Index : De Gele Reeks : DEEL V

Jan van Ruusbroec
Tsong-kha-pa
Christiaan Rozenkruis

Inhoud : De Gele Reeks : DEEL V

Jan van Ruusbroec : blz 1
Jan van Ruusbroec
Zolang we in de schaduw blijven, kunnen we de zon zelf niet zien; maar 'Nu zien we door een duister kijkglas', zegt St.- Paulus. Toch wordt de schaduw zo door de zonneschijn verhelderd, dat we de verschillen kunnen zien tussen al de deugden en al de waarheden die ons in onze sterfelijke staat nuttig kunnen zijn. Maar als we ťťn zouden willen worden met de helderheid van de Zon, moeten we de liefde volgen, en vanuit onszelf naar het padenloze gaan, waar de Zon ons met onze verblinde ogen in Haar eigen helderheid zal opslorpen, en daarin zullen we eenheid met God bezitten ... In zijn vrijgevige uitstorting wil Hij helemaal van ons zijn: en dan leert Hij ons te leven tussen de rijkdommen van de deugden. Wanneer Hij zich terugtrekt laten al onze vermogens ons in de steek, en dan zitten we in Zijn schaduw en is Zijn vrucht zoet van smaak, want de vrucht van God is de zoon van God, die de Vader in onze geest verwekt. Deze vrucht is zo oneindig zoet dat we haar noch inslikken noch verteren kunnen, maar dat zij ons eerder in zichzelf opneemt en ons tot haar eigen maakt.

               De Glinsterende Steen, XI                   Jan van Ruusbroec

Europa beleefde in de veertiende eeuw het verval van de middeleeuwen en het eerste schijnsel van de Renaissance. De macht van het pausdom begon in te krimpen; die van de vorsten groeide en ook werden de steden machtiger.

Hier en daar ontstonden centra van weelde en geleerdheid maar voor de gewone mens was de tijd niet welbelovend. Hij was nog grotendeels gebonden door de verplichtingen van het leenroerig stelsel of door die van de erfelijke beroepen en met weinig kansen op opvoeding buiten de structuren van de kerk leidde het gemiddelde individu een leven dat riskant en meestal armzalig was.

De pausen, die van 1309 tot 1377 naar Avignon waren verbannen, zetten de complexe oorzaken in beweging die tot de excessen van het pausdom in de Renaissance en tot de Hervorming zouden leiden. Opstanden van boeren in Vlaanderen en in Frankrijk werden op wrede wijze onderdrukt. Midden in een tijd van economische onzekerheid woedde de Honderdjarige oorlog; van 1347 tot in 1453 eiste de zwarte dood haar gruwelijke tol.

De organisatie van de kerk faalde keer op keer, terwijl corruptie weelderig woekerde en allerlei religieuze extremisten groot succes kenden. Niettegenstaande deze politieke chaos, het maatschappelijk verval en de geestelijke ontaarding, kwam een herrijzenis van authentiek mystiek inzicht tot stand in een waarachtige constellatie van geestelijke lichten:
Jan van Ruusbroec : blz 2
Meister Eckhart, Richard Rolle, Johannes Tauler, Heinrich Suso (schrijver van 'De wolk van het onweten'), Catharina van Siena, Walter Hilton, de Vrienden van God, Juliana van Norwich en de Broeders van het gemene leven.

Jan van Ruusbroec werd geboren aan het begin van deze turbulente periode en stierf bij de opkomst van de Italiaanse Renaissance. Zijn leven strekte zich uit over het grootste gedeelte van de eeuw. Hoewel Jan van Ruusbroec al in zijn eigen tijd zeer werd gewaardeerd en op vele discipelen zijn invloed uitoefende, is er weinig over zijn leven bekend. Dit is slechts ten dele te wijten aan zijn tegenzin herinneringen op te halen, want zij die hem goed hadden gekend waren het erover eens te stellen dat zijn leven, bekeken vanuit het standpunt van een historicus, niet erg rijk aan denderende gebeurtenissen was.

Hij nam zonder aarzeling en op velerlei gebied deel aan wereldse zaken, maar deed dit zonder de aandacht op zichzelf te vestigen.

Voor van Ruusbroec wordt het echte leven geleefd op innerlijke gebieden; het overige is een kwestie van bescheiden plichtsvervulling. Ruusbroec werd geboren in 1293, in het dorp waarvan hij de naam tot de zijne maakte en dat tussen Brussel en Halle is gelegen. Heel zijn leven bracht hij door in het hertogdom Brabant.

Hij werd opgevoed door een zeer toegewijde moeder, die zijn sterke wil en avontuurlijke geest eigenlijk te veel vond voor haar, maar toch lieten haar serene vroomheid en onbeperkte liefde een blijvende indruk op haar zoon na.

Hinckaert zond de jonge Ruusbroec op eigen kosten naar scholen in Brussel, waar hij werd onderwezen in het 'trivium' en het 'quadrivium', respectievelijk grammatica, dialectica en retorica, en muziek, rekenkunde, meetkunde en astronomie.

Ruusbroec sprak 'Diets', een Germaans dialect dat later tot het moderne Vlaams zou evolueren, en moest dus Latijn leren. Hoewel hij het in al zijn studies goed deed en een flinke portie middeleeuwse geleerdheid opstapelde, spitsten zijn talent en belangstelling zich toch toe op de theologie.
Jan van Ruusbroec : blz 3
Indirect maakt hij misschien kennis met Plato, Plotinus, Dionysius de Areopagiet en Augustinus.
Sommige historici geloven dat hij naar Keulen ging en er de leringen van Meister Eckhart en de methodologie van Albertus Magnus leerde kennen.
Maar op den duur leken de scholastieke woordengevechten hem hol en de andere studies bijkomstig. Zijn hart heerste over zijn hoofd; zijn verlangen ging uit naar de Goddelijke wijsheid en meer en meer werden zijn intellectuele studies in de filosofie en de theologie verdrongen door intense meditatie.

Intussen had zijn reputatie van ernstige studie en natuurlijke vroomheid zich verspreid en zelfs zijn eigen dorp bereikt, zodat zijn moeder naar Brussel kwam om dichter bij hem te zijn. Daar zij niet in het huis van kanunnik Hinckaert mocht wonen, werd zij 'begijn', dit is een zuster in een bedelorde van leken. Ruusbroec ging haar vaak in het begijnhof bezoeken en nadat zij enkele jaren later was gestorven, verscheen zij vaak in zijn levendige dromen en gaf hem verscheidene malen gezonde raad en geestelijke steun.

Toen Ruusbroec vierentwintig was geworden, dus in 1317, werd hij tot priester gewijd en onder de ecclesiastische hoede van Hinckaert geplaatst.

Rond die tijd besloten Hinckaert en Coudenberg een gedisciplineerd spiritueel leven te gaan leiden. Zij verdeelden hun bescheiden bezittingen onder de armen en trokken zich terug in een eenvoudig huis, dat in hun minimale behoeften kon voorzien.

Ruusbroec was diep onder de indruk van hun voorbeeld en ging weldra bij hen wonen. Zesentwintig jaar lang bekleedde hij het ambt van priester van Sint-Goedele, verstrekte de sacramenten en voorzag in de noden van zijn parochianen. Met uitzondering van ťťn incident werkte hij met uiterste vlijt en in alle stilte, en zij die zo door hem werden begunstigd, vonden in hem wel een hartelijk en mededogend man, maar toch iemand die altijd solitair bleef.

Hij ging voort met het observeren van de menselijke natuur en vond het ontzettend, enerzijds hoezeer kerk en clerus ontaard waren, en anderzijds hoe velen hun toevlucht namen tot extremistische opvattingen, gedreven als zij waren door de onzekerheden van hun tijd. Hij schreef tegen bisschoppen en prelaten die luxueus op reis gingen: 'Bij hen gaan de zaken goed, het geld vloeit naar hun beurs en de zielen worden niet aangeroerd.' Hoewel de priesters door de kerk werden onderhouden, vonden zij het nodig in de kathedraal te komen bedelen.

De lekenwereld zag duidelijk genoeg dat de clerus zijn beloften niet nakwam, werd cynisch en gevoelig voor pseudospirituele claims. Het ontbrak de christenen aan smaak, 'smaak voor de dienst van de Heer'.

Kijkt, voor deze mensen is het klooster een gevangenis en de wereld een paradijs. Want zij hebben geen gevoel voor God en voor eeuwige zaligheden.
Jan van Ruusbroec : blz 4
De kerk was inderdaad vergiftigd door haar eigen corruptie, ten dele omdat zij, door zo sterk aan te dringen op het onvoorwaardelijke verschil tussen schepper en schepsel, het Goddelijke zo afstandelijk had gemaakt. Onder het volk was de reactie soms zo hevig dat de mensen in het andere uiterste vervielen, en dit vond een expressie in extremistische opvattingen van immanentie met hoog oplopende emoties, uitbarstingen van uitdagende amoraliteit, pantheÔsme en vermeende orakelspreuken.

Slechts ťťnmaal sprak Ruusbroec zich als priester scherp uit tegen dergelijke excessen. Een wijd verspreide groep, bekend als de Broeders van de vrije geest, predikte dat zij op wie de geest was neergedaald, reeds goddelijk waren en bijgevolg niet onderworpen aan menselijke regels van goed gedrag.

Een vrouw genaamd Bloemardinne plaatste zich aan het hoofd van deze beweging en maakte extravagante aanspraken. Niet alleen beweerde zij bovennatuurlijke en profetische vermogens te bezitten, maar ook dat zij door twee serafijnen werd vergezeld. Zij hield staande dat de 'serafijnse liefde' alle beloften en ritualen zou vervangen en vertolkte deze lering in een vrijpostig erotisme.

Ruusbroec vond dit afschuwelijk en viel haar ideeŽn aan in een reeks pamfletten. Hij stelde dat dit eenzijdige en egocentrische pantheÔsme ruw opgevatte beelden van het Goddelijke verwart met authentieke mystieke ervaringen, daarom zelfdiscipline, praktijk en beloften als onnodig verwerpt, en aanmoedigt tot allerlei vormen van toegeeflijkheid voor de eigen ondeugden.

De traktaten van Bloemardinne en de weerleggingen van Jan van Ruusbroec zijn verloren gegaan, maar de geschiedenis noteert gemengde reacties. Er werden spottende liederen tegen Ruusbroec geschreven en in de straten werd hij uitgelachen, maar op den duur stierf het debat uit en kon hij zijn gewone gang gaan.

In 1343 besloten de drie geestelijke gezellen zich uit het tumult van de wereld terug te trekken en ergens als kluizenaars te gaan leven. Jan III, hertog van Brabant, die al lang voor hun eenvoudige levensstijl bewondering had gekoesterd, schonk hun met genoegen een oude jachthut die inmiddels kennelijk als kluis was gebruikt.

Groenendael(de groene delle of vallei) ligt in het hart van het ZoniŽnwoud, waarvan de naam wordt afgeleid van een centrum van Zonneaanbidding dat zich daar in vroeger tijden zou hebben bevonden. Hier woonden de drie broeders vijf jaar lang totaal ongestoord. Stilaan trokken zij vele ernstige volgelingen aan, die onder de indruk waren van de oprechtheid van hun bedoelingen, hun rustige deugdzaamheid en hun stralende vrolijkheid in zulke nederige omstandigheden.
Jan van Ruusbroec : blz 5
Sommigen kwamen om geestelijke raad, anderen wilden blijven en worden geleid. Deze onvoorziene ontwikkeling maakte dat hun informele levenswijze onhoudbaar werd: de kerk stond immers zeer achterdochtig ten aanzien van spontane groepsvorm wegens mogelijke ketterse neigingen en de inquisitie breidde haar activiteit gestadig uit.

Na zorgvuldig overleg nam de groep de regel van de Augustijnse kanunniken aan. Ruusbroec weigerde de functie van provoost aan te nemen en dat ambt viel op Coudenberg. Ruusbroec was wel bereid de taak van prior op zich te nemen, maar Hinckaert die vreesde dat zijn gevorderde leeftijd het hem onmogelijk zou maken de regel te volgen, scheidde zich van zijn vrienden af en trok zich terug in een hut verder in het woud, waar hij verbleef tot zijn dood.

De noodzaak nieuwe broeders te onderwijzen, de weidse stilte van het woud en zijn actief innerlijk leven spanden samen om Ruusbroec tot spreken en schrijven aan te zetten. Hij wilde de kern van het 'super-essentiŽle leven' als praktijk en levensstijl aan iedereen mededelen. Hij verwierp het Latijn als communicatiemiddel en verkoos zijn eigen dialect, niettegenstaande dat het zo arm was aan spirituele en wijsgerige termen.

In de volgende dertig jaar schreef hij ten minste elf oorspronkelijke verhandelingen van geestelijk onderricht. 'Het geestelijk tabernakel' interpreteerde het tabernakel, dat Mozes in de woestijn voor de IsraŽlieten had opgericht, als een archetype van het spirituele leven.

'De twaalf punten van het ware geloof' gaf een mystieke verklaring van de geloofsartikelen van de apostelen. Zijn meest stelselmatige en doorgedreven werken zijn 'Het rijk van Gods geliefden' en 'Het sieraad van de geestelijke bruiloft', die beide over het ontvouwen van de ziel handelen.

Hij schreef gedetailleerde instructies over ascetisme en mystiek omdat hij door zijn persoonlijke ervaring wist dat iemand die wil gaan zweven in hogere regionen het gevaar loopt, door een neerwaartse stroom te worden gegrepen of de gevangene te blijven van een of ander gebied van bewustzijn. Hij was steeds maar ontevreden over zijn manier van zeggen en zocht voortdurend naar grotere helderheid in de expressie, tot hij de grootst mogelijke rijpheid bereikte in 'Het boek van de blinkende steen', 'Het boek van de opperste waarheid' en 'De twaalf begijnen'.

Het oorspronkelijke en allesdoordringende principe van het mystieke leven, dat voor Ruusbroec het ware leven is, het leven in de geest, is de liefde, die innerlijk intens wordt beleefd en zich naar buiten vertoont als vriendelijke hulpvaardigheid.

In 'De twaalf begijnen' schreef hij:

Zij die de weg van de liefde volgen zijn de rijksten onder alle mensen:
Zij zijn stoutmoedig, open en vrij van vrees,
Zij gaan niet gebukt onder weeŽn en zorgen,
Want de Heilige Geest draagt hun lasten.
Zij zoeken geen uiterlijke schijn;
Zij verlangen niets dat door mensen begeerd wordt;
Zij spreiden geen bijzonder gedrag ten toon
En willen zijn als andere goede lieden.
Jan van Ruusbroec : blz 6
Alle nodige praktijken stammen uit de diepste liefde, zij hoeven ze zelf niet op te wekken. Zonder de liefde die op alle mensen straalt, worden praktijken en disciplines op zijn best excentrieke houdingen en op zijn ergst verdraaide vormen van zelfhandhaving. Zo is een spiritueel mens, een ware christen, eerst en vooral een goede werkzame mens, en ten tweede een 'innerlijke en geestelijke' mens.

Hij wordt opgetild, een mens die God ziet en dan 'een mens die naar allen gemeenschappelijk uitvloeit'. Van iemand die deze vier dingen 'is', mag worden gezegd dat hij/zij volmaakt is. Deze viergekante grondvesting, die steunt op het diamant van de liefde, vormt de basis en de substantie van het spirituele leven zoals uiteengezet in 'Het boek van de blinkende steen'.

Nadat hij deze voorwaarden voor de realisatie van het Goddelijke had gegeven, leerde Ruusbroec hoe men ze kan verwerven. Een mens wordt goed door middel van drie dingen:

een geweten dat gelouterd is door zelfonderzoek en toepassing geleid door het onderscheidingsvermogen;

gehoorzaamheid aan God, aan de regels van de kerk en aan de eigen overtuigingen, die alle drie evenveel aanspraak op gehoorzaamheid mogen maken; en het volbrengen van daden met de bedoeling in harmonie met het Goddelijke te handelen, daar er geen andere geldige reden voor of doel van actie kan zijn.

