch en Catalaans.

Gedurende zijn jaren van studie was zijn blik vaak gevangen door de berg Randa die, met zijn vreeswekkende aanblik, de horizon domineerde. Het werd voor hem het symbool voor 'de berg van de Geliefde'.

Op een dag beklom hij de hellingen en ontdekte een kleine grot vlak bij de top van de berg. Daar zat hij neer in contemplatie en gebed, hopende op een aanwijzing of leidraad met betrekking tot zijn toekomst. Op de zevende (sic!) dag, zoals hij later in zijn biografie zou schrijven, toen hij verdiept was in contemplatie, zijn ogen gericht op de hemel, overkwam hem een Goddelijke verlichting die hem vorm en inhoud aangaf van de boeken die hij in gedachten had gericht tegen de fouten van de 'ongelovigen'.

Onmiddellijk hierna daalde hij de berg af en begon met zijn schrijfwerk. Hij schreef, onder vťťl meer, het indrukwekkende boek 'Ars major' genoemd. Dit is een ondertitel van het eerste werk van de 'Ars compendiosa inveniendi veritatem' (Handleiding voor het vinden van de waarheid). 'Ars generalis' is een algemene naam die Ramůn vanaf 1294 gebruikte. Hij schreef dit boek in het Catalaans onder de oorspronkelijke titel 'Art abreujada d'atrobar veritat (ook wel vertaald met: 'De kunst van het vinden der waarheid'). Hij vertaalde dit werk eveneens in het Latijn.
Ramůn Llull 1991-8 : blz 5
Hij vatte de logica samen van al-Ghazali; een werk dat handelde over de meetkundige symboliek van de kabbala en het drie-eenheidaspect van het platonische christendom.

Ramůn ontwikkelde een algebraÔsche en analogische methode voor het aantonen van geestelijke en filosofische waarheden. Erkennende dat de Godheid op zichzelf niet kan worden gekend en volstrekt niet manifest is, gelijk aan Ain-Soph van de kabbala, stelde hij dat de goddelijke manifestatie begint met negen waardigheden of attributen van God. Deze corresponderen met de sefiroth van de kabbalistische levensboom en de 'hadras' (waardigheden en goddelijke namen) van de islam, zoals dat werd ontwikkeld door ibn Massara en al-'Arabi.

Ramůn voerde de fundamentele waardigheden ten tonele in zijn 'Ars combinatoria'; zij konden worden gecombineerd met relatieve eigenschappen en dat met wiskundige precisie.

Hij trachtte aan te tonen dat sommige combinaties zeer goed mogelijk zijn en andere helemaal niet. Ramůn was ervan overtuigd dat er zoveel gemeenschappelijks was in het christendom, de islam en het jodendom, dat als men hiervan uitging het mogelijk moest zijn alle oprechte denkers naar het christelijk perspectief te leiden. Hij ging er hierbij van uit dat hij hen, die hij wilde overtuigen, met respect moest benaderen. Hij nam van hen vrijmoedig de regels van het redeneren, disputeren, verhalen en parabelen over en zelfs hun terminologie.

Evenals Franciscus verblindde hij zichzelf niet met christelijke dogma's noch ontbrak het hem aan onderscheidingsvermogen voor de bedenkelijke kanten van het christendom.

Ondanks die opvattingen was hij van mening dat de mensheid de speciale leerstellingen aangaande de drie-eenheid en de incarnatie zou moeten aanvaarden.

Historici en geleerden worden dikwijls kopschuw als ze worden geconfronteerd met de duidelijke paradox van een omvattende tolerantie samenvallend met een leerstellige overtuiging;

Ramůn is hierop echter een duidelijke uitzondering. Gegeven Ramůns veelvuldige kritiek op de politiek der kerk en priesterlijke fouten en misbruiken, mag men verwachten dat, binnen het raamwerk van theologisch taalgebruik, hij uit zou gaan van universele leerstellingen; speciaal wilde hij aantonen dat de Godheid zich manifesteert door een creatieve triade (die toch geheel transcendent blijft) en dat deze Godheid rechtstreeks binnentreedt om de mensheid bewust te doen worden van hun geestelijke mogelijkheden. Ramůns idee van het Goddelijke is er ťťn van een zekere vertrouwelijkheid, maar niet persoonlijk op een of andere antropomorfische wijze.

De waardigheden, die hij van tijd tot tijd wijzigt in hun aspecten, zijn in het algemeen als volgt weergegeven: 'bonitas' (goedheid), 'magnitudo' (grootheid), 'eternitas' (eeuwigheid), 'potestas' (macht), 'sapientia' (wijsheid), 'voluntas' (wil), 'virtus' (deugd), 'veritas' (waarheid), 'gloria' (glorie).

Terwijl zijn werk 'Ars magna' (Grote kunst) is gewijd aan de kunst(methode) van het aantonen op het intellectuele vlak van het zoeken naar waarheid, is het op het vlak van 'voluntas' of de wil, een manier om de wil te trainen de waarheid lief te hebben, en op het vlak van 'memoria' is het de kunst van de herinnering.

In eerste aanleg hoopte Ramůn dat de dominicanen zijn 'kunst' der herinnering wilden aannemen; zij verwierpen dit echter ten gunste van hun eigen verworvenheden. Hun kunst (methode) stamde uit de traditie der retoriek die zich bediende van architecturale metaforen.

Men diende dan bijvoorbeeld een theater op zo'n manier gebouwd te zien, dat zijn inwendige verhoudingen, afmetingen en versieringen konden worden gebruikt om argumenten en conclusies 'op te slaan' door een spreker in een debat. Terwijl hij disputeerde over leerstellingen en theses kon zijn (geestelijk)oog die punten van de constructie van het gebouw oppikken die hij had geassocieerd met die leerstellingen en theses.
Ramůn Llull 1991-8 : blz 6
Deze bedrevenheid hielp dan de spreker om zich zijn argumenten en bewijsgronden te herinneren.