Een zuiver geweten bouwt onpersoonlijk onderscheidingsvermogen op en verschaft de gepaste oefening aan de wil, terwijl de drievoudige gehoorzaamheid enerzijds trots en zelfhandhaving en anderzijds zelfgenoegzaamheid en het zoeken van excuses blokkeert. Handelen voor het Goddelijke verzwakt de aantrekkingskracht van het wereldse.

Er zijn ook drie voorwaarden om tot het innerlijke door te dringen. Ten eerste moet men het hart bevrijden van beelden, voorwerpen, personen of ideeŽn.

Ten tweede moet men geestelijke vrijheid verwerven in zijn begeertenatuur, aan alle kleinere liefdes verzaken en plaats maken voor een intense hunkering haar het Goddelijke, het enige object dat onvoorwaardelijke liefde rechtvaardigt.

Ten derde moet men eenheid met God willen, wat de ontbinding van zelfs heilige beelden vergt, 'want God is een Geest van Wie niemand zich een juist beeld kan maken'. Dit is het begin van het leven in de geest.

De mens moet neerdalen tot die beeldenloze naaktheid die God is; dit is de eerste voorwaarde, en de basis, van een geestelijk leven.

Jan van Ruusbroec : blz 7
Waar de eerste twee elementen betrekking hebben op de spiritueel individuele zorg om de houdingen ten overstaan van de wereld opnieuw te ordenen en de psychische natuur te herschikken, betreft het overige het innerlijke, transcendentale leven, waarover velen wenken krijgen of aanduidingen voelen, enkelen proeven en weinigen volledig leren te beleven. Drie voorwaarden moeten zijn vervuld om een God-ziende mens te worden:

De eerste is het gevoel dat de essentie van ons wezen een afgrond is en dat we het als dusdanig moeten bezitten;

de tweede is dat onze innerlijke oefening padenloos moet zijn (zonder ťťn bepaalde richting uit te willen? Vert.);

de derde is dat het gezochte samenkomen een goddelijke vruchtvorming moet zijn.

Wanneer iemand werkelijk de eenheid met het Goddelijke ervaart, openbaart zich de vereniging, die het Goddelijke en het individuele omvat, als een afgrond, zonder enige dimensie, totaal duister, een leegte ontdaan van beelden en wereld.

In deze zin mogen wij stellen dat het in God levende individu voor zelf en wereld sterft. Goddelijke eenheid is Goddelijke afgrond, waar men 'naakt' is (zonder eigenschappen) en beeldenloos (zonder discursief denken), het meest innerlijke centrum van de eigen geest.

Daar vinden we een eeuwig licht geopenbaard, en in dit licht voelen we de eeuwige eis van de Goddelijke eenheid; en we voelen onszelf aan als een eeuwig vuur van liefde, dat boven alles naar vereniging met God hunkert. Hoe meer we aan deze eis toegeven, des te sterker voelen we hem...

En zo kun je zien dat de inzuigende eenheid van God niets anders is dan bodemloze liefde...

En daarom moeten we allen ons leven bouwen op een bodemloze afgrond, opdat we eeuwig in liefde mogen duiken en in die bodemloze diepte neerzinken.

Jan van Ruusbroec : blz 8
Vanuit dit standpunt is het mogelijk om met groot en duurzaam voordeel een levensregel aan te nemen, maar een leven van meditatie aan iemand aanleren, dat is niet mogelijk. Het individu dat deze top van spirituele ervaring heeft veroverd, heeft niet enkel een bepaald doel bereikt of uitzonderlijke karaktertrekken verworven: hij heeft een transmutatie van zijn eigen natuur ondergaan.

Hoewel hij een pad naar de innerlijke afgrond heeft gevolgd, is hij nu padenloos, zonder motief, intentie, modus of richting zoals die voorkomen in het tijdelijke of in andere categorieŽn. Zijn bewust bestaan is een transcendente ruimte, de Godheid genoemd, een verlichte staat die voor het discursieve intellect onbegrijpelijk is. Zo ontvangt hij een 'blinkende steen' waarop een nieuwe naam staat geschreven, hoewel geen andere dan de ontvanger die ooit kan kennen.

Deze steen is het eeuwige woord zoals het zich in hem manifesteert. Eenieder komt tot het Goddelijke langs zijn eigen weg en zo krijgt eenieder ook een verschillende naam maar allen die komen, hebben zich van zonde bevrijd.

Zonde heeft minder te maken met daden dan met motieven, want goddelijke gaven kunnen zowel in dwaling als in deugd aangewend worden.

In zijn spirituele psychologie onderscheidde Ruusbroec vijf soorten zondaren en drie gezellen van het Goddelijke.

Onder de zondaren bestaat de eerste klasse uit hen die wereldlijk zijn en niets om goede werken geven; zij lijden aan versnippering van het hart.

De tweede soort volbrengt goede daden en eert de gerechtigheid, maar vervalt niet ongaarne in dwaling.

De derde groep bestaat uit ongelovigen, zij die weinig geloof hebben of zich in hun geloof aan dwalingen houden (het geloof zou zich moeten richten op het Goddelijke en op hun eigen innerlijke natuur, niet alleen op dogma's).

De vierde soort is schaamteloos en zonder morele gevoeligheid. De vijfde wordt gevormd door de uiterlijk zuiveren; de wereld meent dat zij heilig zijn, maar hun motief is verkeerd, omdat zij vergankelijke doeleinden nastreven.

Geen van deze toestanden is voorbestemd of aangeboren, zodat alle zondaars kunnen terugkeren tot de menselijke waardigheid en tot besef van het heilige in henzelf.

Niettemin zijn er graden onder hen die zich naar het Goddelijke wenden. De huurlingen van God volgen wat zij als goddelijke geboden beschouwen, maar zij doen dit uit eigenbelang. Zij vrezen de belofte van de hemel te verliezen en de hel vrezen zij nog meer. Goddelijke gratie is onbegrensd mededogen en vrees voor de hel steunt daarom alleen op eigenliefde.

Op een paradoxale en omgekeerde manier is deze vrees gerechtvaardigd, want eigenliefde is precies de oorzaak van de hel. De trouwe dienaar heeft zijn vrees overwonnen omdat hij aan alles ten gunste van het Goddelijke heeft verzaakt, en zo ook aan zijn eigenheid. Daarmee bewijst hij de eerste graad van waar geloof. Zijn daden vloeien voort uit liefde voor God.

De innerlijke of geheime vriend van God dringt verder dan het motief van de liefde hoewel hij haar omvat. Hij keert zich helemaal af van de wereld en zijn hart is niet meer verdeeld. Onwetende buitenstaanders denken dat hij niets doet, omdat hij niet kan handelen volgens normen waarvan anderen het voorkomen en de wereldse motieven kunnen herkennen.
Jan van Ruusbroec : blz 9
In de parabel over Martha en Maria prees Jezus beiden om hun toewijding. Martha gaf het voorbeeld van trouwe dienst, maar de verdienste van Maria werd groter geacht, omdat zij een geheime vriend, een echte contemplatieve was. Voor Ruusbroec echter bestaat de mens van meditatie in een wereld die voorbij de analyse naar wereldse normen ligt, maar toch verzaakt hij niet aan zijn plichten jegens de mensheid.

Door plichten jegens de mensheid te schuwen, die alle onder de goddelijke liefde horen en als onzelfzuchtig dienstbetoon kunnen worden vertaald, zou men aan zelfbedrog doen: de geheime vriend blijft een trouwe dienaar.

Hoewel innerlijke vrienden de inspiratie van de Godmakende aanwezigheid ervaren, behouden zij nog altijd een subtiel beeld van hemzelf en van de Godheid.

'Zij kunnen 'met' zichzelf en hun eigen activiteit niet tot de beeldenloze naaktheid doordringen.'

Zolang zij een fragment van hun eigenheid vasthouden, komen zij niet tot het padenloze.

De verborgen zonen van God - de hoogste graad van menselijke realisatie - gaan hoger dan alle beelden, die van zelf en God incluis. Zoals de druppel opgaat in de omhelzing van de zee, gaat niets verloren behalve het beeld van wat echt is.

Dat beeld, zelfs het subtielste en het meest gelouterde, is uiteindelijk onwaar en moet worden achtergelaten.

De verborgen zoon benadert de Godheid zonder eigenschappen en ontdekt daarom dat de Godheid eveneens zonder eigenschappen is. Het beeld van het Goddelijke was niet meer dan een projectie van het zelfbeeld. Naakt duikt men in de Goddelijke afgrond, die de oneindige, vurige oceaan van het eeuwige leven is.

Konden wij slechts verzaken aan onszelf en aan alle eigenbelang in onze werken dan zouden we, met onze naakte, van beelden bevrijde geest, alle dingen overstijgen en zonder tussenpersonen naar de geest van God in de naaktheid geleid worden... Wanneer wij onszelf overstijgen en in onze opgang naar God zo simpel worden dat de naakte liefde in den hoge de hand op ons kan leggen, waar liefde liefde omhelst, boven en voorbij alle vormen van deugd -dat is in onze oorsprong, waaruit wij spiritueel geboren worden- dan houden we op en wij sterven met al onze eigenheid in God. En in deze dood worden wij de verborgen zonen van God en ontdekken een nieuw leven in ons: en dat is het eeuwige leven.

Zo leidde Jan van Ruusbroec een lief en vriendelijk leven, en onderwees hij een boodschap die uiterst moeilijk was, juist omdat zij zo eenvoudig en zonder enig voorbehoud was.
Jan van Ruusbroec : blz 10
Zelfs toen hij al zeer broos en tenger was geworden, hielp hij nog allen die tot hem kwamen, ook arme Clara en Geert Groote, de stichters van de Broeders van het gemene leven.

Op een nacht verscheen zijn moeder in een droom en zei hem dat hij zou sterven voor de advent. Zo gewaarschuwd drong hij erop aan naar de gemeenschappelijke ziekenzaal te worden gebracht, waar hij onmiddellijk in een koorts verviel. Twee weken later riep hij de broeders samen, beval zich aan in hun herinnering en verliet met een glimlach het geÔncarneerde bestaan in de leeftijd van achtentachtig jaar, op 2 december 1381.

Men zegt dat Groote onmiddellijk wist dat Ruusbroec was gestorven en dat de klokken van Deventer vanzelf begonnen te luiden. In visioenen verscheen hij aan die discipelen die het lichaam van de 'wonderbare', de liefelijkste kloosterbloem, zouden gaan begraven.

Hoewel verdacht van ketterij en pantheÔsme, stond Ruusbroec in de stroom van de geestelijke helden die aan alle mensen hulp en hoop bieden.

Zijn helderheid ging over in die Helderheid waarover hij zo graag schreef:

Die helderheid is zo groot dat de liefhebbende aanschouwer, op de grond waar hij verblijft, niets anders ziet en voelt dan een onbegrijpelijk licht; en door die simpele naaktheid die alles omvat, ontdekt hij dat hij datzelfde licht is waardoor hij ziet, en niets anders... Gezegend zijn de ogen die zo zien, want zij bezitten het eeuwige leven.

                uit Het sieraad van de geestelijke bruiloft

Vertaald uit 'Hermes', Jaargang VIII, nummer 9, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, USA.
Jan van Ruusbroec : blz 11
**********************
JAN VAN RUUSBROEC
**********************


As long as we dwell in the shadow, we cannot see the sun itself; but Now we see through a glass darkly, says St. Paul.

Yet the shadow is so enlightened by the sunshine that we can perceive the distinctions between all the virtues and all the truth which is profitable to our mortal state. But if we would become one with the brightness of the Sun, we must follow love, and go out of ourselves into the Wayless, and then the Sun will draw us with our blinded eyes into Its own brightness, in which we shall possess unity with God. ... In his outpouring. He wills to be wholly ours: and then He teaches us to live in the riches of the virtues. In His indrawing touch all our powers forsake us, and then we sit under His shadow, and His fruit is sweet to our taste, for the Fruit of God is the Son of God, Whom the Father brings forth in our spirit. This Fruit is so infinitely sweet to our taste that we can neither swallow It nor assimilate It, but It rather absorbs us into Itself and assimilates us with Itself.

The Sparkling Stone, xi                 JAN van RUUSBROEC

Fourteenth century Europe witnessed the decline of the Middle Ages and the first glimmering of the Renaissance. Whilst the retrenchment of the papacy, the growing secular power of princes and the emerging strength of some cities lent a regal lustre to a few centres of wealth and learning, the period was not promising for the common man. Largely bound to feudal lands or hereditary crafts and with little hope for education outside the church, the average individual endured an impoverished and precarious life. The popes, exiled in Avignon from 1309 until 1377, set in motion the complex causes that resulted in the excesses of the Renaissance papacy and the Reformation. Peasants revolted in Flanders and France only to be harshly suppressed. Amidst economic instability, the Hundred Years' War raged (1347-1453) even while the Black Death took its own grim toll. Church organization faltered while corruption burgeoned and religious extremists flourished. Nonetheless, political chaos, social decay and spiritual degradation provided an arena for a resurgence of authentic mystical insight instantiated in a constellation of luminaries: Meister Eckhart, Richard Rolle, John Tauler, Henry Suso, the author of the Cloud of Unknowing, Catherine of Siena, Walter Hilton, the Friends of God, Julian of Norwich and the Brethren of the Common Life. Jan van Ruusbroec was born at the beginning of this turbulent period and died at the advent of the Italian Renaissance, his life spanning most of the century.
Jan van Ruusbroec : blz 12
Though Jan van Ruusbroec was appreciated in his own time and though he influenced many disciples, little is known of his life. This is only partially due to his reticence to reminisce, for those who knew him well agreed that his life as reckoned by historians was uneventful. He unhesitatingly participated in the affairs of the world for many years, but he did so in ways that did not call attention to himself. For Ruusbroec, real life is lived on inner planes; the rest is a matter of unobtrusive duty. Ruusbroec was born in 1293 in the village whose name he took, between the towns of Brussels and Hal. He lived out his whole life within the province of Brabant. He was raised by his devoted mother, who found his strong will and adventurous spirit more than she could guide, yet her own serene piety and unqualified love left a permanent impression on her son. At the age of eleven Ruusbroec went - some say ran away - to Brussels, where he met his uncle Jan Hinckaert, canon of the cathedral of St. Gudule. Apparendy Hinckaert recognized in Ruusbroec the same depths of spiritual promise that stirred in his own bosom, for he took the boy under his wing at once, and, with his close companion Francis van Coudenberg, a younger canon, the three formed a lifelong association.

Hinckaert paid for Ruusbroec to attend the schools of Brussels, where he studied the trivium and quadrivium - grammar, dialectic, rhetoric and music, arithmetic, geometry and astronomy. Ruusbroec spoke the tbiois, a Germanic dialect that evolved into modern Flemish, and so he had to learn Latin. Though he did well in all his studies and established a firm foundation in mediaeval learning, his interest and talent lay in theology. He absorbed, perhaps indirectly, Plato, Plotinus, Dionysius the Areopagite and Augustine. Some historians believe that he went to Cologne and learnt the teachings of Meister Eckhart and the methodology of Albertus Magnus. He came to see scholastic logomachy as vain and other studies as distracting. His heart ruled his head in that he came to desire nothing but Divine Wisdom, and in time his philosophical and theological studies gave way to intense meditation. Already, Ruusbroec's reputation for study and natural piety had spread as far as his native village, and his mother came to be with him in Brussels. Since she could not live in the house of Canon Hinckaert, she became a bťguine, a sister in a lay mendicant order. Ruusbroec frequently visited her in the bŤguinage, and after she died a few years later, she visited him in vivid dreams on several occasions to give him sound advice and spiritual encouragement.

By the time he was twenty-four in 1317, Ruusbroec was ordained priest and placed under the ecclesiastical jurisdiction of Hinckaert. Around this time, Hinckaert and Coudenberg resolved to undertake a disciplined spiritual life. They disposed of their modest wealth amongst the poor and retired to a simple house with only the minimal necessities of life. Ruusbroec was deeply affected by their example and soon joined them. For twenty-six years Ruusbroec served as a priest of St. Gudule, performing the sacraments and ministering to the people. Except for one incident, he laboured industriously and in silence, and those who benefited found him to be warm and compassionate, though a solitary in every respect. Nevertheless, he carefully observed human nature. He was appalled by the degradation of the church and clergy on the one hand, and by tendencies to extreme views amongst people oppressed by the instabilities of the time. He wrote against bishops and prelates who travelled in luxury. With such a one, 'business progresses, money flows into his purse and souls are not touched Priests begged in the cathedral for funds, even though the church supported them. Seeing this, and seeing the clergy flaunt every vow, the laity was understandably cynical and vulnerable to pseudo-spiritual pretence. Christians lacked taste, 'taste for the service of the Lord'.

Look - for these people the monastery is a prison and the world is a paradise. For they have no taste for God or eternal blessedness.
Jan van Ruusbroec : blz 13
The church was vitiated by its own corruption in part because it had made the Divine remote through insistence on an unqualified distinction between creator and creation. Reaction amongst the people frequently found expression in an extreme affirmation of immanence, including glossolalia, emotionalism, defiant amorality and pantheism. Whilst serving as a cathedral priest, Ruusbroec spoke out only once. A diffusive group known as the Brethren of the Free Spirit preached that those upon whom the Spirit had descended were already divine and therefore not subject to human codes of conduct. A woman called Bloemardinne seized leadership of this movement and made extravagant claims. Besides claiming supernatural and prophetic powers, she said she was accompanied by two seraphim. She held that 'seraphic love' replaced all vows and rituals, and translated this doctrine into a cavalier eroticism. Ruusbroec was horrified and attacked her ideas through a series of pamphlets. This one-dimensional egotistic pantheism, he argued, confuses crude images of the Divine with authentic mystic experiences, and thus rejects as unneeded discipline, practice and vows, and encourages indulgence of every inclination. Whilst both Bloemardinne's tracts and Ruusbroec's refutations are lost, history recorded mixed reactions. Derisive songs were written against Ruusbroec, and he was mocked in the streets. In time the dispute died away, leaving Ruusbroec to his daily round.

In 1343 the three spiritual companions resolved to withdraw from the tumult of the world and dwell in some remote fastness. John III, Duke of Brabant, had long respected them for their simple life and willingly granted them possession of an old shooting-lodge which had been used as a hermitage. Groenendael or Le Vau-vert ('green valley') was located in the heart of the forest of Soignes, which received its name (originally Sonien) from an ancient centre of sun-worship there. Here the three brothers lived for five years undisturbed. The sincerity of their intent, their quiet virtue and their radiant cheerfulness in humble circumstances gradually attracted many serious followers. Whilst some came for spiritual advice, others came to stay and seek guidance. This unanticipated development made their informal life untenable at a time when the church was worried about spontaneous associations with heretical tendencies and the Inquisition was expanding its activities. After careful deliberation, the group adopted the rule of the Augustinian Canons. Ruusbroec refused to be provost, an office which fell to Coudenberg. Ruusbroec accepted the position of prior, but Hinckaert, fearful that advanced age might prevent him from fulfilling the rule, separated himself from his friends and retired to a cell in the forest, where he dwelt until his death.
Jan van Ruusbroec : blz 14
The need to teach new brothers of the Priory of Groenendael, the expansive silence of the forest and Ruusbroec's quickened inner life joined together to compel him to speak and write. He wished to convey the quintessence of the 'superessential life'' as a practice and way of life open to all human beings. He rejected Latin as his medium of discourse and chose instead his own dialect, despite its paucity of spiritual and philosophical terms. During the next three decades he composed at least eleven pristine treatises of spiritual instruction. The Spiritual Tabernacle interpreted the Israelite tabernacle set up by Moses in the desert as an archetype of the spiritual life. The Twelve Points of True Faith gave a mystical interpretation of the Apostles' Creed. His most systematic and elaborate works are The Kingdom of God's Lovers and The Adornment of the Spiritual Marriage, which deal with the unfolding of the soul. He composed detailed instructions on asceticism and mysticism as an authentic way of life because he knew from personal experience that one inclined to soar risks veering off into one or another down draught or being trapped on one plane of awareness. Always dissatisfied with his written expressions, he sought ever more lucid explanations, until the fruition of his maturity manifested in The Book of the Sparkling Stone, The Book of Supreme Truth and The Twelve Beginnes.

The initial and pervasive principle of the mystical life - which for Ruusbroec is real life, life in spirit - is love intensely experienced within and expressed as friendly helpfulness without. In The Twelve Bťguines he wrote:

Those who follow the way of love
Are the richest of all men living:
They are bold, frank and fearless,
They have neither travail nor care,
For the Holy Ghost bears all their burdens.
They seek no outward seeming,
They desire nought that is esteemed of men,
They affect not singular conduct,
They would be like other good men.
Jan van Ruusbroec : blz 15
All requisite practices come out of deepest love; they do nut generate it. Without a love that shines on all human beings, practices and disciplines become eccentricities at best and distorted forms of egotism at worst. Thus, a spiritual human being, a true Christian, is first of all a good and zealous man, and secondly an 'inward and ghostly' man. He becomes an uplifted and God-seeing man and then 'an outflowing man to all in common'. When one is these four things, one can be said to be perfect. This four-square foundation set upon the adamant of love constitutes the basis and substance of the spiritual life as set out in The Book of the Sparkling Stone.

Given these requirements for realization of the Divine, Ruusbroec taught how they are acquired. A human being becomes good through three means: a conscience cleansed through self-examination and discerning application; obedience to God, to the rules of the church and to one's own convictions, all of which have equal claims on obedience; and performance of action with the Divine in mind, there being no other reason for or end to action. A clean conscience builds impersonal discrimination and gives proper exercise to the will, and the threefold obedience blocks pride and self-regard on the one side and excuse-making and self-righteousness on the other. Acting for the Divine diminishes the powers of attraction found in the world. There are also three requirements to become inward. First of all, one must divest the heart of images, which means that one cannot be attached to anything - objects, individuals, feelings or ideas. Secondly, one must gain 'spiritual freedom' in one's desires, forsaking all lesser loves for an intense longing for the Divine, which is the only object worthy of unconditional love. Thirdly, one must want union with God, which demands the dissolution of even sacred images, 'for God is a Spirit of Whom no one can make to himself a true image'. This is the beginning of life in spirit, not the world.

The man must sink down to that imageless Nudity which is God; this is the first condition, and the foundation, of a ghosdy life.

If the first two elements of the spiritual individual concern the reordering of his attitude towards the world and the reconstitution of his psychic nature, the remainder concern the inner, transcendental life of which many receive intimations, a few taste and fewer still learn to live fully. Three requisites are needed to become a God-seeing man:

The first is the feeling that the foundation of his being is abysmal, and he should possess it in this manner; the second is that his inward exercise should be wayless; the third is that his indwelling should be a divine fruition.
Jan van Ruusbroec : blz 16
When one actually experiences union with the Divine, the union which includes Deity and individual is revealed as abysmal - without finite dimension, wholly dark, an emptiness in respect to images and the world. In this sense, the individual who comes to live in the Divine dies to self and world. Divine Unity is Divine Abysm, where one is naked (without qualities) and imageless (without discursive thought), the inmost centre of one's own spirit.

There he finds revealed an Eternal Light, and in this Light he feels the eternal demand of the Divine Unity; and he feels himself to be an eternal fire of love, which craves above all else to be one with God. The more he yields to this indrawing or demand, the more he feels it. . . . And thus you may see that the indrawing Unity of God is nought else than fathomless Love. .. . And therefore we must all found our lives upon a fathomless abyss, that we may eternally plunge into Love and sink down in the fathomless Depth.

From this standpoint, a rule of life can be adopted with great and enduring benefit, but a life of meditation cannot be taught. An individual who has achieved this pinnacle of spiritual experience has not simply attained a desired goal or acquired an exceptional trait; he has undergone a transmutation of his nature. Though he has followed a path to the inner abysm, he is now wayless, without motive, intention, mode or direction in any temporal or categorical sense. His conscious existence is a transcendent space called Deity, an enlightened state incomprehensible to the discursive intellect. Thus, he receives a sparkling stone with a new name inscribed on it, though none but the receiver can ever know it. This stone is the Eternal Word as it manifests to him. Each comes to the Divine in his own way and so receives a different name, but all who come have purged themselves of sin. Sin has less to do with acts than with motives, for divine gifts can be used for both virtue and error.

Within his spiritual psychology, Ruusbroec distinguished five kinds of sinners and three companions of the Divine. Amongst sinners, the first class consists of those who are worldly and careless of good works; they suffer from multiplicity of heart. The second kind perform good deeds and love justice, yet willingly lapse into error. The third group are unbelievers, those who have little or erroneous faith (faith should be in the Divine and their own inner nature, not in dogmas alone). The fourth are shameless and without moral sensibility. The fifth are outwardly pure so that the world will think them holy, but the motive is wrong in that it seeks some ephemeral end. None of these conditions is predestined or congenital, and so all sinners can restore human dignity and a sense of the sacred within themselves. Nonetheless, there are degrees among those who turn towards the Divine. The hirelings of God follow what they take to be divine commands, but they do so out of self-love. They fear to lose the promise of heaven and they fear hell even more. Divine grace is unbounded compassion, and so the fear of hell arises only from self-love. This fear is justified in a paradoxical and inverted sense, for self-love produces hell. The faithful servant has overcome his fear because he has resigned everything to the Divine, and so has resigned his selfhood, demonstrating the first level of genuine faith. His actions result from love of God.
Jan van Ruusbroec : blz 17
The inward or secret friend of God presses beyond the motive of love while encompassing it. He turns wholly away from the world and is no longer divided in heart in any way. To ignorant outsiders he seems to do nothing because he cannot act in ways accountable by images and worldly motives. In the parable of Martha and Mary, Jesus praised both for their devotion. Martha exemplified faithful service, yet Mary won greater esteem because she was a secret friend, a true contemplative. For Ruusbroec, however, the man of meditation exists beyond analysis by worldly standards, but he does not forsake his obligations to humanity. To shun duties to mankind, which can all be subsumed under the rubric of divine love and translated into selfless service, is to delude oneself: the secret friend remains a faithful servant. Although the inward friends experience the afflatus of the Deific Presence, they still retain a subtle image of themselves and of Deity. 'They cannot with themselves and their own activity penetrate to the imageless Nudity.' Retaining some fragment of their selfhood, they do not pass into the Wayless.

The hidden sons of God - the supreme possibility of human achievement - transcend all images, including any image of self and the Divine. Like the drop disappearing in the consuming embrace of the sea, nothing is lost save the image of what is real. That image, though of the subtlest and most purified nature, is ultimately false and must be stripped away. The hidden son approaches Deity without attributes and therefore discovers that Deity is likewise attributeless. The image of the Divine was nothing more than a projection of self-image. Stripped naked, one plunges into the Divine Abysm, which is the infinite, fiery ocean of Eternal Life.

Could we renounce ourselves and all selfhood in our works, we should, with our bare imageless spirit, transcend all things, and without intermediary we should be led by the Spirit of God into the Nudity. . . . When we transcend ourselves, and become, in our ascent towards God, so simple that the naked love in the height can lay hold of us, where love enfolds love, above every exercise of virtue - that is, in our Origin, of Which we are spiritually born - then we cease, and we and all our selfhood die in God. And in this death we become hidden sons of God, and find a new life within us-, and that is eternal life.

Thus, Jan van Ruusbroec lived a gentle and friendly life, teaching a message of great difficulty precisely because it was simple and without qualification. Even as he grew frail, he aided all who came, including Poor Clares and Geert Groote, who founded the Brethren of the Common Life. One night his mother appeared to him in a dream and told him he would die before Advent. Thus forewarned, he insisted on being taken to the common infirmary, where he at once succumbed to a fever. Two weeks later, he called the brothers to him, commended himself to their memory and, smiling, passed painlessly out of incarnated existence at the age of eighty-eight on December 2, 1381. It is said that Groote knew at once of Ruusbroec's death and that the bells of Deventer tolled on their own. He appeared in visions to those of his disciples who undertook to bury the body of 'the sweetest monastic flower'. Though suspected of heresy and pantheism, Ruusbroec entered the sacred stream of spiritual heroes who offer help and hope to all human beings. His brightness passed into that Brightness of which he loved to write:

This brightness is so great that the loving contemplative, in his ground wherein he rests, sees and feels nothing but an incomprehensible Light; and through that Simple Nudity which enfolds all things, he finds himself and feels himself to be that same Light by which he sees and nothing else. . . . Blessed are the eyes which are thus seeing, for they possess eternal life.

The Adornment of the Spiritual Marriage

Tsong-kha-pa : blz 1
Tsong-kha-pa
VOORWOORD

Door een samenloop van omstandigheden waren wij genoopt in deze aflevering van de GLT-reeks het artikel over Tsong-kha-pa samen te stellen door een beroep te doen op drie verschillende bronnen.

Deel A , 'Tsong-kha-pa in de Theosofie', geeft algemene beschouwingen vanuit het theosofisch standpunt en steunt hoofdzakelijk op uitspraken en mededelingen van Mevrouw Helena Petrovna Blavatsky.

Deel B is de vertaling en bewerking van een artikel verschenen in 'Hermes', dl. II, jan. 1976, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, U.S.A.

Deel C gebruikt meer academische bronnen, ook al zijn die te vinden in een Theosofisch werk, zoals de 'Blavatsky Collected Writings'.

De Tibetaanse Instituten die nu in West-Europa actief zijn, zijn niet zo direct met Tsong-kha-pa begaan als wij, en vermoedelijk zouden zij er ook weinig voor voelen even grote en dezelfde verschillen tussen geelkappen en roodkappen te zien als de Theosofische schrijvers van de negentiende eeuw.

Dit verklaart misschien de nogal opvallende accentverlegging in de delen A en C. Alle bronnen behandelen Tsong-kha-pa echter met grote eerbied en daarom hebben wij niet geaarzeld ze alle aan te wenden .

De tragische toestand in Tibet, in onze tijd ontstaan door de Chinese verovering en bezetting, kan lang duren maar zal niet permanent zijn. Intussen wordt veel ondernomen om de Tibetaanse cultuur te behoeden tegen teloorgang door steun aan de Tibetaanse vluchtelingen in India en elders. Deze pogingen verdienen onze volle sympathie en medewerking.

A. TSONG-KHA-PA in de Theosofie

Tsong-kha-pa, de grote Tibetaanse hervormer uit de veertiende eeuw, neemt in de Theosofie een bijzonder belangrijke plaats in en ernstige Theosofen denken aan hem met dankbaarheid en ontzag.
Tsong-kha-pa : blz 2
Volgens de verklaringen van Mevrouw Blavatsky,(bijvoorbeeld in de 'Collected Writings', XIV, 431) was hij het immers die de impuls gaf voor de laatste zeven eeuwen van de Theosofische Beweging in Europa:

'Onder de bevelen van Tsong-kha-pa is er een opdracht uitgegaan die aan de Rahats oplegt in elke eeuw en vanaf een bepaald tijdstip van de cyclus een poging te ondernemen om de wereld, ook die van de 'Witte Barbaren', te verlichten.

Tot nu toe heeft geen enkele van deze pogingen veel succes gehad. De ene mislukking volgde op de andere. Moeten wij dit verklaren in het licht van een zekere profetie?

Er wordt gezegd dat het weinig nut zal hebben te proberen de verkeerde opvattingen van de 'Pelings' (Europeanen) te ontwortelen, omdat zij toch naar niemand luisteren, tot de Panchen Rinpoche (het Grote Juweel van Wijsheid) erin toestemt in hun land te worden herboren en te verschijnen als de spirituele veroveraar, die de dwalingen en de onwetendheid van eeuwen teniet zal doen. Uit B.C.W., VI, 105 blijkt dat deze voorspelling ook van Tsong-kha-pa komt.