Ramůns methode was van een geheel andere orde. Men diende over de waardigheden te mediteren en wel zolang dat men duidelijk hun karakter, aard en betekenis inzag. De symbolische wisselingen der waardigheden en hun relatieve eigenschappen zouden helpen om zich de eeuwige waarheden en hun toepassingen te herinneren. Zo de retorische techniek een kunst der herinnering was, bediende Ramůn zich van de methode der platonische overpeinzing en herinnering. De franciscanen verwelkomden deze methode evenals in later tijd, gedurende de Italiaanse Renaissance, Pico della Mirandola, Nicolaas van Cusa en Giordano Bruno dit zouden doen.

Samenvallend met het beŽindigen van zijn eerste grote werk riep Jacobus II Ramůn naar Montpellier om hem zijn geschriften te laten lezen. De werken werden kritisch onderzocht door verscheidene franciscanen die tot een positieve conclusie kwamen en vol lof waren. Terzelfder tijd werd Jacobus II koning van Montpellier en Mallorca doordat zijn vader was gestorven. We schrijven dan 1276.

Vrijwel direct hierna trok Ramůn voordeel uit deze wisseling der macht. Hij wist Jacobus II te overtuigen tot het stichten van een college en wel te Miramar in het noordwesten van Mallorca. Het kreeg als doel en taak het opleiden van missionarissen en het lesgeven in de Arabische taal. Dit geschiedde en dertien broeders (bedelmonniken) werden de bewoners - dit getal was symbolisch en stond voor Jezus en de twaalf apostelen Het college floreerde totdat Pedro (Peter), koning van Aragůn, het eiland bezette voor eigen doeleinden.

Zodra Miramar was gevestigd reisde Ramůn naar Rome om de paus steun te vragen voor de missie. Echter, juist voor hij arriveerde, stierf paus Johannes XXI en een langdurige strijd om de opvolging begon. Liever dan de gebeurtenissen af te wachten reisde Ramůn rond en maakte contacten in diverse gebieden en plaatsen.

Indirecte getuigenissen suggereren dat zijn reizen zich uitstrekten tot Turkije, Egypte en zelfs AbessiniŽ. Na zo'n vijf jaar keerde hij naar huis terug om zijn werken in het Latijn te vertalen en brieven en traktaten te schrijven over allerhande onderwerpen en in fenomenale aantallen voor die tijd.

En alsof dit al niet genoeg was, schreef hij ook nog een groot religieus werk genaamd 'Blanquerna'. Het was de eerste grote Europese roman en het eerste grote literaire werk geschreven in een gewone spreektaal - het Catalaans Het was tevens het eerste grote werk in de Catalaanse literaire traditie. Ramůn Llull ging hiermee aan Dante, Froissart, Chaucer en Cervantes vooraf die later op hun gebied (in dubbele betekenis) zouden volgen.

'Zeg eens dwaas, waarom bezit ge zo'n grote liefde?'

Blanquerna antwoordde: 'Omdat de reis lang en gevaarlijk is bij het zoeken van mijn Geliefde, ik moet Hem zoeken terwijl ik een grote last draag en mijn reis spoed vereist.

Geen van deze dingen kan volbracht worden zonder grote liefde.'

Blanquerna, wiens naam het verhaal draagt, verlaat zijn ouders en trekt de wereld in met de bedoeling daarin als een kluizenaar te gaan leven. In een betoverd woud ontdekt hij een prachtige zaal waarin de tien geboden zitten te treuren om de dagelijkse ongehoorzaamheid der mensheid.

Na enige tijd ontmoet hij ook geloof en waarheid, hun zuster devotie en broer begrip.
Ramůn Llull 1991-8 : blz 7
Hij vindt een klooster waar hij ten slotte de abt wordt wegens zijn succesvolle werk bij het hervormen van de kloostergemeenschap. Hij wordt verkozen tot bisschop en organiseert zijn zetel volgens de principes van de acht zaligheden. (In het rooms-katholiek spraakgebruik de acht zaligheden; in het algemeen christelijk: de zaligsprekingen (proclamaties van te verwachten heil)).

Wanneer hij tot paus wordt verkozen, heiligt hij de gehele wereld en hervormt de kerk grondig. Hierna doet hij van alles afstand en trekt zich terug als een kluizenaar om te streven naar goddelijke verlichting en dit door successievelijke trappen van meditatie. Vruchten plukkend van zijn moeizaam verkregen ervaringen en inzichten schrijft hij het boek 'Kunst der contemplatie' en 'Het boek van de minnaar en de Geliefde'. Ieder op zich een zelfstandige verhandeling op geestelijk gebied. Het verhaal is een mengeling van realiteit en allegorie. Terwijl er gemakkelijk te herkennen ridders in voorkomen die genoemd worden: 'Zonder-zorg' en 'Wat-zal-men-er-van-zeggen', beschrijft het ook Ramůon als de 'Dwaas der liefde', verschijnende voor Blanquerna, de paus. Ramůn vertoont zich hier als dwaas omdat hij de troubadour van de Godheid is.

'0 Geliefde', zegt de minnaar, 'Ik kom naar U, en ik wandel in U, want U riep mij.'

'Gij, 0 mijn Geliefde, zijt zo groot en volmaakt dat Gij alomtegenwoordig zijt en eenieder van ons geheel in zich kan opnemen; wie zichzelf aan U geeft.'

In 1285 gaat Ramůn naar Rome en haalt de nieuw gekozen paus Honorius IV over om scholen te vestigen in Parijs en Rome voor het geven van onderricht in het Arabisch en aanverwante talen. Ramůn reist verder naar Genua en vindt daar een boot met bestemming Tunis. Hoewel hij toegeeft bevreesd te zijn, scheept hij zich in voor een missie naar de 'ongelovigen'. In Tunis gaat hij het debat aan met geleerde moslims en wel met zo'n succes dat hij de aandacht trekt van een hem niet welgezinde kalief of sultan Abu-Hafs (1284-95).

Deze veroordeelt hem tot de doodstraf maar dit vonnis wordt gewijzigd in verbanning. Hij wordt op zijn tocht naar de haven gestenigd en op een boot gezet met bestemming Genua. Zijn terugkeer in Rome viel samen met de verhalen over de Mongoolse invasie in het oosten die nu ook de Europese oren bereikte. Ramůn zag in dat, als de moslimlanden zich over zouden geven en onder het juk der Mongolen zouden komen, Europa open lag voor een macht die zeer wel in staat zou zijn om het christendom te vernietigen.