Op de voorlaatste pagina van haar 'Sleutel tot de Theosofie' geeft H.P.B. een positiever beeld van de beweging:

'...ik moet u zeggen dat in het laatste kwart van iedere honderd jaar, door die 'Meesters' over wie ik u heb gesproken, een poging wordt gedaan om de geestelijke vooruitgang van de mensheid op een duidelijke en bepaalde wijze te stimuleren. Tegen het einde van iedere eeuw zult u steeds een uitstroming of opleving van geestelijke krachten - of van mystiek, zo u wilt - zien plaatsvinden. Een of meer personen verschijnen in de wereld als hun tussenpersoon en er wordt een zekere hoeveelheid occulte kennis en leringen gegeven. Als u dat wilt, kunt u die bewegingen van eeuw tot eeuw naspeuren, voor zover de geschiedkundige bijzonderheden zijn vastgelegd.' (Vertaling Theosophical University Press, Den Haag, 1985, p.285).

Tot dusver hebben we geprobeerd met deze reeks boekjes aan te tonen dat er een dergelijke verlichtingsbeweging bestaat, in vrijwel alle tijden en landen, maar we hebben het aan de lezers overgelaten vast te stellen of er in die beweging constanten zijn, continuÔteit en vooruitgang in het ontdekken, ontvouwen en uitbouwen van de wijsgerige, weten-schappelijke en mystieke waarden. Zo'n beweging zou misschien ook spontaan kunnen verlopen, alleen op grond van voortzetting, gemeenschappelijke ervaringen en inzichten. Maar de specifieke stelling van de Theosofie is dat zij bovendien wordt geleid en gecoŲrdineerd door de 'Witte Loge' of Broederschap van Meesters van Wijsheid, die haar ingewijden en adepten uitzendt als haar agenten en dat dit in Europa systematisch heeft plaatsgevonden vanaf de veertiende eeuw. Dan verschijnt reeds de welhaast mythische Christiaan Rozenkruis en op hem volgt de stoet van mystici, geleerden, filosofen, politici, heiligen en helden en occultisten, die verbonden waren met het Rozenkruis, het hermetisme, de vrijmetselarij en de Theosofie.
Tsong-kha-pa : blz 3
Vanaf nu zullen we hen in deze reeks boekjes zien verschijnen, zodat we de kans zullen krijgen de beweging 'van eeuw tot eeuw na te speuren'.

Als we ons nu afvragen hoe het mogelijk kon zijn dat Tsong-kha-pa, een monnik die meer dan dertig jaar en onder niet minder dan vijfenveertig professoren moest studeren om (terug?) in het bezit te komen van de kennis die hij nodig had, als het ware bevelen kon geven aan de leden van de 'Witte Loge', dan is het antwoord verbluffend simpel: hij was een reÔncarnatie van de Boeddha. De Boeddha (Siddharta, Gautama, Sakyamuni, Sang-gyas, Amita-Boeddha) geldt in de Theosofie als de verst gevorderde mens op deze planeet. Hij is immers een 'zesde-ronder' en wel de enige; of tenminste was dat zo in de vorige eeuw. De Mahatma's van de 'Witte Loge' en hun hoofd, de Maha-Chohan (voor wie de toekomst is als een open boek) zijn volgelingen en dienaren van 'de Boeddha'.

Deze had zich reeds vroeger gereÔncarneerd: eerst als Sankaracharya, volgens de Theosofie gestorven in 510 v. Chr., ('Five Years of Theosophy', p.195), later misschien als Apollonius van Tyana (B.C.W. XIV, 405)(ook: Gele Reeks, boek I, nr.1; noot red.) Tsong-kha-pa was echter zijn eerste reÔncarnatie in Tibet (B.C.W. XIV, 427).

Het is niet altijd overduidelijk wat men hier onder 'reÔncarnatie' moet verstaan. Een sterk ontwikkeld geestelijk wezen kan een deel van zijn invloed of uitstraling op een bepaalde persoonlijkheid richten, en ook dan wordt er soms over reÔncarnatie gesproken, maar eigenlijk gaat het dan eerder om een 'overschaduwing': de wijsheid van bijvoorbeeld de Boeddha wordt dan gedeeltelijk belichaamd of 'geÔncarneerd'.

In het geval van Tsong-kha-pa spreekt H.P.B. zich echter duidelijk uit. Zij schreef in de 'Theosophist' van maart 1882, in het artikel 'Reincarnations in Tibet', dat volgens optekeningen in de Gonpa, het voornaamste lamaklooster van Tashi-lumpo, Sang-gyas de gebieden van het 'Paradijs in het Westen' (vermoedelijk een geestelijk gebied vergelijkbaar met Devachan), had verlaten om zich te incarneren in Tsong-kha-pa, vanwege de grote ontaarding waarin zijn geheime leringen waren vervallen.
Tsong-kha-pa : blz 4
Met Tsong-kha-pa begint dan het regelmatige systeem van incarnaties van 'Sang-gyas' of de Boeddha in Tibet. Praktisch betekent dit dat de hoofdfiguren van de sekte der Geelkappen, de Dalai Lama's, Teshu Lama's en misschien anderen, tenminste zijn overschaduwd door de wijsheid van de Boeddha. Dit moet ook nu nog zo zijn met de veertiende Dalai Lama .

De aanleiding voor de incarnatie van Boeddha/Tsong-kha-pa in 1357 in Tibet was dus de ontaarding van het boeddhisme onder de verscheidene sekten van lama's, die de 'goede leer' opnieuw hadden vermengd met geloofsvormen en praktijken van de oude bŲn-religie.

Waarom in Tibet en waarom precies in de veertiende eeuw? Het is heel moeilijk die vragen met enige zweem van zekerheid te beantwoorden, omdat er zo vele factoren zijn waarmee men rekening moet houden: de verspreiding van het boeddhisme buiten India in verschillende bodems met verschillende achter- gronden, de verdrijving van boeddhistische leraren uit India wanneer het brahmanisme daar de heerschappij helemaal terugverovert, het onderscheid tussen exoterische en esoterische scholen, en meer bepaald tussen de opvattingen van de zuidelijke en noordelijke scholen, hinayana en mahayana, psychologische en politieke elementen, de toestanden in de wereld als geheel zoals ze op een bepaald ogenblik zijn en zoals ze later dreigen te worden en die steeds de aandacht van de 'Witte Loge' gaande houden, etc., etc.

In de voetnoten die volgen op de biografische en bibliografische gegevens over Tsong-kha-pa vindt de lezer enkele aanduidingen over de toestand in het Tibet van de veertiende eeuw. In dat land was sinds onheuglijke tijden het Aziatische centrum van de 'Witte Loge' gevestigd en reeds lang voor het verschijnen van de Boeddha in India, in de zesde eeuw v. Chr., waren van daaruit pogingen ondernomen om de geestelijke beschaving ook in het Westen te verspreiden, onder andere met Arjuna-Orpheus, de grondlegger van de eerste Griekse mysteriŽn, veel later gevolgd door Pythagoras en Plato.

Een ononderbroken keten van leraren reikt van toen tot in onze tijd. Hun activiteiten liggen soms heel ver buiten de grenzen van de academische geschiedschrijving en archeologie. Hun werk vordert in cyclussen van op- en neergaande impulsen, van middelpuntzoekende en middelpuntvliedende krachten; het maakt gebruik van en past zich aan bij de karmische ontwikkeling van de mensheid. Hun ideeŽn blijven onuitwisbaar ingeprent op de menselijke gevoeligheid voor het heilige en het mystieke. Sommige van hun pogingen blijven eeuwenlang nawerken; andere kunnen in ťťn enkel leven van volgeling of discipel geheel worden herbeleefd.
Tsong-kha-pa : blz 5
De traditie van Pythagoras en Plato bouwde op het edele idee dat de godheid onuitsprekelijk is en de mensheid onverdeelbaar, maar zij werd uitgehold door de opkomst van een materialistische en mechanistische wetenschap, die een utilitaristische en zelfzuchtige moraal meebracht. Mensen met bekrompen geest en op macht beluste motieven eigenden zich de boodschap van de Nazareense leraar toe en probeerden in zijn naam de wetten van de natuur te ontkennen en aan de godheid menselijke vorm toe te kennen.

Maar hoewel de kerk evenzeer groeide in macht als in bijgeloof, bleven meer verheven leringen het hoofd opsteken. De gnostici bewaarden een hoogstaande ethica en kosmogonie; zij wezen op morele causaliteit en reÔncarnatie als de sleutels tot ware kennis, de 'gnosis', en verklaarden dat praktische alwetendheid mogelijk was door zelfkennis en door transcendentie van dat eigen zelf.

Opgejaagd en vervolgd zochten zij hun toevlucht buiten de gebieden rond de Middellandse Zee, en hun leringen kwamen via ArmeniŽ en PerziŽ naar Egypte, Griekenland en Byzantium. Via de volkeren van de Balkan gaven zij aanleiding tot bogomilen en paulicianen, katharen en albigenzen. Paus Innocentius III had eerder besloten dat hij de absolute macht moest veroveren en organiseerde in Europa de kruistocht die hij voor zijn politiek nodig achtte.

Terwijl hij enerzijds aan de brave en goedgelovige Sint- Franciscus toestond zijn orde op te richten, stelde hij anderzijds de gevreesde inquisitie in, die het menselijk denken aan de pauselijke autoriteit moest onderwerpen door het geloof in reÔncarnatie en eigen verantwoordelijkheid uit te roeien.

Het verhaal doet de ronde dat, na de verovering van Bťziers in 1209, abt Arnold de vreselijke woorden uitsprak, 'Slaat ze allen dood; God zal de zijnen wel herkennen!' De historische accuratesse van deze uitspraak wordt betwijfeld, maar in alle geval gaf zij duidelijk de geest van de onderneming weer. Een nacht van duisternis verspreidde zich over Europa.

B. Theosofische Commentaar op het werk van Tsong-kha-pa

Volgens de Theosofie werden dus in Tibet tegenmaatregelen genomen, die de mystieke filosofie zouden doen herleven, onder andere door de Rozenkruiserij in het noorden in de veertiende eeuw en de stichting van de platonische Academie in Florence in de vijftiende eeuw. We richten nu onze aandacht terug op de gebeurtenissen die het lot van de hele wereld zouden veranderen: In 1357 werd Tsong-kha-pa geboren, in Amdo, oostelijk Tibet, in 'Tsong-Kha', de streek van de uien.
Tsong-kha-pa : blz 6
Hij, een emanatie van Amitabha Boeddha, werd reeds zeer jong, onder de geestelijke naam Lobsang Drakpa, aan een boeddhistisch klooster toevertrouwd om er de leringen van de Wijsheidsreligie te bestuderen. Hij deed dit onder andere door kennis te maken met de geschriften van Asanga, (een boeddhistische filosoof van de vierde en vijfde eeuw, stichter van de Yogachara school) en met die van de Madhyamika school van Nagarjuna (tweede en derde eeuw), de school van de 'Middenweg' tussen de oude scholen van het zuiden en die van het mahayana. Zijn intense meditatie veroorzaakte een diepgaande exaltatie van zijn bewustzijn en men zegt dat hij hierdoor onderricht kreeg van Manjushri, de Bodhisattva van Wijsheid, die zelf voor een der directe leerlingen van de Boeddha wordt gehouden. We geven toe dat de relaties van leraar tot leerling en vice versa ietwat gecompliceerd schijnen en verwijzen voor meer bijzonderheden naar de biografie en de voetnoten in het laatste deel van dit artikel.

Tsong-kha-pa nam twee grote taken op zich: ten eerste het uitzuiveren, bewaren en verspreiden van de Wijsheidsreligie, en ten tweede het 'Plan van zeven eeuwen' om de wereld door verstandelijke en geestelijke versterking tot de ontkiemingbodem te maken van het nog verre zesde onderras. Hij zuiverde het boeddhistische denken van het bijgeloof en de machtswellust van de inlandse bŲn-tovenarij, die boeddhistische symbolen had aangenomen en zo de boeddhistische praktijk infiltreerde en besmette.

Hij stichtte het Ganden klooster in Lhasa en richtte de orde van de Gelugpa of 'geelkappen' op. Hij verbood alle vormen van necromantie en liet in 1387 alle boeken over tovenarij verbranden, maar produceerde zelf een hele bibliotheek, waarvan volgens H.P.B. (B.C.W. XIV, 441) niet eens het tiende deel bekend is. Zijn derde opvolger werd de eerste Dalai Lama.

Tsong-kha-pa zelf had de tekens aangeduid waardoor men de aanwezigheid van een van de vijfentwintig Bodhisattva's (Boeddha's) of van de Hemelse Boeddha's (Dhyani-Chohans) in een menselijk lichaam kon herkennen (B.C.W. XIV, 427).

Als agent van de Loge van Mahatma's wist Tsong-kha-pa dat de esoterische leringen de ware zevenvoudige natuur van de mens onthullen, en dat de onderlinge relaties tussen principes, gebieden en wezens de sleutel bevatten tot geweldige geestelijke en fysieke krachten.

Daarom schreef hij: 'Iedere heilige waarheid, die de onwetenden niet in het ware licht kunnen begrijpen, zou drievoudig verborgen moeten worden zoals de schildpad haar hoofd terugtrekt in haar schelp, en zou alleen vertoond mogen worden aan hen die de toestand van Anuttara Samyak Sambodhi willen bereiken - het meest mededogende en verlichte hart. Zijn wens was niet dat de waarheid verborgen zou blijven, maar dat de degradatie van de waarheid door misbruik verhinderd zou worden, uit vrees voor de verschrikkelijke karmische gevolgen tijdens een cyclus van geestelijke duisternis.

In 'De drie principes van het pad' leert hij dat dit pad kan worden bewandeld in het drievoudig licht van verzaking, geestelijk ontwaken (Bodhichitta) en juist inzicht. Dit 'licht van de durf, dat in het hart brandt' wordt aangestoken wanneer de discipel de gelofte van Tsong-kha-pa aflegt en assimileert:
Tsong-kha-pa : blz 7


'Moge ik, door de verscheidene Verdiensten die ik opgestapeld heb,
door onsterfelijke liefde, harmonie in de daad,
geduld, gestadig pogen, meditatie en wijsheid,
komen tot Boeddhaschap voor het heil van alle levende wezens.'

In 'De korte samenvatting der betekenis van de stadia op het pad' onderwees hij dat onvoorwaardelijke toewijding aan de leraar de grondslag is van alle morele kracht en actie. 'Van alle handelingen is spreken de hoogste; indien dit zo is, dan is het dat vanuit het standpunt dat de wijzen de Boeddha dienen te volgen.'

'Hecht u, met ijver, in uw denken en uw doen,
aan de heilige geestelijke vriend, de Leraar op het Pad,
die in onafhankelijke keuze de wortel is van harmonie
en aan dit en toekomstige levens hun verheven waarde geeft.
Als ge dit eenmaal begrepen hebt, blijf er dan voor immer aan trouw, zelfs ten koste van uw bestaan en wees hem welgevallig door te handelen zoals hij het u voorschrijft.'

Zij die naar het spirituele streven, handelen in het licht van de raad die zij van hun goeroe krijgen.

Dat het denken, het motief en de goeroe in de geestelijke vooruitgang centraal staan, wordt bewezen door de natuurlijke onvermijdelijkheid van het karma en zelfs door het vooroordeel en de beperkingen die de onwetendheid van de niet-verlichte mens kenschetsen.

'Een verlichte houding is de grondslag van de beste weg...

Dit wetende zullen de helden, de zonen van Boeddha, dit kostbare juweel van het denken koesteren als de bron van ware spiritualiteit.' Een verlichte houding rijst op uit zelfstudie en meditatie.

'Als ge niet probeert de Waarheid van het lijden -
- de pijnen van 'samsara' - te aanschouwen,
zal de begeerte naar bevrijding niet in u geboren worden.
Als ge de oorzaak van het lijden niet aanschouwt - de stadia waardoor de mens 'samsara' binnengaat,

Zult ge niet weten hoe de wortels van 'samsara' uit te roeien.'

Tsong-kha-pa : blz 8
En Tsong-kha-pa herhaalde de fundamentele boodschap van de Boeddha:

'Al de zwakheden van de wereld zijn diep geworteld in onwetendheid.'

De geestelijke weg is het totale oplossen van onwetendheid, een taak die nooit door de activiteit van de rede alleen kan worden volbracht. Het intellectuele begrip is gebonden aan vormen, hoe abstract die ook mogen zijn, en alle vormen zijn afhankelijk van de toestanden van 'samsara', de wereld van illusie en van voorwaardelijk bestaan.

'Wat kunnen we zeggen dat dieper gaat en wonderbaarlijker is dan dit: alles wat van voorwaarden afhangt is ontbloot van waar bestaan'

Het ontwaakte Buddhi, dat de wil en de intuÔtie van het individu verenigt en door de sluier van Maya dringt, is de spirituele waarneming van de volheid van de schijnbare leegte.

'Het verlichte denken te bereiken is de poort naar het mahayana pad,

de basis en de ondersteuning van Bodhisattva's grote daden, een steen der wijzen die alles omzet in wijsheid en Verdienste, een schat van Verdienste die glorierijke deugd vergaart.'

Alleen Buddhi kan tot de kern van het zijn doordringen.

'Als wij door intuÔtie niet kunnen begrijpen dat wat het Zijn is,
hoezeer wij ons ook uit de wereld terugtrekken en verlichting verwerven,
zullen wij nooit de wortel van 'samsara' kunnen doorsnijden.
Probeer daarom het relatieve te begrijpen.'

Terwijl de chela het Buddhi in zichzelf moet ontwikkelen, verstrekt de goeroe kritisch leiding op het pad naar Bodhisattva.

'Wanneer ge de mantel van inspanning aantrekt,
die gestadig en onwankelbaar is,
groeien de uitmuntendheid van het onderricht
en het inzicht als de wassende maan;
alle daden krijgen betekenis
en wat ge begint wordt ook zoals gewenst voltooid.'

De Middenweg bestaat noch uit gehechtheid aan 'samsara' noch uit spoed naar 'nirvana', want die verlichting die op het heil van alle wezens mikt, moet zich bewegen tussen beide.
Tsong-kha-pa : blz 9


'Hij die inziet dat alle dingen in 'samsara' en 'nirvana' onfeilbaar aaneengeklonken zijn in hun oorzaken en gevolgen en in wie alle vooroordelen verdwenen zijn, heeft zich begeven op het pad dat alle Boeddha's begeestert.'

Wanneer het doel is bereikt, worden de vermogens en deugden van de hele natuur die van de Bodhisattva.

'Zedelijk gedrag is het water dat de verontreiniging van verkeerde daden wegspoelt.
Het is het maanlicht dat de hete draaikolken van de hartstochten afkoelt.
Even verheven als de berg Meru in het midden van de mensheid, verzamelt het alle wezens zonder enige bedreiging met geweld.
Dit begrepen hebbende,
beschermen de Bodhisattvas dit zedelijk gedrag als hun eigen ogen.'

Maar de deugd kan evenmin in het zelf worden opgesloten als de wateren van Sumeru kunnen worden tegengehouden. Met zijn volle mededogen gericht op de vooruitgang van de mensheid, schreef Tsong-kha-pa: 'Ik draag deze deugd op zodat alle wezens door een geestelijke leraar mogen worden gesteund.'

Wetend dat de wortel van alle wijsheid, zelfkennis is 'het kroost van liefderijke daden', legde Tsong-kha-pa de grondvesten van publieke toegankelijkheid tot het Pad van de voorgangers.

Achter de schermen en alleen gezien door de meest intuÔtieve discipelen, werkt de Loge van Mahatma's ononderbroken aan de verheffing van het Manas en het Buddhi van de mensheid.

Als agent van de Mahatma's nam Tsong-kha-pa de verantwoordelijkheid op voor de start van het 'Plan der zeven eeuwen.'

De hervorming die de boeddhistische leringen terugbracht naar hun oorspronkelijke staat van zuiverheid en de orde van de Gelugpa oprichtte, werd de hoeksteen en de repetitie van een globale renaissance van geestelijke vrijheid en waarheid, dit is de restauratie van de universele gemeenschap, de Sangha, en wat het Westen betreft, de terugkeer van de MysteriŽn op een onaantastbare basis.

Zijn besluit, de geestelijke stromingen op de wereld tijdens het laatste kwart van elke eeuw grondig te vernieuwen, had een diepgaande invloed op de ontwikkeling van de geschiedenis, hoewel de volledige impact van dit grote werk slechts vanuit het perspectief van de komende eeuwen duidelijk zal worden.

Ook vandaag worden de instructies van zijn 'Lamrin' nog door de volgelingen van de 'Gupta Vidya' bestudeerd.
Tsong-kha-pa : blz 10
In een wijds visioen van menselijke mogelijkheden werken directe agenten van de Mahatma's samen met creatieve genieŽn, wier diepgewortelde spirituele ontvankelijkheid de Meesters toelaat hun werk in het geheim te helpen en soms te leiden; ook met eenvoudige goede mensen die in alle delen van hun wezen openstaan voor het ware, en met de historische gebeurtenissen, die de karmische ruimte verschaffen voor de gezamenlijke werking van vele krachten. Zo wordt alles in een meesterlijke beweging in de hele wereld samengeweven.

Hoewel 'universele' verlichting slechts in de verre toekomst van de evoluerende mensheid ligt, zijn de zeven impulsen die in 1975 hun hoogtepunt moesten bereiken, van cruciaal belang voor de verdere ontwikkeling. De ware geschiedenis van de beweging in de laatste zevenhonderd jaar is slechts bekend aan de Adepten, die met hun flitsende blik door de sluier van uiterlijke gebeurtenissen op het scherm van de tijd kunnen doordringen. Zij die onder karma het voorrecht hebben verdiend in de grote alchemistische transmutatie van de menselijke geest te mogen meewerken, zullen hier en daar wel glimpen opvangen van de logica die het plan van de Mahatma's bestuurt.









C. Uit de meer academische hoek:

Biografie, Noten en Bibliografie

Tsong-kha-pa, de stichter van de Gelugpa-sekte van het Boeddhisme in Tibet, heeft geleefd van 1357 tot 1419. Hij werd geboren, ingewijd en stierf op 21 november. Zijn geboorte, in de provincie Amdo, Oost-Tibet, werd vergezeld door tekens en wonderen.

Op zijn derde verjaardag werd hij toevertrouwd aan een yogi, Dondrub Rinchen, bij wie hij bleef studeren tot hij zestien was, en dat was de eerste van vijfenveertig leraren onder wie hij in zijn leven leerde en werkte.

In zijn zeventiende jaar verhuisde hij naar het klooster van Bri-khun in Centraal-Tibet en bracht er zeven jaar door om het niet-tantrische boeddhisme ('mtshan-nid') te leren kennen. Dit bestaat uit 'karakteristieken', in vijf afdelingen, die in ritmische verzen van buiten moeten worden geleerd en gereciteerd. De examens hebben plaats in de vorm van debatten.

Een van zijn eerste onderwerpen van studie was de geneeskunde, waarbij hij acht soorten van therapie moest aanleren. Hij ging van het ene klooster naar het andere om zijn opvoeding te voltooien en gaf blijk van een uitzonderlijk geheugen wanneer hij lange epische verhalen leerde en reciteerde.
Tsong-kha-pa : blz 11
Toen hij negentien was, nam hij deel aan de examens te Gsan-Phu en Bde-ba-can en spreidde geweldige intellectuele bekwaamheid ten toon. Daarna bezocht hij Snar-than en volgde een cursus te Sa-skya, legde 'Prajnaparamita' examens af in drie andere kloosters en ging studeren in de grote E-school van Bo-don en in de Gnas-rnin van Nan-stod. In 1376 kreeg hij de Eerwaarde Red-mda'-pa als leraar (1349-1412) en samen gingen zij jarenlang op reis, om Madhyamika en boeddhistische logica te leren, die de basis zouden worden van Tsong-kha-pa's niet-tantrische geschriften. In het college van Skyor-mo-lun leerde hij de commentaren op Gunaprabha's 'Vinayasutra' in zeventien dagen van buiten, wat hem elf maanden lang ziek maakte.

Daarop besloot hij de raad te volgen van een specialist in mantrams: hij begaf zich naar de andere zijde van de bergrug en reciteerde het onzijdige 'Ha', wat hem onmiddellijk genas. In 1378 ontving hij een bericht van zijn moeder, die hem verzocht haar te komen bezoeken, naar hij bleef standvastig bij zijn studieprogramma, in die tijd Dharmakirti's 'Pramanavarttika', wat ongeveer een jaar vergde, en vlak daarna ondernam hij de Studie van het handboek der dichtkunst, of 'Kavyadarsa'.

Toen keerde hij terug naar Sa-skya, waar hij deelnam aan de Dka'-chen (grotere moeilijkheids-)examens en zodoende verscheidene andere scholen moest bezoeken.

Tegen die tijd begon hij bekend te worden wegens zijn uitzonderlijke capaciteiten en vele studenten verzochten hem hen als leerlingen te aanvaarden. Om dit te kunnen doen werd hij een bikshu, wat nieuwe examens te Rtses-than vergde, en in zijn vierentwintigste jaar legde hij de wijdingsbeloften van Rnam-rgyal af in het district Yar-lun. Zo begon hij zijn loopbaan als leraar in niet-tantrische verhandelingen van het boeddhisme. Hij ging echter ook voort met zijn studies en begon tijdens de twaalf volgende jaren op verscheidene plaatsen in Tibet over vele heilige teksten zijn eigen verhandelingen te schrijven.

Terwijl hij studieklassen leidde leerde hij onder lama Rtogs-Idan de 'Kalachakratantra', gebaseerd op de commentaren van de 'Vimalaprabha'. Hij bracht een hele zomer door in de grot O-dkar-brag van het district Yar-lun om er zich te oefenen in de praktijk van de contemplatie door het reciteren van de Chakrasamvara: Yoga bij zonsopgang, op de middag, bij zonsondergang en te middernacht; de cyclus van visualisatie van de zes Ne-gu leringen, en andere disciplines van het tantrastelsel.

In 1390 werd hij door lama Dbu-ma-pa onderwezen in de cyclus van Manjughosa (een andere naam van Manjushri, een Bodhisattva), en dan ging hij studeren onder Chos-kyi-dpal, de meest geleerde zoon van Bu-ston Rinpoche (1290-1364) in het tantra, en verkreeg van hem zijn training in de grote mandala's, zoals de 'Vajradhatu'. In de herfst van 1392 ging hij met meester Dga-ba-dgon voor een tijd in afzondering en op het einde van dat jaar startte hij met acht volgelingen zijn nieuwe school.
Tsong-kha-pa : blz 12
Hij had meer gereisd dan enig ander boeddhist, ongeveer dertig jaar gestudeerd, onderwezen in elke tak en door iedere sekte van het Tibetaanse mahayana en bezat dus een algemeen overzicht dat uniek was.

Aldus probeerde hij de hoogste leringen van het ware pad te verenigen door uit de vier voornaamste takken van het noordelijk boeddhisme, de Nyingma, Sakya, Kargyu en Kadam, het beste te kiezen. Uit de laatste nam hij de praktische toepassing; uit de Kargyu, de tantrische richtlijnen van de 'Geheime vergadering' en de 'Zes yoga's van Naropa' met de 'Vijf leringen van het grote zegel'; uit de Sakya, intellectuele disciplines en technieken van het debat; uit de Nyingma, de 'Rode yamantaka' en de 'Dakini met het leeuwenhoofd'.

Naarmate de jaren vorderden kreeg hij meer leerlingen en ontwikkelde zijn innerlijk gestel zo dat het helemaal met de verlichting in harmonie kwam.

Nadat hij zijn 'Lam rin chen mo' had geschreven, schreef hij het grote compendium van de tantra's, het 'Snags rim chen mo', waarin hij de vier klassen van tantra verklaarde: Kriya, Charya, Yoga en Anuttarayoga. Tegen 1408 had hij meer dan duizend volgelingen en gaf hij uiteenzettingen over zijn leer te Grum-bu-lun in beneden-Skyid. In die tijd was de naam van de sekte niet Gelug-pa, maar Dge-ldan-pa en stond het klooster bekend als Galdan. Tsong-kha-pa ging voort met uitgebreid schrijven en onderwijzen, en in zijn zevenenvijftigste jaar werd hij bedreigd door een ernstige ziekte, maar door de Yantra's van Sri-Vajrabhairava te volbrengen ontstond er een zekere straling rond zijn persoon en keerde zijn gezondheid terug.

In de laatste jaren van zijn leven schreef hij nog een van zijn grootste werken, het 'Shas don lta ba'i mig 'byed', een commentaar op de 'Chakrasamvara'. Hij scheidde uit dit leven te Ri-bo Dge-ldan, na een speciale meditatie bekend als 'het oplossen van de drie leegten'; in het bijzijn van honderden leerlingen hield hij op te ademen, en langzaam veranderde zijn lichaam van dat van een oude man in dat van een zestienjarige, terwijl regenbogen de kamer vulden. Toen de Chinese invallers in de jaren 1950 het klooster van Ganden binnendrongen, vonden zij het jeugdige lichaam van Tsong-kha-pa volmaakt gepreserveerd, warm, en met groeiende nagels en haar.



(Bovenstaande informatie is ontleend aan de 'Blavatsky Collected Writings', Vol.XIV, pp.573 en 574.

Daarin vinden we ook een gedeeltelijke bibliografie en het lijkt ons nuttig deze hier weer te geven:

Tsong-kha-pa : blz 13
Engelse vertalingen:

- 'Essence of Refined Gold', translated by Glenn H. Mullin, Gabriel/Snow Lion, Ithaca, New York, 1982;

- 'Compassion in Tibetan Buddhism', edited by Jeffrey Hopkins, Gabriel/Snow Lion, Valois, New York, 1980; dit bevat hoofdstukken 1-5 van Tsong-kha-pa's 'Illumination of Thought', 'an Extensive Explanation of Chandrakirti's 'Supplement to the Middle Way' or 'Madhyamakavatara'; 'Life and Teachings of Tsong-kha-pa', edited by Robert Thurman, Library of Tibetan Works and Archives, Dharamsala, India 1982;

- 'The Door of Liberation', translated under the supervision of Geshe Wangyal, Lotsawa, New York, 1978;

- 'Tantra in Tibet', edited by Jeffrey Hopkins, London, Allen & Unwin, 1978;

'Calming the Mind and Discerning the Real', from the Lam rim chen mo of Tsong-kha-pa, translated bij Alex Wayman, Motilal Banarsidass, Delhi, 1979.

Dit zijn slechts enkele van Tsong-kha-pa's vele werken. Zelf bezitten wij alleen een Franse vertaling van het 'Lam rim', 'La Grande Voie Graduťe vers l'Eveil', drie delen, ongeveer 270 bladzijden, uitgegeven door het Centre d'Etudes Tibťtaines (nu* Centre Bouddhique Tibťtain Yiga Tcheudzin), 6, Boulevard d'lndochine, 75019 Paris.)[*dit was in 1992. Voor actuele informatie gelieve internet te raadplegen. Noot red.>

Noten bij de Indische werken vermeld in de biografie:

- Prajnaparamita: 'Perfectie van de Goddelijke Wijsheid', een godheid van het mahayana, vaak voorgesteld als een jonge vrouw. In bovenstaande tekst gaat het dus waarschijnlijk om de

- Prajnaparamita-shastra , een boeddhistisch geschrift dat tot de Madhyamika school behoort en soms wordt toegeschreven aan Nagarjuna, een filosoof van de tweede en derde eeuw, de patriarch of stichter van die school, die zijn metafysica baseerde op de leer van de universele leegte, Shunya. Deze shastra maakt deel uit van de 'Tripitaka' (de 'drie korven' of 'drie schatten' van de boeddhistische wet, de geschreven leringen) en bestaat uit verscheidene duizenden strofen over de perfecties van de Boeddha en andere goddelijke wezens. Of het gaat over de:

- Prajnaparamita-sutra , een groep teksten van het mahayana. Volgens de overlevering zouden deze teksten gepredikt zijn te Gridhrakuta, 'de Berg van de gieren', in Bihar, en gericht geweest zijn tot Subhuti of Shariputra.