Hij schreef, gaf lezingen, preekte en pleitte voor het houden van een kruistocht, die niet zou veroveren of aanspraken maken op land, maar zou bezetten en bekeren. Want, indien de drie monolithische geloven (christendom, islam en jodendom) konden worden samengebracht onder de banier van de universele religie, zouden zij onoverwinnelijk zijn in broederschap.

Ramůn zag in zijn verbeelding een unie van afdelingen militaire orden onder het gezag van een koning, die aldus Europa zou verenigen en zou regeren met de begeleiding van een ware paus -geestelijk vader- die de kerk had gezuiverd en de geestelijke harten der mensheid had doen ontwaken.

Zoals Plato in de 'Republiek' gaf Ramůn vorm aan een utopisch ideaal en begon vervolgens te werken aan praktische stappen om dit doel te bereiken. Ramůn vond echter geen welwillend gehoor voor zijn ideeŽn. De koning van Frankrijk en de keizer van het Heilige Roomse Rijk waren verwikkeld in hun eigen politieke avonturen, terwijl ook de paus niet was geÔnteresseerd.

In plaats van het op te geven schreef hij een boek waarin hij argumenteert met een pessimistische kluizenaar die hij kan overhalen tot zijn standpunt dat 'de waarheid kan worden aangetoond en bewezen.'

Rond deze tijd sloot hij zich aan bij de derde of lekenorde der franciscanen die hem door de jaren heen zo dierbaar waren geworden. In 1295 schrijft hij zijn massieve boek 'Boom der Kennis', een boek vol van voorbeelden en verschillende soorten instructies. (We kunnen hier niet verder op ingaan vanwege de beperktheid die we onszelf hebben opgelegd. Red.)

Ramůn is in 1297 te Parijs in debat met de averroÔsten. Dit waren professoren die de leringen van Aristoteles brachten, zoals die werden gezien door AverroŽs, met platonische aspecten. Ramůn had al verschillende keren Parijs bezocht en bij elke volgende gelegenheid was hem meer eer betoond.
Ramůn Llull 1991-8 : blz 8
Deze keer ontmoette hij Duns Scotus die hem zijn hoogachting betoonde; ook werd Ramůn de eretitel doctor illuminatus verleend. Hij werd formeel bevestigd in de graad van meester en zijn werken werden geaccepteerd voor onderwijsdoeleinden. Hij doorkruiste Europa opnieuw om aanhangers te vinden voor zijn 'Ars' (het vinden van de waarheid) en tegelijkertijd nog een aantal vereenvoudigde boeken te schrijven; die de 'Ars' meer toegankelijk zouden kunnen maken voor de gemiddelde man of vrouw.

In 1307 verliet hij Parijs op weg naar Bougie, ten oosten van Algiers. Opnieuw begaf hij zich in het publieke debat, werd gearresteerd en gevangen gezet. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij verscheidene boeken in het Arabisch en het schijnt dat hij enkele medegevangenen tot zijn zienswijze kon overhalen of bekeren. Hij werd tenslotte weer verbannen en aan boord van een schip gebracht met bestemming Pisa. Vlak voor de haven van Pisa zonk de boot in een plots opgestoken storm.

Tussen de weinige overlevenden werd Ramůn aangetroffen, nu vijfenzeventig jaar oud. Al zijn boeken die hij met zich had meegenomen, waren verloren gegaan maar hij herschreef ze; puttend uit zijn geheugen.

In 1311 spoorde hij de Raad van Vienne aan om in vijf centra leerstoelen te creŽren voor Hebreeuws, Arabisch en Chaldeeuws. Alhoewel hij daarna nog actief bleef, verduistert de hagiografie de rest van zijn leven. Mogelijk reisde hij in 1314 opnieuw naar Tunis alwaar hij een aantal werken schreef en opdroeg aan de koning van Tunis. De legende dat hij daar zou zijn gemarteld, berust vermoedelijk op vervalste documenten. Het schijnt dat hij naar Mallorca terugkeerde in het voorjaar van 1316 en daar is gestorven. (FrŤre vermeldt de data december 1315-25 maart als reistijd en overlijdensdatum.)

We zeiden het al eerder ... Ramůn Llull is een te veelzijdig en groot mens geweest om zo bondig te kunnen samenvatten. Zijn veelzijdigheid veroorzaakte ook veel verwarring. We moeten bedenken dat wanneer Ramůn schreef over filosofie, het niet de filosoof was die schreef en wanneer hij schreef over wetenschap, was het niet de wetenschapper die schreef. Hij was minder geÔnteresseerd in deze disciplines op zichzelf maar zag ze als gereedschappen om tot het doel te komen; het bekeren van niet-gelovigen door middel van een methode gebaseerd op de algemene principes die de natuurlijke orde van het universum beheersen.

Hij werd begraven in de San Francisco kerk te Palma. Het mag er dan op lijken dat hij niet al zijn doelstellingen bereikte, hij heeft een geweldige geestelijke erfenis nagelaten in onder andere de grote hoeveelheid boeken die hij heeft geschreven. Ongeveer 240 van de circa 290 boeken bestaan nog.

Hij belichaamde het morele geweten zoals dat was verkondigd door Franciscus van Assisi, hij versterkte de orde der franciscanen en liep vooruit op de Renaissance en wel op het gebied van de filosofie, theologie en literatuur. Boven alles uit combineerde hij een leven van contemplatie en actie en gaf een nieuwe dimensie aan de tolerantie en civilisatie van de diverse gemeenschappen van (W-)Europa.

In 1915 werd, ter herdenking van het feit dat het 600 jaar was geleden dat Ramůn Llull stierf, een nieuw grafschrift aangebracht in de San Francisco kerk te Palma. De tekst was overgenomen uit een van zijn eigen werken - de 'Boom der liefde' De tekst luidt vrij vertaald:

'Hier ligt een minnaar, welke gestorven is
voor zijn Geliefde en de liefde,
die zijn Geliefde lief had met een liefde die goed is,
groot en blijvend;
die dapper heeft gestreden voor de zaak der liefde,
die is opgestaan tegen valse minnaars en valse liefdes;
een minnaar altoos, nederig, geduldig, loyaal,
vurig, mild, omzichtig, heilig en
vervuld van goede dingen;
een inspiratie voor vele minnaars om hun
Geliefde te dienen en te eren.'

Literatuur:

Hermes VIII, 7, Concord Grove Press, U.S.A.

Bonner, Anthony, Selected Works of Ramůn Llul, I and II, Princeton University Press, U.S.A.

FrŤre, Jean Claude, Raymond Lulle, Culture, Art, Loisirs, Paris.

Meister Eckhart : blz 1
Meister Eckhart
Om God op een directe wijze te kennen,
moet ik eenvoudigweg God worden en God moet mijzelf worden.
Ik druk het meer exact uit door te zeggen dat
God simpelweg ikzelf moet worden, en ik God;
zo compleet ťťn dat dit 'hij' en dit 'ik' ťťn enkel 'zijn' delen
en in de 'zijnheid' ons werk eeuwig vervullen.
Want dit 'hij' en dit 'ik', -dat is God en de ziel-, zijn zeer vruchtbaar als we eeuwig ťťn werk vervullen.

                                                                          Meister Eckhart

Cycliciteit in de geschiedenis betekent niet dat gebeurtenissen zich in detail, in een mechanische herhaling voltrekken; het begrip suggereert enkel dat dezelfde impulsen in de menselijke aard zich telkens opnieuw trachten te uiten, totdat zij overstegen of uitgewerkt geraken.
Een volle generatie kan ideeŽn koesteren die aan haar voorvaderen vreemd zijn, en een cultuur kan zich wegdraaien van het druk betreden pad der voorouderlijke tradities.
De heilige leringen van Jezus werden al te dikwijls begroet met een enthousiasme voor de dode letter, zonder voldoende aandacht voor hun diepere zin en betekenis.

Toen het christendom het uiteenvallende Romeinse Rijk erfde, vond het in dit rijk een geschikt voertuig voor de beveiliging, verspreiding en versterking van haar doctrines. Het gebruikte dezelfde sociopolitieke structuur om een uniformiteit op te dringen; uniformiteit die een bedachtzaam overdenken van de christelijke boodschap in de weg stond, die de diversiteit - noodzakelijk voor een authentieke spirituele ontplooiing - uit de weg ruimde, en die een priesterlijk bouwwerk optrok om de gevolgen hiervan te bestendigen.

Het christendom werd slechts door een nieuw ontwaken geÔnfiltreerd toen de moslimleringen, geworteld in de klassieke tradities rond de Middellandse Zee, hun weg naar Europa vonden.



Lang voordat een aantal individuen de autoriteit van de kerk openlijk aanvocht, waren er reeds velen die het spiritueel essentiŽle in het christendom herdachten en inwendig tot het besef kwamen dat hieromtrent iets fout zat.

Aldus stichtten in het begin van de dertiende eeuw Sint-Franciscus en Sint-Dominicus twee nieuwe kloosterorden waarin een eenvoudig leven, de vrijwillige armoede, en de verkondiging van de Bijbel aan alle bevolkingsklassen werden voorgestaan. Alhoewel dergelijke bewegingen niet onmiddellijk een bedreiging vormden voor de materiŽle Romeinse praal - zoals in latere tijden onder Martin Luther wel het geval was - begon toch reeds het christelijk tij te keren ten gunste van vrijheid van denken en onderzoek.

Johannes Eckhart werd geboren rond het jaar 1260, in een dorpje genaamd Hochheim, nabij Gotha in ThŁringen.

Deze Duitse provincie zou bekend worden als een hefboom voor de religieuze en politieke krachten die gedurende eeuwen Europa doorwoelden.

Sint-Elisabeth (1), bekend om haar uiterste toewijding aan de armen, en Machtild van Maagdenburg (2), inspiratrice voor de beweging der begijnen, zijn uit deze streek afkomstig. Thomas MŁnzer (3), mystiek politiek leider, en Martin Luther (1483-1546), aan de basis van de gehele protestantse reformatie, werden hier geboren.

Eckhart, alhoewel adellijk geboren, zoon van een plaatselijk ridder, was zeer gesensibiliseerd door de weidse gaping die bestond tussen de aristocratische idealen en de dagelijkse realiteit, een ravijn dat hij zijn hele leven door op verschillende manieren zocht te overbruggen.

Toen Eckhart goed en wel vijftien jaar oud was, sloot hij zich aan bij de orde der dominicanen te Erfurt, in zijn geboortestreek.
Meister Eckhart : blz 2
Gedurende een tiental jaren volgde hij de opgelegde cursussen in filosofie en theologie. Hij werd vervolgens, op basis van zijn intellectuele kwaliteiten, verkozen om te Keulen de Studium Generaleschool, gesticht in 1248 door Albertus Magnus, te gaan bijwonen.

Volgens de mening van zekere historici arriveerde Eckhart in de school, slechts enkele maanden voor de dood van Albertus Magnus in 1280. (Hier behoorde tussen 1248 en 1252 ook Thomas van Aquino tot Albertus' leerlingen, waarna deze te Parijs als docent werd benoemd - noot van de vert). In 1293 werd Eckhart naar de Parijse universiteit gezonden, die zich had ontpopt als een centrum voor studenten vanuit het gehele Europese continent.

Hier bekwaamde hij zich in de schriftverklaring en in de kunst van debat en prediking. In 1294 keerde hij terug naar ThŁringen, waar hij werd verkozen tot prior te Erfurt. Dit toont duidelijk aan hoe hij om reden van zijn spiritueel en moreel niveau werd gewaardeerd. Heel kort daarop werd hij ook aangesteld tot vicaris voor de provincie ThŁringen.

Ondanks dat hij deze kerkelijke en administratieve plichten nauwgezet bleek te vervullen, was hij daarnaast toch in staat prediking en onderwijs op een centrale plaats in zijn openbaar werk te behouden, vanuit de overtuiging dat de gewone mens slechts het inwendig geluk van een spiritueel leven kon smaken nadat hij mentaal wakker werd geschud en hij de capaciteit te denken, te aanschouwen en te mediteren had ontwikkeld.