- Gunaprabha, waarschijnlijk dezelfde als Gunamati, een boeddhist van de zesde eeuw, geboren te Parvata in Gujarat, die zich naar China begaf, waar men hem beschouwde als een van de achttien Arhats of Lushans. Schrijver van verscheidene teksten in Sanskriet.

- Dharmakirti, een boeddhistische filosoof en logicus van de zevende eeuw, die tot de Yogachara school behoorde en een discipel was van Dharmapala. Hij werd geboren in een familie van hindoe-brahmanen maar bekeerde zich tot het boeddhisme en schreef verscheidene religieuze werken, zoals het 'Nyayabindu' (Druppels van logica), die grote invloed uitoefenden op het denken in het Verre-Oosten.

Zijn werken behandelen de criteria van besluitvorming, de rede, het onderzoek van de relaties en de logica van de discussie.
Tsong-kha-pa : blz 14
- Kavyadarsha: een Kavya is een poŽtische compositie in Sanskriet, die aan strenge regels gehoorzaamt en is geschreven door een dichter, een ' kavi'. De Kavyadarsha of 'Spiegel van de poŽzie' is een beroemde verhandeling van Dandin (7e eeuw), die de grondslag werd van heel de antieke dichtkunst.

- Kalachakratantra: 'Kalachakra' is 'het Wiel van de tijd' en als dusdanig de naam van een der vele kalenders. Hier gaat het echter om een vorm van boeddhistisch tantrisme, gangbaar in India en Tibet, en opgericht in Bengalen in de 10e eeuw.

De opperste godheid van deze Kalachakra is een Adi-Boeddha, een primitieve of oer-boeddha die uit zelfkennis is geboren (Svayambhu) en wordt geÔdentificeerd met het 'Wiel van de tijd' waaruit alle schepping zou voortkomen. De Vimalaprabha of 'Onbevlekt licht' is een Sanskriet-verhandeling van de hand van Naropa, een boeddhist van de 10e en 11e eeuw. Hij was afkomstig uit Bengalen of uit Bihar en reisde naar Kasjmir, waar hij de leraar werd van Atisha en Mar-pa. Hij maakte met hen vele vertalingen en schreef naast de Vimalaprabha ook andere teksten over het Tantrisme.

- Tantra en tantrisme: het woord 'tantra' betekent 'stramijn', als in een weefsel, en vandaar de afgeleide betekenis, 'regel'. 'Tantra' is een naam gegeven aan een verzameling van handleidingen over hindoe en boeddhistisch esoterisme, reeds in de 4e eeuw vermeld maar meestal veel later neergeschreven, n.l. vanaf de 9e tot in de 13e eeuw.

Deze teksten handelen over uiteenlopende onderwerpen, zoals filosofie, magie, fysiologie, yogatechnieken, meditatie etc., leggen vaak het accent op de cultus van de Shakti (het vrouwelijke of energetische aspect van de 'goden') en verwerpen de traditionele kasten. Het aantal erkende teksten varieert tussen 64 en 500.

Zij worden ingedeeld in vier categorieŽn: de 'Kriyatantra' (religieuze ceremoniŽn), de 'Charyatantra' (voorschriften voor het godsdienstig leven), de 'Yogatantra' (magische en mystieke voorschriften), en de 'Anuttarayogatantra' (geheime leringen over de cultus van de Shakti).

Meer bepaald is 'tantra' de naam gegeven aan een geheel van leringen in het hindoeÔsme en het boeddhisme over de Shakti- cultus, waarin alles mag worden gebruikt, zelfs de dingen die door de orthodoxie worden verboden, op voorwaarde dat het gebruik wordt 'geheiligd' door het ritueel, en met het oog op het bereiken van 'Moksha' of bevrijding.

Onder zekere voorwaarden (Panchatattva) wordt de seksuele relatie beschouwd als een symbool voor de intieme vereniging van de toegewijde met de Shakti. De adepten van de tantra 'van de linkerhand' praktiseren deze relaties in groep, maar de adepten 'van de rechterhand' beschouwen ze alleen als symbolisch. Het tantrisme wendt een bijzonder systeem van yoga aan (Layayoga), met oefeningen voorgeschreven door de Kundalini-yoga, en door het reciteren van de gepaste mantrams.
Tsong-kha-pa : blz 15
Deze praktijken schijnen te zijn ontstaan in het westen van India en zich snel te hebben uitgebreid naar Bengalen en Kasjmir.

Zij zijn nog zeer verspreid in Gujarat en Rajasthan. In Tibet en in MongoliŽ vermengden zij zich met het boeddhisme van het mahayana en gaven mede aanleiding tot het lamaÔsme. Waarschijnlijk is dit een van de redenen waarom Tsong-kha-pa het lamaÔsme hervormde en de sekte van de Gelugpa oprichtte, waar de tantrische praktijken zuiver symbolisch worden opgevat. In zijn 'Survey of Buddhism', zegt de in Engeland geboren Bhikshu Sangharak-shita het volgende (pp.418-419): 'Soms wordt een onderscheid gemaakt tussen de Nyin-ma-pa's (gesticht in de 8e eeuw door Padmasambhava, een yogi met fenomenale vermogens die slechts 18 maanden in Tibet verbleef) en de Gelugpa's, waarbij men beweert dat de eersten tantristen zijn en de anderen niet.

Dit is een grove vergissing. Tsong-kha-pa, de stichter van de Gelugpa-school, beschouwde de tantra als de culminerende fase van het boeddhisme, en sindsdien hebben zijn volgelingen dit ook gedaan. Het ritueel en de meditatie van de Gelugpa zijn bijna geheel tantrisch.'

In zijn verdere bespreking van dit punt legt hij uit dat de Nyin-ma-pa's de sacramentele overgave aan wijn en seksuele relaties beschouwen als zeer afdoende middelen om verlichting te bereiken (met daarbij de onvermijdelijke misbruiken en hun gevolgen), terwijl de Gelugpa's staande houden dat deze praktijken symbolisch begrepen dienen te worden, en dat zij niet naar lichamelijke, maar naar yogische praktijken verwijzen.

- Manjughosa of Manjushri: een Bodhisattva ('grosso modo' een mens die heel dicht bij de status van Boeddha komt en dus bij Nirvana, maar die besloten heeft in de aardse atmosfeer te blijven om anderen te helpen),

'van wie de schoonheid betoverend is'. Hij symboliseert wijsheid, kennis, de macht van de geest, de welsprekendheid, het geheugen, etc. Volgens de traditie een leerling van Shakyamuni (de Boeddha). Beschouwd als de grondlegger van Nepal en als beschermheilige van de Mantsjoes (waarvan de naam misschien afgeleid is). Hij wordt bijzonder vereerd in het mahayana en speelt een grote rol in het esoterisch boeddhisme van Tibet, Nepal en MongoliŽ.

- Vajradhatu: deze mandala symboliseert de wereld (Dhatu) van de onvernietigbare geest en de essentie zelf van het Goddelijke.

- Yantra: geometrische diagrammen die symbolisch het goddelijke universum voorstellen, met de godheden en hun mantrams, ook in de drie afmetingen als beeldhouwwerken of als schikking van instrumenten van de cultus. Verwant met de mandala's.

(Bovenstaande noten zijn ontleend aan het 'Dictionnaire de la Civilisation Indienne' van Louis Frťdťric, Robert Laffont,Paris, 1987.)
Christiaan Rozenkruis : blz 1
Christiaan Rozenkruis
In ons boekje over Tsong-kha-pa, (GLT-Reeks V, Nr 2, febr 1992 + Gele Reeks Boek V-2 www.theosofie.be) hebben we gewezen op de theosofische traditie die zegt dat deze Tibetaanse hervormer van de veertiende eeuw aan zijn ingewijden het bevel had gegeven in elke eeuw een poging te ondernemen om de wereld, meer bepaald die van de 'witte barbaren', de blanke westerlingen, te verlichten.

Latere mededelingen van Mevrouw Blavatsky situeren deze pogingen tegen het einde van iedere eeuw. In theosofische kringen wordt algemeen aangenomen dat hiermee het laatste kwart van de eeuw werd bedoeld en om dit te staven wijst men op de stichting van de Theosofische Vereniging in 1875, het begin van het publieke werk van Franz Anton Mesmer in 1775, en wat de eerdere eeuwen betreft zoekt men naar geschikte figuren om de vrije plaats telkens in te vullen.

De regelmaat is vaak niet zo evident: kan men, bijvoorbeeld, Jacob Boehme 'inschakelen', omdat hij in 1575 geboren werd? Met enig speurwerk zal men er wellicht in slagen voor 'het einde van elke eeuw' de passende figuren te vinden, maar dat neemt niet weg dat andere en even belangrijke personages op andere tijdstippen zijn verschenen. Wij willen in dit verband tot soepelheid manen.

Het spreekt immers vanzelf dat de gewenste en nodige 'boodschappers eerst beschikbaar moeten zijn, dit is op tijd geÔncarneerd, en dat zij hun taak pas kunnen aanpakken wanneer zij met de nodige voorbereiding klaar zijn. Dit stelt karmische en andere problemen waarop we nu niet verder hoeven in te gaan. Hoofdzaak is dat de beweging tot verlichting en bevrijding, tot opvoeding van de mens, op gang is gekomen en, zo zegt de Theosofie, zich vanaf de veertiende eeuw op Europa concentreert.

Hoe weten we, of liever, hoe komen we tot de conclusie, dat precies de veertiende eeuw hier een speciale rol speelt, een nieuwe start aan de aloude beweging geeft?

Tot dusver zijn wij er niet in geslaagd voor die nieuwe opgang in de veertiende eeuw een doctrinaire basis te ontdekken, en we beschikken slechts over drie argumenten:

a) de veertiende eeuw is die van Tsong-kha-pa;
b) de poging van Mevrouw Blavatsky wordt beschouwd als de zesde in de reeks;
c) de geboorte van Christiaan Rozenkruis wordt gesitueerd 'op het einde van de eeuw', waarschijnlijk in 1378. We zullen later zien hoe deze datum werd berekend.

Natuurlijk rijzen hierbij enkele netelige vragen: hoe kon Tsong-kha-pa vrijwel onmiddellijk over een geschikte kandidaat beschikken? Wanneer begon deze met zijn werk? Heeft hij echt bestaan of was hij een mythe? Wie was hij? Wat kunnen we over hem in de theosofische literatuur ontdekken? We proberen meteen het begin van een antwoord te formuleren, maar dit is niet zo gemakkelijk, want de Theosofie zelf geeft weinig duidelijke aanwijzingen, de officiŽle historici blijven uiterst sceptisch, en de algemene literatuur hieromtrent is zo enorm rijk en verscheiden dat zij praktisch niet is te overzien.
Christiaan Rozenkruis : blz 2
Het lijkt ons zeker dat de blavatskiaanse Theosofie Christiaan Rozenkruis als een authentieke historische figuur beschouwt. Tsong-kha-pa of zijn assistenten-ingewijden moeten dus de geschikte kandidaat hebben gevonden. Als het 'Rozenkruis' de voortzetting was van een zeer oude oosterse school, zoals Mevrouw Blavatsky schijnt te suggereren, waren er misschien altijd kandidaten beschikbaar, maar we krijgen hierover geen houvast. De naam 'Rozenkruis' kan dan de vertaling of de weergave geweest zijn van een andere oosterse maar onbekende naam en de boodschapper kan die naam hebben overgenomen.

Christiaan Rozenkruis klinkt in alle geval symbolisch, en dit des te meer omdat de agent van de Loge in de wereld van het christendom moest verschijnen en daarom zijn leringen onder christelijke gewaden moest versluieren. We geven toe dat dit misschien gewaagde hypothesen zijn, maar in de tijd van de inquisitie moet een of andere vorm van geheimhouding onmisbaar zijn geweest.

Meestal wordt de ware geschiedenis van een esoterische of occulte school niet in geschreven documenten meegedeeld en hier tasten zowel de academische historici als wijzelf in het duister. En voor een belangrijk deel speelt de historische accuratesse in deze zaken trouwens een ondergeschikte rol. De ware elementen zijn de traditionele, namelijk de aard en de constitutie van de mens, en zijn psychologische ontwikkeling op het pad naar leerlingschap en inwijding. De geschiedenis van de verschillende scholen is ook die van haar leden en vice versa en de biografie van iedere ingewijde is een resumť van die individuele en collectieve wordingsgang.

Mevrouw Blavatsky accentueert in 'Isis Ontsluierd' II, p. 456, het geheimzinnige karakter van de oude genootschappen:
'De tempel [van de tempeliers> was de laatste Europese geheime organisatie, die als lichaam enkele mysteriŽn van het Oosten in haar bezit had.' En iets verder: 'Niemand heeft ooit op de Rozenkruisers de hand kunnen leggen, en deze oude vereniging en haar ware doeleinden zijn, ondanks de beweerde ontdekkingen van 'geheime kamers', perkamenten genoemd 'T' en versteende ridders met altijd brandende lampen, nog tot op de huidige dag een mysterie.

Van tijd tot tijd werden beweerde tempeliers en voorgewende Rozenkruisers met enkele echte kabbalisten verbrand, en enkele ongelukkige theosofen en alchemisten opgezocht en gemarteld; zelfs werden hun wel onware bekentenissen door de wreedste middelen afgeperst, maar toch blijft de ware vereniging heden ten dage evenzeer als altijd onbekend aan allen, en vooral aan haar wreedste vijand - de kerk.'

Anders gezegd, wat ervan bekend is geworden, zijn de uiterlijkheden, nooit de ware ondergrond. Daarop wordt alleen gezinspeeld in symbolische taal. En blijkbaar is er ook een groot verschil, in de werkingswijze van de Beweging, tussen de methode van individueel werk en collectief werk: de pogingen ondernomen in de oudheid, na de ondergang van de 'mysteriŽn', werden gedragen door betrekkelijk geÔsoleerde werkers en hun scholen bestonden in de praktijk uit wijd en zijd verspreide leden van wie men moeilijk kon beweren dat zij tot een 'organisatie' behoorden.

Het lijkt erop alsof de 'tempeliers' een eerste poging tot organisatie zijn geweest, waarbij het initiatief uitging van henzelf, misschien zonder directe binding met de 'Witte Loge' en dus aangewezen op eigen methoden van beveiliging, wat tot de bekende tragische ontknoping heeft geleid.

Toch kunnen zij zo, in de dertiende en veertiende eeuw, een overgangsvorm zijn geweest tussen het in hoofdzaak individuele werk volbracht tot dan toe en het occult georganiseerde werk van het Rozenkruis onder de geestelijke inspiratie van Tsong-kha-pa. We geven toe dat we hier bezig zijn met gissingen en speculaties, maar die zijn gebaseerd op het weinige dat we uit de Theosofie kunnen opmaken.
Christiaan Rozenkruis : blz 3
In onze voorstudie voor dit artikel hebben we een veertigtal referenties genoteerd over zeer uiteenlopende aspecten van het probleem 'Rozenkruisen'. Zij zijn te vinden in de 'Blavatsky Collected Writings', (nu gemakkelijk te consulteren dankzij het bestaan van een gecombineerde index voor de veertien boekdelen), verder in 'Isis Ontsluierd', de 'Geheime Leer' en het 'Glossarium van H.P. Blavatsky'(ook in het Nederlands verkrijgbaar bij de G.L.T.'s - N.v.d.v).