Rond het jaar 1300 keerde Eckhart naar Parijs terug voor een predikingmissie. Hij moest hierbij een debat aangaan met de franciscanen, wiens naijver met de dominicaner orde dermate uit haar voegen was gebarsten dat persoonlijke rivaliteiten werden uitgespeeld. (noot van de vert.: een poging tot situering van dit broederconflict is opgenomen in annexe 4).

De Parijse universiteit kwam dermate onder de indruk van zijn interventies dat hem zowel een leerstoel voor buitenlandse docenten (eens bezet door Thomas van Aquino) als de graad van meester werd aangeboden.
Vanaf die tijd staat hij dan ook bekend als 'meister'. Tijdens die periode doceerde ook de franciscaan Duns Scotus te Parijs. Eckhart kon hier als op een eretribune de tweestrijd tussen bisschop en universiteit gadeslaan, waarbij Aristoteles opeenvolgend werd gelauwerd dan wel veroordeeld, of bijgevolg de theologie van Thomas van Aquino verheven dan wel ketters werd bevonden.

Rond deze tijd stichtte de zich snel ontplooiende dominicaner orde de nieuwe provincie Saksen, die zich uitstrekte van de Nederlanden tot Praag. Haar zestig dominicaanse instellingen verkozen Eckhart tot eerste provinciehoofd. En in 1307 werd hij eveneens aangesteld tot vicaris-generaal (gevolmachtigd plaatsvervanger van de bisschop - noot van de vert.) voor Bohemen.

Vanuit zijn nieuwe verantwoordelijkheid ten overstaan van de broederorde zowel als ten overstaan van de lekengemeenschap werd hij aldus genoodzaakt voortdurend rond te reizen. Niettegenstaande deze belasting vond hij nog de tijd voor de koningin Agnes van Hongarije een werkje te schrijven tot troost voor de dood van haar vader, en getiteld 'BŁchlein der gŲttlichen trŲstung'. Zijn latere nominatie als superior van de Duitse dominicaanse provincie schijnt hij desalniettemin te hebben geweigerd.

In 1311 keerde Eckhart naar Parijs terug, waar hij begon te schrijven aan zijn 'Opus tripartitum'. Het was zijn bedoeling hierin systematisch en in detail zijn filosofische en theologische standpunten te behandelen.

Hij kwam niet verder dan de inleidingen bij ieder hoofddeel, want in 1314 werd hij naar Straatsburg geroepen om daar de functies van prior, hoogleraar en predikant te gaan vervullen.
Meister Eckhart : blz 3
Van daaruit verspreidde zich zijn faam als prediker over geheel Europa, waardoor hij in 1323 werd aangesteld tot hoogleraar aan de Universiteit van Keulen, met als bijkomende verantwoordelijkheid de leiding over het Studium Generale, gesticht door Albertus Magnus (5).

Heinrich von Virneburg, franciscaan en aartsbisschop van Keulen, vond Eckharts aanwezigheid, wegens zijn vermeende invloed op de plaatselijke mystieke tendensen erg vervelend. Hij verzette zich niet tegen de circulatie van een gerucht volgens hetwelk Eckharts sermoenen ideeŽn bevatten die het gewone volk gemakkelijk tot dwaling konden brengen; hij legde daarop een klacht neer bij de Inquisitie, die een dominicaan als ondervrager aanstelde (4).

Eckharts verdediging tegen de aantijgingen was kort en duidelijk:

Worden de onwetenden niet onderricht,
dan zullen zij nooit leren, en geen enkele zal ooit de kunst
van leven en sterven kennen.
De onwetenden worden onderricht in de hoop dat zij van onwetenden tot verlichten worden.

Volgend op zijn verdediging werd Eckhart van alle blaam ontheven.

De woedende aartsbisschop formuleerde echter nieuwe en zwaardere aanklachten. Twee franciscanen kamden daarop Eckharts sermoenen en geschriften uit en stelden daarop een lange lijst van zogezegde fouten op.

Op basis hiervan werd Eckhart formeel beschuldigd van ketterij, waardoor onwetende en ongedisciplineerde lieden zouden worden aangezet tot wilde en gevaarlijke excessen.

Als antwoord stelde Eckhart voor elke punt van de lijst een uitgebreide verdediging op. In zijn eindpleidooi stelde hij 'ik kan mij vergissen, maar een ketter kan ik niet zijn, want het eerste heeft betrekking op de rede, terwijl het tweede te maken heeft met de wil.' Hij stelde dat de vermeende ketterse standpunten uit hun context waren gerukt en al te zeer letterlijk waren geÔnterpreteerd, en hij waarschuwde dat de aanklagers op den duur wel eens het bewijs van hun eigen ketterij zouden kunnen leveren. Steunend op de privileges van zijn kloosterorde deed hij een rechtstreeks beroep op de paus.

In 1327 reisde Eckhart naar Avignon (6) om zich voor een pauselijk hof te verdedigen. Voor zijn afreis liet hij te Keulen een sermoentekst na waarin hij alle fouten ontkende; hij verwees hierin naar zijn eigen privaat en publiek gedrag, en zei dat, indien werkelijk ketterijen in zijn geschriften zouden worden aangetroffen, hij deze zou intrekken.

Paus Johannes XXII werd aldus meegesleurd in een onaangenaam conflict tussen de beide bedelorden, in een groeiende spanning tussen de kloosterorden en de kerkelijke hiŽrarchie. De gebeurtenissen vereenvoudigden evenwel zijn taak.

Eckhart overleed plots, kort na zijn verdediging te Avignon, misschien zelfs tijdens zijn terugkeer naar Keulen. In 1329 vaardigde de paus de bul 'In agro Domini' uit, waarin zeventien uitspraken als ketters en negen andere als dubieus werden bestempeld (7); aangezien Eckhart echter bij voorbaat reeds alles, wat als fout zou worden gezien, had herroepen, sprak de bul Eckhart tezelfdertijd van alle smet vrij. Dit ironische compromis, mogelijk gemaakt door Eckharts dood, stemde in met zijn aanklagers, maar redde anderzijds Eckharts reputatie.

Een verder gevolg was evenwel dat Eckharts leringen uit de kerkelijke doctrine werden weggesneden.
Meister Eckhart : blz 4
Niettegenstaande dit, leefden Eckharts gedachten verder in de schoot van een waaier van leraren en groeperingen, zoals de begijnen, de Friends of God (Quakers ? n.v.d.r.),zijn leerlingen Johannes Tauler en Heinrich Suso (1300-1365), en latere filosofen en hervormers zoals Nicolaus van Cusa (1401-1464), Martin Luther, Angelus Silesius.

Er wordt gezegd dat Eckharts volledige leven en leringen God als hun centraal punt hadden. Weliswaar is dit zo, maar anderzijds is een dergelijke uitspraak zo onvolledig: het probleem bij iedere echte mysticus is namelijk dat zijn of haar objectieve ervaringen op een niveau liggen, torenhoog boven het normale bewustzijn van de gemiddelde mens, en daarom helemaal niet door de gewone taal zijn te omschrijven.

Eckharts leringen waren niet systematisch opgebouwd, maar opgetekend in de vorm van sermoenen; desalniettemin dragen zij in zich een krachtige spirituele logica die, om zich verstaanbaar te kunnen maken, zich uit door aanwenden en uitrekken van de betekenis van concepten. Eckhart stuwde de Duitse taal hoger op, zoals Dante met het Italiaans deed, en kneedde haar om tot een verbeterd middel tot uitdrukking. Eckhart startte bij God, maar onderscheidde de absolute Godheid, die buiten iedere vergelijking en tegenstelling staat, de onuitspreekbare steeds versluierde idealiteit der eenheid, en de Godheid wiens kwaliteiten kunnen worden opgenoemd hoewel niet kunnen worden begrepen. [

God en zijn Godheid zijn zo verschillend als hemel en aarde. Meer nog, de innerlijke en uiterlijke mens zijn zo verschillend als hemel en aarde, maar de afstand tussen God en de Godheid is nog vele duizenden mijlen verder.
God wordt en houdt op te zijn, God groeit en verkwijnt...
Binnen in de Godheid is alles eenheid,
daarover praten kunnen we niet.
God schept, maar de Godheid doet dit niet,
en er is geen handeling in de Godheid.
De Godheid zoekt niet naar de handeling.
God en de Godheid onderscheiden zich door daden en door afwezigheid van daden.

De Godheid, de ultieme, onkenbare bron van alle bestaan, en God, de stralende bron van scheppende actie, zijn beiden ver buiten het bereik van het gewone bewustzijn, want 'God is niets, alhoewel niet zonder bestaan. Hij is eerder niet dit ding of dat ding uit onze uitdrukkingswereld. Hij is een bestaan boven alle bestaan. Hij is een bestaan zonder bestaan.' Iedere poging om God te conceptualiseren werpt een sluier over de mogelijkheid van een directe verlichting.

Eckhart waarschuwde:

Ik hou vol dat, steeds wanneer iemand iets in God herkent en dit een naam geeft, dit niet God is.
God staat boven naam en natuur ....
We kunnen geen naam vinden God waardig ...
God is verheven boven alle benamingen en blijft onuitsprekelijk.

Voor Eckhart is het theologische onderscheid tussen schepper en schepping zo absoluut als het onderscheid tussen schilder en schilderij, en zo subtiel als de continue overgang tussen de zaadkorrel en de volwassen boom die eruit voortkomt. Het is het verschil tussen spreker en spreekbeurt.

God is een woord, maar een onuitgesproken woord ...
Wie spreekt dit woord uit?
Niemand kan dit, behalve hij die het woord zelf is.
God is een woord dat zichzelf verwoordt ...
God is verwoord en niet verwoord. De vader is de handeling van het verwoorden, en de zoon is het handelende woord.

Tezelfdertijd 'zijn alle schepselen woorden van God'.
Meister Eckhart : blz 5
De absolute Godheid blijft immer stil, maar als de gemanifesteerde Godheid - het woord dat zichzelf uitspreekt - verschijnt, komt de totale kosmos tot bestaan. De implicaties hiervan zijn verbazingwekkend. Ten eerste is aldus ieder schepsel een uitdrukking van het woord. Ten tweede, de verschijning van de Christus op een bepaald moment in de tijd is een archetypische handeling waarvan de ware aard buiten de tijd ligt. Ten derde, deze handeling kan en zal in ieder menselijk wezen worden herhaald.

Daar waar God de schepselen uitspreekt, is God.
Hier, in ruimte en tijd, is het schepsel.
De mensen menen dat God slechts 'daar' - in zijn historisch gekende incarnatie - een menselijk wezen is geworden,
maar dat is niet zo.
Want God is 'hier' - op deze plaats - evenzo belichaamd als in een menselijk wezen lang geleden.
En dit is waarom hij een menselijk wezen is geworden: dat hij aan jou als zijn eniggeboren Zoon, en als niets minder dan dat, geboorte kan geven.

De eeuwige eenheid van de ongemanifesteerde Godheid is de ultieme aard van bestaan. De multipliciteit van de wereld, de ontplooiing van het Goddelijke, is een soort van illusie, die zich ent op de wortels van ruimte en tijd. Zoals de Godheid onuitgesproken is, niets, helemaal niets, zijn verleden, heden en toekomst in hun wortel niets, een bruisend oneindig klein 'nu' tussen de illusie van het verleden en van de toekomst, een onophoudelijk worden dat, wanneer het doorgrond wordt, zich vertoont als het ongrijpbaar/vluchtige plaatspunt der eeuwigheid. De band tussen schepper en schepping is de ziel. Dit is niet een ding, maar de raakzone tussen tijd en eeuwigheid.

Alles wat verleden is, alles wat nu is; en alles wat toekomst is, schept God in de binnenste rijken van de ziel.

De fenomenen van tijd, van ruimte en dientengevolge van multipliciteit, zijn de vermomming van de goddelijke eenheid die ieder bestaanspunt overdekt.