Het is enigszins verwonderlijk, indien niet ontmoedigend, dat we in die Theosofische geschriften heel weinig ontdekken over Christiaan Rozenkruis zelf, waar toch de beweging die zijn naam draagt een enorme invloed op het mystieke denken in Europa heeft uitgeoefend, volgens de 'officiŽle' bronnen minstens vanaf 1614, en tot in onze tijd. Vanwaar die verzwijging? Van de twee referenties die we hebben gevonden, is er zelfs geen van de hand van Mevrouw Blavatsky zelf. De eerste staat in haar 'Glossary', maar was een van de bijdragen van W. Wynn Westcott. We geven ze hier gedeeltelijk weer:

'Rozenkruisers (rosicrucians). De naam werd eerst gegeven aan de discipelen van een geleerde Adept, genaamd Christiaan Rozenkruis, die rond 1460 in Duitsland heeft geleefd. Hij stichtte een orde van onderzoekers van de mystiek waarvan de geschiedenis te vinden is in het Duitse werk, 'Fama Fraternitatis', (1614), in verscheidene talen gepubliceerd. De leden van de orde bewaarden het geheim, maar sinds deze datum heeft men om de halve eeuw op verscheidene plaatsen hun sporen teruggevonden.'

We noteren en passant een ander raadsel: in hetzelfde 'Glossarium' aarzelt Mevrouw Blavatsky niet twee figuren als Rozenkruisers te bestempelen hoewel zij leefden vůůr de tijd van Christiaan Rozenkruis. 'Guido Bonati, een franciscaner monnik, geboren in Florence in de Xllle eeuw en gestorven in 1306, werd astroloog en alchemist maar faalde als Adept van het Rozenkruis, waarna hij naar zijn klooster terugkeerde' (p.60). 'Peter Bono, een Lombard, groot adept in de hermetische wetenschap, reisde naar PerziŽ om er alchemie te studeren.

Hij keerde terug van zijn reis, liet zich neer in IstriŽ in 1330, en werd beroemd als Rozenkruiser ...(p.61) ...

Bono was een echte adept en een Ingewijde; mensen zoals hij laten hun geheimen niet achter in manuscripten' (p.61).

De tweede en laatste referentie over Christiaan Rozenkruis komt voor in de 'Mahatma brieven', p.310. Zij is zeer vluchtig, want 'Rozenkruis' wordt alleen maar even vermeld in verband met Eliphas Levi en graaf de Saint-Germain: 'Eliphas heeft de mss. [manuscripten> van de Rozenkruisers bestudeerd (in Europa nu tot drie exemplaren teruggebracht). Deze geven een uiteenzetting van onze oosterse leerstellingen aan de hand van wat Rozenkruis onderwees, die ze bij zijn terugkeer uit AziŽ in een semichristelijk kleed stak, dat voor zijn leerlingen als schild moest dienen tegen klerikale wraak.

Men moet de sleutel ertoe bezitten en die sleutel is een wetenschap 'per se'. Rozenkruis onderwees mondeling.

Saint-Germain tekende de goede leringen op in cijferschrift, en zijn enige ms. in cijferschrift bleef in het bezit van zijn trouwe vriend en beschermheer, de edele Duitse vorst, in wiens woning en in wiens tegenwoordigheid hij heenging - NAAR HUIS. Mislukking, volslagen mislukking!' (De Duitse vorst hier bedoeld was landgraaf en prins Karl von Hessen-Kassel.)
Christiaan Rozenkruis : blz 4
Deze korte tekst uit de 'Mahatma brieven' leert ons niet veel nieuws, maar confirmeert tenminste dat Christiaan Rozenkruis heeft bestaan, dat hij in AziŽ was en vandaar terugkeerde naar Europa. Deze punten komen voor in het verhaal, vervat in de oorspronkelijke documenten van het Rozenkruis, waarover straks meer.

Het is nu wel duidelijk dat we het leven van Christiaan Rozenkruis niet kunnen reconstrueren door middel van mededelingen uit de Theosofie. De klassieke werken zeggen er haast niets over. Er bestaan ook enkele zeer interessante artikelen, maar die gaan over kwesties van algemeen belang, over de Rozenkruiserij als geheel, en gaan niet in op biografische details.

Zo komt er in Mevrouw Blavatsky's tijdschrift Lucifer, in november 1887, een bespreking voor van het beroemde boek van Arthur Edward Waite, 'The Real History of the Rosicrucians', in Londen in hetzelfde jaar verschenen. De bespreking is anoniem, maar wordt toegeschreven aan Mevrouw Blavatsky en daarom opgenomen in Deel VIII van de 'Blavatsky Collected Writings', p. 253 tot 262.

Mevrouw Blavatsky's eigen stijl is misschien niet zo direct herkenbaar, maar in elk geval verscheen de tekst onder haar editoriale verantwoordelijkheid. Waite's boek beperkt zich tot de strikt historische gegevens en hij meent dus dat de Rozenkruiserij ontstaan is na de publicatie van de 'manifesten' van het Rozenkruis in 1614 en 1615. Hij ontkent bijgevolg het historisch karakter van de figuur van Christiaan Rozenkruis en beschouwt de latere Rozen- kruisers als lutherse discipelen van Paracelsus.

De bespreking in 'Lucifer' erkent Waite's geschiedkundige accuratesse, maar probeert zijn argumenten te ontzenuwen: uit de afwezigheid van vroeger gedateerde documenten mocht hij niet concluderen dat de broederschap nog niet bestond; de ware aard van zo'n vereniging kan alleen aan haar ingewijden bekend zijn; het feit dat er 'niets nieuws' werd gebracht kan juist wijzen op het traditionele en dus oudere karakter van de beweging, en indien zij christelijke termen gebruikt, zal dat wel te wijten zijn aan de noodzaak voorzichtig te zijn. We lichten enkele belangrijke passages uit deze boekbespreking:

'Alle ware onderzoekers van de mystiek hebben goede redenen om te geloven, zelfs wanneer zij het niet absoluut zeker weten, dat de verscheidene scholen naar hetzelfde doel leiden wanneer men ze beschouwt in hun hoogste of meest spirituele en abstracte leringen. Zij kunnen verschillende namen dragen en hun werkwijzen mogen in minder belangrijke details niet dezelfde zijn, maar de wijsheid 'au fond' is identiek. En daarom, wanneer de heer Waite de Rozenkruisers bekritiseert omdat zij in hun manifest geen nieuwigheden hebben gebracht in de mystieke gedachtegang, herinnert hij ons aan iemand die de waarde van een viool moet bepalen en besluit dat zij niet zeer oud kan zijn, omdat zij slechts dezelfde reeks klanken laat horen die zulke muziekinstrumenten altijd hebben voortgebracht.'

'Voor zover men kan vaststellen, door de studie van het denken en de maatschappij in de tijd toen de Rozenkruisers voor het eerst in Europa werden vermeld, openbaarde deze bijzondere orde zich als een tegengif voor de algemene tendens naar de materiŽle zijde van de alchemie, waarvan de intellectuele klassen in Duitsland doordrongen waren.'

Toen zoals nu waren er vele zoekers naar wonderen en zij begrepen niet dat ethica, zowel sociaal als spiritueel, de fundamentele basis van wijsheid is. Het grote verlangen richtte zich bijgevolg op macht, van welke soort dan ook, en op rijkdom. De zo wijd verspreide hunkering naar geheime kennis, welke men zeker wist in het bezit van de alchemisten te zijn, was stapsgewijze ontaard in de louter zelfzuchtige begeerte het geheim van de transmutatie der metalen te leren kennen.
Christiaan Rozenkruis : blz 5
De manie voor deze macht was zo algemeen en haar drijfveer zo onspiritueel dat, om het getij van de krankzinnigheid te keren en de bedriegers schaakmat te zetten die de 'Heilige kunst' gediscrediteerd hadden, de 'Fama' werd uitgegeven door mensen die de roos en het kruis als symbool hadden gekozen. Vanuit dit standpunt verschijnen de Rozenkruisers in de wereld in het licht van een groep hervormers.'

Waar hier sprake is van de 'documenten' of 'manifesten' van het Rozenkruis wordt gedoeld op twee of drie stukken, anoniem gepubliceerd in het begin van de zeventiende eeuw. Een daarvan was de 'Fama Fraternitatis' (Kassel, 1614), waarvan de vroegste gedrukte tekst nog werd voorafgegaan door een iets langer traktaat, getiteld 'Allgemeine und General Reformation der ganzen weiten Welt'; het andere was de 'Confessio Fraternitatis' (Kassel en Frankfurt, 1615). Zij verschenen eerst in het Duits, Nederlands en Latijn en werden later in andere talen vertaald. Beide werken vonden onmiddellijk grote weerklank en veroorzaakten in geheel Europa heel wat opwinding.

De geleerden zijn het niet eens wat betreft auteurschap en vroegste publicatie van deze werken en in dit verband bestaan allerlei gecompliceerde theorieŽn en verhandelingen. Een Duitse onderzoeker, W. Begemann, ontdekte bijvoorbeeld tegen het einde van de 19de eeuw dat reeds in 1612 ene Adam Haselmeyer of Haselmayer een 'Antwoord aan de lovenswaardige broederschap der theosofen' had gepubliceerd en dat dus vanaf 1610 exemplaren van de 'Fama' moeten hebben gecirculeerd, vermoedelijk met de hand geschreven kopieŽn.

De meeste specialisten menen dat 'Fama' en 'Confessio' het werk waren van de theoloog Johann Valentin Andreae (1586-1654), op wie we later in deze reeks hopelijk zullen terugkomen. Andreae vertelt in zijn biografie dat het 'Scheikundig huwelijk van Christiaan Rozenkruis 'deel uitmaakte van zijn jeugdwerken, geschreven in de jaren 1602-1604, en dat hij dit bepaalde werk had opgevat als een amusement.

Hij verklaart niet waarom het dan ook bij zijn gewone uitgever te Straatsburg verscheen in 1616. Zijn gebruik van de naam Rozenkruis en zijn talrijke toespelingen op het symbolisme van de roos en het kruis laten vermoeden dat hij ook de 'Fama' en de 'Confessio' had geschreven. In bovenvermelde boekbespreking, zegt Mevrouw Blavatsky, indien zij inderdaad de auteur van die tekst is, het volgende:

'Onder diegenen die de moeite hebben gedaan het bewijsmateriaal te onderzoeken, wordt algemeen aangenomen dat Johann Valentin Andreae de auteur was van de 'Fama', de 'Confessio' en van het 'Scheikundig Huwelijk van Christiaan Rozenkruis', en in zover moet men hem inderdaad exoterisch beschouwen als de stichter van de Rozenkruiservereniging zoals zij voor het eerst in de geschiedenis bekend werd. Hij was een diepgaande onderzoeker van de mystiek en alchemie en zijn roem als geleerde was alom verspreid, Voor iemand die zelfs zijdelings bekend is met de alchemistische literatuur, onthult het 'Scheikundig Huwelijk' hem als iemand die zeer ver gegaan was in de studie van sommige geheimen der natuur. Bijgevolg moet hij er zich wel bewust van zijn geweest dat de roos en het kruis een grote occulte betekenis hadden.'

Zij concludeert dat Andreae die symbolen dus niet gebruikt heeft omdat ze in zijn wapenschild voorkwamen of omdat Martin Luther ze had aangewend op een hart, en dat hij de Rozenkruiservereniging zeker niet gesticht kon hebben om het reeds ontaarde christendom van de Middeleeuwen nieuw leven in te blazen.
Christiaan Rozenkruis : blz 6
Trouwens, 'de mensen worden geen Rozenkruisers, christenen of Theosofen alleen maar door lid te worden van verenigingen met die naam, maar zekere neigingen van hun temperament zetten hen aan toe te treden tot die vereniging waarvan de denktrant het meest geschikt lijkt om hen te helpen de grootste en glorierijke mogelijkheden inherent in hun ziel te ontwikkelen.'

Om het verhaal van Christiaan Rozenkruis hier weer te geven beschikken wij over een tamelijk groot aantal bronnen, tenminste in deze zin dat onze bibliotheek de werken van de voornaamste specialisten bevat.

Allen zijn genoodzaakt terug te gaan tot de 'Fama' en de 'Confessio', waarop het verhaal berust.

Wij volgen hier in hoofdzaak de Franse schrijver Paul Arnold, omdat zijn boek ons het duidelijkst, meest volledig en vooral het meest zorgvuldige lijkt. ('Histoire des Rose-Croix et les Origines de la Franc-Maconnerie', Mercure de France, Paris, 1955). We consulteren ook de Nederlandse vertaling van de 'Fama' en de 'Confessio', uitgegeven door het Nederlandse Rozenkruisergenootschap in 1937.

De 'Fama Fraternitatis R.C.' is een soort open brief aan de geleerden en de 'trouwe harten'. De woorden Roze-Kruis of Rozen-Kruis komen niet voluit geschreven voor in de tekst, maar alleen in het 'Antwoord' van Adam Haselmeyer, dat de reeks documenten afsluit.

De 'Fama' begint aldus:

'Wij, broeders van de broederschap R.C., bieden onze groet, onze liefde en onze gebeden aan allen die deze, onze 'Fama'' van christelijke bedoeling zullen lezen.' Het geschrift stelt vast dat er een ontwikkeling plaatsheeft in de kennis van de natuur, zowel macrokosmisch als microkosmisch, maar dat deze vooruitgang bitter weinig diensten heeft bewezen aan de wereld van de onnadenkenden, en dat er steeds meer ondeugd en slechte wil is.

Zelfs bij de geleerden groeit de hoogmoed van jaar tot jaar en in dit begin van de (zeventiende) eeuw keren de geletterden terug naar de oude wijsjes: de paus, Aristoteles en Galenus.

Overal op de wereld vertoont de oude tegenstander zijn boosheid en zijn razernij ... maar tegen deze satan is een mens opgestaan - de eerbiedwaardige, toegewijde, geestelijke en hoogst verlichte broeder Christiaan Rozenkruis en hij heeft lang en wonderlijk gewerkt teneinde de tijden van de ware algemene hervorming van de wereld dichterbij te brengen.

De 'Fama' geeft vervolgens een korte levensbeschrijving van Rozenkruis. Hij is geboren in Duitsland, in een adellijke maar arme familie. Al vroeg, nauwelijks zes jaar oud, wordt hij in een klooster geplaatst, waar hij een beetje Latijn en Grieks leert en zelfs wordt onderwezen in de rudimenten van de magie. Wanneer hij zestien is, vertrekt hij, ten gevolge van een gelofte afgelegd in zijn jeugd, met broeder P.A.L. naar het Heilige Land.

Zijn begeleider sterft op het eiland Cyprus en Christiaan zet zijn bedevaart alleen voort, maar een ziekte doet hem in Damascus verblijven, waar hij in contact komt met de 'Wijzen van Damcar'. (Paul Arnold noteert hierbij dat 'Damcar', met dezelfde schrijfwijze, wordt geciteerd in de 'Arabia Felix' van Ortelius.) Deze wijzen, misschien alchemisten, onderwijzen hem in de geheimen van de natuur en op zijn aandringen nemen zij hem mee naar hun stad, een 'stad van filosofen', waar hij drie jaren doorbrengt.
Christiaan Rozenkruis : blz 7
Zij ontvangen hem niet als een vreemdeling, maar als iemand die zij reeds lang hadden verwacht, en noemen hem ook bij zijn naam. Hij leert bij hen Arabisch, studeert wiskunde en fysica, en vertaalt een belangrijk occult document, het boek 'M', uit het Arabisch in het Latijn. (Deze 'M' wordt door sommigen beschouwd als een afkorting voor 'Mundi', dit is van of over de wereld.) Na deze eerste inwijding steekt hij de Arabische Golf over, verblijft een korte tijd in Egypte en reist dan door naar Fez in Marokko, waar hij volgens zijn Arabische leraren zal worden opgenomen in een nog belangrijker school.

De 'Fama' onderbreekt hier even het verhaal, om kritiek op de Duitse geleerden uit te oefenen en hun het goede voorbeeld van de Arabieren voor te houden. Met verontwaardiging wijst zij erop dat in Duitsland de geleerden, magiŽrs, kabbalisten, artsen en filosofen zich hoogmoedig afgezonderd houden, elkaar miskennen, zich voor elkaar verbergen en weigeren het geheim van hun elixir mede te delen.