Niets hindert de ziel meer in het begrijpen van God
dan tijd en ruimte.
Tijd en ruimte zijn delen van het geheel, maar God is ťťn. Indien de ziel dus God moet herkennen, moet ze dit doen voorbij de ruimte en de tijd.

Met andere woorden is het leven een nabootsing van het zijn: de nabootsing kan niet bestaan zonder haar oorspronkelijk archetype, maar anderzijds kan de nabootsing wegleiden van het reŽle.

De strijd tussen de transparante Goddelijke leegte en het onophoudelijk veranderende prismatische kleurenpalet van de wereld worden afgewogen door de ziel, die aan beide deelneemt, en die haar wilskracht stuwt ofwel naar de zintuigen of voorbij ruimte en tijd.



Er is iets in de ziel dat enkel God is;
de meesters zeggen dat het zonder eigen naam is.


Geen enkele taal, noodzakelijkerwijze beperkt tot de wereld van het worden, is in staat het hoogste aspect van de ziel te verwoorden; Eckhart gebruikt daarom een aantal beeldspraken om weer te geven wat hij door direct ervaren wist: zaad, vonk, zegel.

Gods zaad is in ons.
Indien dit zaad een goede, wijze en nijvere bewerker heeft,
zal het opbloeien en opgroeien tot God wiens zaad het is;
zijn vrucht wordt identiek met Gods aard.

Het zaad van de perenboom wordt een perenboom,
het zaad van de hazelaar wordt tot een hazelaar,
en het zaad van God wordt God.

Wordt het zegel kompleet door de was heen gedrukt,
zodat geen was meer overblijft,
dan wordt dit onafscheidbaar ťťn met het zegel.
Zo ook wordt de ziel kompleet verenigd met God.

Meister Eckhart : blz 6
Dat wat geestelijk groter, hoger, reŽler, goddelijk is, vloeit over in dat wat kleiner, lager, meer fenomenaal en materieel is, doch enkel indien dit laatste ontvankelijk is voor het hogere. Receptiviteit is niet hetzelfde als passiviteit: het is het uitwissen van alles wat persoonlijk en afgescheiden is; het herleiden van het individu tot nul, zodat het goddelijke kan binnenvloeien en de persoon kan verlichten.

De menselijke aard wordt God,
want God nam de pure menselijke aard aan,
en niet de menselijke persoon.
Wil je bijgevolg deze zelfde Christus in God worden,
dan moet je jezelf ledigen van
alles wat het eeuwige woord niet aannam.
Het eeuwige woord nam geen menselijk wezen aan;
ledig jezelf dus van alles wat puur persoonlijk is,
en neem de zuivere menselijke aard aan ...
Want je menselijke aard en de aard van het goddelijke woord zijn niet verschillend - zij zijn ťťn en hetzelfde.

Om tot uiterste receptiviteit te komen moeten de hogere en lagere vermogens van de ziel door een aantal welbepaalde gulden ringen worden beheerst en gestuurd. De ziel heeft drie lagere vermogens: 'rationalis', het vermogen tot het zien van verschillen, beheerst door de ring der verlichting gevuld met goddelijk licht; 'irascibilis' of vermogen tot de kracht der boosheid, beheerst door de gouden ring van de vrede, en de derde is 'concupiscibilis' of verlangen, te beheersen door zelfbeperking.

De ziel bezit ook drie hogere vermogens: 'memoria' of continuÔteit van bewustzijn, geperfectioneerd door de ring van wil tot behoud, 'intellectus', de kracht tot doorzicht, beheerst door de ring der ware kennis, zonder langs het gebruik van concepten te gaan, en waarin kenner en gekende ťťn zijn; en 'voluntas', het wilsvermogen geringd door de liefde.

De liefde, schitterende bekroning en subtiele beheerser van het menselijk wezen, is zelf eveneens drievoudig.

Haar eerste aspect wordt gevormd door de inherente goedheid in de Natuur, vriendelijk, onpersoonlijk en gelijkmatig gegeven aan allen. Haar tweede aspect is de spirituele liefde die het individu wegvoert vanuit zelfgerichtheid naar God, het Zelf van alles, het onzichtbare centrum. Haar derde aspect is de goddelijke liefde, ook universeel licht en kennis.

En om deze drievoudige liefde in volle mate te kunnen bezitten, zijn vier kwaliteiten vereist. Men moet de vaardigheid ontwikkelen om van al het individueel geschapene afstand te kunnen doen, 'Gelassenheit' aanleren, wat een specifieke term is gecreŽerd door Eckhart (8). Vervolgens moet men een actief leven leiden gericht op de plichtsvervulling. Tezelfdertijd moet een inwaarts meditatieve ingesteldheid worden ontwikkeld. En uiteindelijk moet men een opwaarts strevende geestelijke instelling bezitten.

Diegene die deze vier kwaliteiten in een zekere mate bezit, zal een spiritueel ontwaken ervaren. Dit ontwaken noemde Eckhart ook sterven, met name het sterven van het worden, en de geboorte van het zijn in zijn eigen aard, ťťn met de Godheid.

Voor Eckhart is dit de geboorte van de eeuwige zoon uit het Vaderlijke zaad in de menselijke ziel. De ziel herwint het Goddelijke vanuit haar positie tussen tijd en eeuwigheid, gericht op de meest onuitspreekbare leegte van niet-manifestatie, een dorre woestijn voor wereldse zintuigen naar het Absolute voorbij het zijnde.
Meister Eckhart : blz 7
Aldus treedt de ziel binnen in de eenheid
van de Heilige Drievuldigheid.
Maar ze kan zelfs meer gezegend worden door verder te gaan, naar het schrale van de Godheid
waarvan de Drievuldigheid de emanatie is.

Daar houdt activiteit op, en daarom
zal de ziel het meest perfect zijn wanneer ze in deze woestenij, zonder actie en zonder vormen, geworpen wordt;
daar is haar identiteit vernietigd, en is ze bevrijd van de dingen, zoals toen ze nog niet bestond.

Dan is ze dood voor het ik maar levend voor God,
ze is dood voor het ik dat in de
woestijn der Godheid begraven is ...
En Dionysius zei: 'Begraven zijn in God is niets anders dan gevoerd te zijn tot het ongeschapen leven'.



(Vertaald uit 'Hermes', Concord Grove Press, Santa Barbara, California, USA, Jaargang VII, juli 1981)

VOETNOTEN:

(1) Elisabeth van ThŁringen of van Hongarije, 1207-1231. Na de dood van haar echtgenoot Lodewijk IV van ThŁringen, gestorven op weg naar een kruistocht (1227), ging ze op franciscaanse wijze een uiterst sober leven leiden.
Ze leefde als begijn en bouwde een hospitaal te Marburg.

(2) Machtild van Maagdenburg (ca.1210-1282 of 1294), begijn te Maagdenburg, ligt aan de basis van een aantal Nederduitse mystieke teksten, vertaald in het Hoogduits en het Latijn.

(3) Thomas MŁnzer (ca.1490-1525), augustijn, Duits theoloog en volksleider, origineel denker.
Na zijn verstoting uit de kerk sympathiseerde hij met de lokale boerenbevolking.
Alhoewel aanvankelijk aan Luther gehecht, groeide er later een grote gaping tussen beide mannen.
Als zeer controversieel persoon, en na onderdrukking van een boerenopstand te Frankenhausen, werd hij gefolterd en terechtgesteld. Hij wordt soms beschouwd als een voorloper van het marxisme.

(4) Meister Eckharts leven wordt voor een deel gekleurd door de broederstrijd tussen de orden van de dominicanen en de franciscanen uit die tijd.
Duidelijke gronden voor deze naijver zijn er niet, eerder een aantal achtergrondfacetten, vermoedelijk versterkt door persoonlijke gevoelens en neigingen.
Beide orden werden in het begin van de dertiende eeuw gesticht, voor de dominicaanse orde gebeurde dit door Dominicus de Caleruega tussen 1215 en 1220, voor de franciscanen door Franciscus van Assisi tussen 1209 en 1217. Een honderdtal jaren later moeten zij zowat 15.000, respectievelijk 45.000, discipelen hebben geteld. Bekende dominicanen uit deze periode zijn Meister Eckhart, Johannes Tauler, Hendrik Suso, Albertus Magnus (ca.1193-1286) en Thomas van Aquino (1224 of 1225-1274); een hedendaags lid van de orde is E. Schillebeeckx.

Bekende franciscanen zijn Bonaventura (1217-1274), Duns Scotus, Roger Bacon en Willem van Ockham (ca.1285-1349).
De orde der franciscanen werd dus iets vroeger gesticht en had duidelijk meer aanhangers.
Beide orden hechtten veel belang aan de vrijwillige armoede; het blijkt evenwel dat de franciscanen eerder regulier, naar de kerk toe, waren georiŽnteerd, terwijl de dominicanen zich duidelijk profileerden naar de lekengemeenschap toe. Deze laatsten kregen hierdoor een echte positie van bemiddelaars in een aantal conflicten tussen leken of tussen leken en kerk.
Zij werden tot onderhandelaars tussen particulieren, edelen, gemeenten.., en werden dikwijls gevraagd voor de redactie van testamenten, huwelijkscontracten,..
Door deze positie kregen zij ook een duidelijke sleutelpositie in de strijd tegen ketterijen, zoals bij de katharen en leverden een meer dan duidelijke bijdrage tot de Inquisitie. Na al dat fraais en minder fraais mag ook worden gezegd dat zij in Parijs, Oxford en Bologna aan de basis lagen van de universitaire ontwikkeling. Ook de franciscanen waren trouwens zeer intellectueel gericht.


(5) Albertus Magnus (ca. 1193-1280), dominicaan, docent achtereenvolgens te Keulen, Hildesheim, Freiburg, Straatsburg, Parijs (met Thomas van Aquino als leerling), terug te Keulen, en later nog te WŁrzburg, Straatsburg en Keulen. Tijdens zijn tweede verblijf te Keulen, tussen de jaren 1248 en 1254, sticht hij het Studium Generale als dominicaanse hogeschool voor theologie.
Albertus was een zeer veelzijdig wetenschapper, en schreef bijvoorbeeld werken over sexologie, fauna, mineralen, flora, kosmologie, theologie..
Hij kreeg tijdens zijn leven, om reden van zijn encyclopedische kennis, de naam van 'doctor universalis'.
Zie ook GLT-reeks IV, nr.3, maart 1991.


(6) Tussen 1309 en 1367 was Avignon de pauselijke residentie, zelfs tot 1403 indien ook het pauselijk schisma wordt meegeteld.
De pauselijke zetel was in die periode naar Avignon verlegd om reden van de labiele politieke situatie in ItaliŽ en te Rome.

(7) Volgens 'Dictionnaire des Philosophes' werden 28 artikelen veroordeeld, 17 als ketters en 11 als vermetel.


Bij de zeventien ketterse artikelen waren de uitspraken vermeld:

- zodra God was, schiep hij de wereld
- in ieder werk, goed of slecht, manifesteert zich en schittert de glorie van God
- men moet niets vragen, niets zoeken, zelfs niet het rijk der hemelen
- de mens kan volledig tot God worden getransformeerd, zoals het brood van het sacrament in het lichaam van Christus wordt omgevormd
- alles wat God de Vader aan zijn Zoon heeft gegeven, kan worden gegeven aan ieder goed en goddelijk mens
- de berouwvolle zondaar moet geen spijt over zijn zonde hebben, aangezien dit de goddelijke wil was.

Bij de gevaarlijke clausules zijn vermeld:
- uiterlijke handelingen zijn nooit goed, noch slecht
- de absolute eenheid van God
- het goddelijke in de nobele mens
- het 'niets' van ieder schepsel.
Twee omstreden artikelen werden evenwel niet echt weerhouden, bij gebrek aan bewijs dat Eckhart ze expliciet had onderwezen:

- er is iets in de ziel dat ongeschapen en onschepbaar is; dit is het intellect
- God is niet goed, niet beter, en niet het beste; hem goed noemen is even slecht spreken, als zwart noemen wat wit is.


(8) De term 'Gelassenheit' mag niet verkeerd worden verstaan als een cynische uitdrukking 'het zal mijn tijd wel duren', of als een aanzet tot berusting of passiviteit.