Daarentegen verheugen de Arabieren zich in ťťn enkele leer, geven hun geheimen door aan mensen van goede wil en ontmoeten elkaar geregeld om op de hoogte te zijn van nieuwe ontdekkingen. Het voorbeeld van een dergelijke solidariteit laat bij Christiaan Rozenkruis (in de documenten C.R.C.) het idee van zijn broederschap rijzen.

In Fez maakt hij kennis met een bijzondere soort inwoners van die stad. De Nederlandse vertaling van de 'Fama' zegt dat zij gewoonlijk 'de oorspronkelijke bewoners' worden genoemd. Paul Arnold noemt hen 'Elťmentaires' en Waite beweert stoutweg dat men hem daar leerde met de 'Elementale geesten' in voeling te treden.

Waarschijnlijk hebben we hier te maken met een versluierde referentie naar de astrale of psychische wereld. Zijn nieuwe vrienden ontsluieren immers vele geheimen voor hem en verschaffen hem een betere basis voor zijn geloof in de harmonie van de wereld. Daar verkrijgt hij de openbaring van de universele eenheid die de mens verzoent met 'God, de hemel en de aarde'.

Hij vindt echter dat de wijsheid van de mensen van Fez nog te veel is gekleurd door hun godsdienst en hij moet het geleerde dus aanpassen aan zijn eigen doeleinden.

Zo ingewijd in de grote geheimen van het universum en in het bezit van 'vele kostelijke dingen' zeilt hij na twee jaar in Fez naar Spanje. Hij hoopt dat de Europese geleerden hem met open armen zullen ontvangen en voortaan hun studies zullen ordenen naar de zekere en gezonde grondstellingen die hij op zijn reizen heeft ontdekt. Hij heeft dus een hervorming van de wetenschap op het oog, om daarmee de wereld te verbeteren, maar nu stuit hij op het onbegrip van de Spaanse en andere geleerden. Hij zal zich dus niet lang ophouden in dat land waar de kerk zo machtig is, en besluit terug te keren naar zijn geliefde Duitsland. Blijkbaar neemt hij daar zijn nieuwe symbolische naam aan. Hij verschaft zich een 'aangename en gepaste woning' (volgens sommige verhalen een grot!) en brengt vijf jaar door in eenzaamheid, mediterend over reizen en ervaringen, waarvan hij een relaas schrijft. De bittere les is geleerd en met nieuwe moed herinnert C.R.C. zich zijn plannen tot hervorming van de wereld, die hij nu met enkele toegewijde gezellen wil gaan uitvoeren, of tenminste wil hij er de grondvesten voor leggen. Volgens onze berekening, waarover later meer, moet hij dan ongeveer zesentwintig zijn geweest.

Hij vraagt nu aan zijn vroeger klooster hem drie medebroeders te zenden. Fr. G.V., Fr. I.A. en Fr. I.D., op wie hij bijzonder is gesteld: zij bezitten een grotere kennis van de (occulte) kunsten dan de gewone broeders. Om in onze termen te spreken, zij zijn ook 'esoterici', net zoals hij. (We vinden het frappant dat in zulke oude documenten, net zoals ook nu nog en vaak bij ons, initialen worden gebruikt in plaats van volledige namen.) Rozenkruis eist van deze drie mannen de meest volstrekte trouw, vlijt en geheimhouding en beveelt hen, alles wat zij van hem zullen leren uiterst zorgvuldig op te tekenen, opdat de leer beschikbaar mag worden voor het nageslacht 'zonder dat er ook maar ťťn letter verkeerd is'.
Christiaan Rozenkruis : blz 8
De kleine broederschap wil nu het eerste deel van het boek 'M' voltooien, dat Rozenkruis uit AziŽ had meegebracht, maar zij worden in hun werk gehinderd door een toevloed van zieken en kreupelen, die de broeders zoeken en vinden hoewel zij in het geheim werken. Rozenkruis heeft net het 'Domus Spiritus Sancti', het huis van de Heilige Geest (voor de theosofen een 'Loge') gebouwd en de vier broeders hebben zoveel werk dat C.R. besluit anderen aan te trekken die door de 'SociŽteit en broederschap' zullen worden opgenomen. De vijf nieuwe broeders zijn eveneens ongehuwd en zij hebben de gelofte van kuisheid afgelegd.

Samen schrijven zij een boek waarin alles te vinden is dat de mens mag hopen of begeren. Dan gaan vijf de wijde wereld in om hun kennis te vergroten en de broederschap uit te bouwen. Twee blijven bij de stichter. Eens per jaar, op de dag 'C', zullen zij elkaar ontmoeten om verslag uit te brengen.

De 'Fama' noemt hen R.C., de zoon van de broer van wijlen zijn vader (dus een neef), B., een bekwaam schilder, G.G. en P.D., hun klerken, allen Duitsers, en I.A.

En Rozenkruis kondigt nu de regel van de orde af:
1. Geen andere openbare activiteit vertonen dan de gratis verzorging van zieken.
2. Zich in alle landen aanpassen aan de heersende zeden, gewoonten en kleding.
3. Jaarlijks, op de dag 'C', samenkomen op de plaats aangeduid door de Heilige Geest.
4. Iedere broeder zal voor de dag van zijn dood een opvolger kiezen.
5. Het Rozenkruis is het symbool van de broederschap.
6. De broederschap zal honderd jaar lang geheim blijven.

Regel 3 schijnt te doelen op het huis van de Heilige Geest als plaats van de jaarlijkse bijeenkomst. De Nederlandse vertaling van regel 5 geeft voor 'Rozenkruis' R.C., als 'zegel, kenteken en symbool'.

Wanneer vijf van de broeders zijn vertrokken, blijven er twee, broeders B. en D., bij de 'vader R.C.', voor de duur van ťťn jaar. Dan vertrekken deze op hun beurt, en twee andere blijven: neef R.C. en broeder I.A. De jaren gaan voorbij en ofschoon de broeders vrij blijven van ziekten en pijn, komt ook voor hen het uur van de dood. Broeder I.0. sterft in 'Engelland', waar hij de jonge graaf of hertog van Norfolk van een gevaarlijke ziekte heeft genezen, ('melaatsheid' volgens onze Nederlandse tekst, 'les ťcrouelles' volgens de Franse, dit is een cervicale adenopathie of een chronische tuberculosis) en daardoor beroemd is geworden.

Vader R.C. roept nu de broeders bijeen en zij besluiten hun graf zoveel mogelijk geheim te houden, zodat men ten tijde van de 'Fama' niet meer weet wat van enkelen onder hen is geworden.

De 'Fama' veronderstelt dat toen ook het graf van vader R.C. gereed werd gemaakt, maar dit wordt pas later ontdekt. Na de dood van broeder I.O. in Engeland is ook broeder A. heengegaan, in 'Gallia Narbonensis', Zuid-Frankrijk. Hij heeft broeder N.N. aangesteld als zijn opvolger. Nadat deze 'de plechtige eed van trouw en geheimhouding' had afgelegd, heeft zijn inwijder hem getroost met de voorspelling dat de broederschap niet meer lang zo verborgen zou blijven en de gehele Duitse natie te hulp zou snellen.
Christiaan Rozenkruis : blz 9
We zijn nu al bij de tweede generatie van opvolgers en de derde 'kring' van broeders. Broeder N.N. is architect en wordt begunstigd door Fortuna. Hij heeft het plan opgevat 'zijn gebouw' te veranderen en te verbeteren en het is duidelijk dat daarmee niet zijn eigen stoffelijke woning bedoeld wordt, maar een verborgen huis van de orde, mogelijk de oorspronkelijke 'aangename en geschikte' verblijfplaats van Christiaan Rozenkruis, of het huis van de Heilige Geest. De Stichter zelf is intussen overleden in de hoge leeftijd van 106 jaar en volgens de berekeningen gangbaar in de tijd van de 'Fama' zal nu blijken dat 'R.C.' geboren werd in 1378, stierf in 1484, en dat zijn graf werd ontdekt in 1604, ten gevolge van de werken uitgevoerd door broeder N.N. en zijn vrienden.
(Het geboortejaar en de ouderdom van R.C. worden later geconfirmeerd in de 'Confessio', maar historische zekerheid geeft dit niet: wel de heersende overtuiging in de tijd van de 'Fama'.)

De plaats van de werken wordt beschreven als een spelonk. Broeder N.N. ontdekt er een gedenktafel, waarop de namen van de broeders geschreven of ingegrift staan. De broeders besluiten dat deze tafel op een meer geschikte plaats zou moeten staan, maar zij is in de muur bevestigd met een abnormaal grote spijker. Wanneer zij deze met vereende krachten verwijderen komt een enorme steen mee los en daarachter ontwaren zij tot hun vreugde een geheime deur. Na de nodige beraadslagingen wordt deze geheel vrijgemaakt en leest men erop, in grote letters:

POST CXX ANNOS PATEBO

'Na 120 jaar zal ik mij openen', en daaronder 'het jaar des Heren', welk jaar echter niet in de 'Fama' wordt vermeld. De 'Fama' voegt hier een voor ons frappante voorspelling aan toe:
' ... gelijk onze deur na vele jaren op wonderlijke wijze werd ontdekt, zal ook in Europa een deur opengaan wanneer de muur is gevallen vanwaar zij reeds zichtbaar wordt en door velen met groot verlangen wordt verwacht.'

Nu de deur open is, snellen de broeders toe. Zij staan in een soort crypte, onder een gewelf acht voet hoog en met zeven zijden, ieder vijf voet breed. Hoewel het zonnelicht hier nooit is binnengedrongen, wordt de ruimte schitterend verlicht door 'een eeuwig brandende lamp', 'een andere Zon die het licht van de Zon kreeg en in het bovenste deel in het midden van het gewelf was geplaatst'.

In het midden staat, in plaats van een grafsteen, een rond altaar, bedekt met een bronzen plaat. Deze vertoont drie concentrische cirkels, met de inscripties:

A.C.R.C. Hoc universi compendium vidus mihi sepulchrum feci.

(Voor 'vidus', wat niet bestaat, leest men 'vivus', levend, zodat de zin betekent: Dit compendium van het heelal heb ik me tijdens mijn leven gemaakt om mijn graf te zijn.)

Jesus mihi omnia (Jezus is mij alles)

Verder vier cirkels in kruisvorm geplaatst, die de volgende leuzen bevatten:

Nequaquam vacuum (De leegte is nergens, bestaat niet)
Legis Jugum (Het Juk van de Wet - Wetmatigheid heerst)
Libertas Evangelii (De Vrijheid van het Evangelie)
Dei Gloria Intacta (De Glorie Gods is onaangetast, geheel)
Christiaan Rozenkruis : blz 10
Ook zijn er in de tussenliggende ruimten tien driehoeken getekend, met leuzen als 'Indien God wil', of 'Gij moet (God?) met eigen ogen zien.

De 'Fama' geeft over de occulte spreuken geen verdere details, 'om in een goddeloze en onbescheiden wereld de geheimen van de macht en de heerschappij van de regent (of de lagere heersers, de elementale krachten) van hierbeneden niet prijs te geven'.

De zeven muren hebben elk een deur en daarachter vinden de broeders schatkisten die bevatten:
1) al hun boeken,
2) het Vocabularium van Theophrastus (Paracelsus), een ITINERARIUM en een VITA (een levensbeschrijving van R.C.?), en
3) Spiegels van diverse vermogens, klokken, brandende lampen en zelfs 'wonderbare kunstmatige gezangen'(?).

(De theosoof W. Wynn Westcott ziet hierin 'mantrams' en Waite vraagt spottend: 'Waarom geen fonoplaten?') 'In het algemeen had bij dit alles het doel voor ogen gestaan dat, indien na vele honderden jaren niets van de broederschap meer over zou zijn, zij door middel van de schatten in dit ene gewelf zou kunnen worden hersteld.'

Wat Paracelsus betreft, naar het schijnt beschouwden de Rozenkruisers uit de tijd van de 'Fama' hem niet als een van hen, maar zij hadden wel groot respect voor hem en bewonderden zijn werk.

Vanuit ons standpunt gezien zou dit kunnen worden verklaard: misschien was Paracelsus de 'volgende Boodschapper' en dus onafhankelijk van hen. Hij luidde de volgende cyclus van de Beweging in, en hoewel van dezelfde geest doordrongen had hij toch een andere functie en gebruikte hij zijn eigen methode.

Zijn geboorte in 1493 plaatst hem nog net in het laatste kwart van de vijftiende eeuw en zijn werk situeerde zich in de eerste helft van de zestiende, een mogelijke en begrijpelijke 'onregelmatigheid' in de opeenvolging van de pogingen. Hierover later meer.

We citeren verder de Nederlandse vertaling van de 'Fama':
'Daar wij het dode lichaam van onze zorgvolle en wijze vader nog niet hadden gevonden, verplaatsten wij het altaar. Daarna lichtten wij een zware bronzen plaat op (volgens de Engelse en de Franse vertalingen een 'koperen' plaat) en vonden een fraai en edel lichaam, gaaf en ongeschonden, zoals dit hier in levenden lijve is afgebeeld met alle versierselen en in vol ornaat.

In zijn hand hield hij een perkament, getiteld 'T', dat na de Bijbel onze grootste schat is, doch niet aan de kritiek der wereld mag worden blootgesteld.'

Op de koperen plaat is het 'Elogium', de Lofrede, gegraveerd. In ťťn enkele Latijnse zin van achttien regels beschrijft zij de Meester en zijn werk.

We bezitten de Latijnse tekst, een Franse vertaling en een Engelse, maar om redenen van duidelijkheid verkiezen we hier het resumť weer te geven dat A.E. Waite in zijn 'Brotherhood of the Rosy Cross' aan zijn lezers schonk:
Christiaan Rozenkruis : blz 11
1. C.R.C. kwam uit een edele en doorluchtige Duitse familie.
2. Door zijn verheven opvattingen en zijn onvermoeibare werkkracht verkreeg hij kennis van Goddelijke en menselijke mysteriŽn door openbaring.
3. Tijdens zijn reizen in AziŽ en Afrika vergaarde hij een meer dan koninklijke en keizerlijke schat.
4. Deze rijkdom zou niet alleen zijn tijd dienen maar ook het nageslacht.
5. Hij wenste erfgenamen voor de broederschap, die trouw en innig verbonden zouden zijn.
6. Hij maakte een kleine wereld die in zijn bewegingen met de grote overeenkwam.
7. Het was een compendium van dingen die waren, zijn en nog komen moeten.
8. Na meer dan een eeuw op aarde te hebben geleefd vertrok hij, de roep van de Heilige Geest volgend en niet om reden van ziekte.
9. Hij was een geliefde vader, een toegenegen broeder, een trouwe leraar en een oprechte vriend.
10. Hij heeft hier 120 jaar verborgen gelegen.

Daarop volgen de initialen van zes broeders van de eerste kring of generatie:
- Frater I.A.
- Frater C.H., verkozen hoofd van de broederschap
- Frater G.V., M.P.G. (Magister Provincialis Germanicus?)
- Frater R.C. junior, erfgenaam van de Heilige Geest (de neef)
- Frater F.B., M.P.A. (Magister Provincialis Anglicus?), schilder en architect
- Frater G.G.,M.P.I. (Magister Provincialis Italicus?),kabbalist
en van drie broeders van de tweede kring:
- P.A., opvolger van I.O., wiskundige
- A., opvolger van P.D.
- R., opvolger van vader Christiaan Rozenkruis.

De broeders besluiten nu zekere boeken vrij te geven voor publicatie, dan nemen zij afscheid en verdelen hun juwelen onder hun natuurlijke erfgenamen, opdat toekomstige discipelen het graf zouden kunnen herontdekken en heropenen, want de broeders hebben het opnieuw verzegeld.

De 'Fama' verzekert ons dat het graf zich zal openen voor de zielen die het waardig zijn en gesloten zal blijven voor de onwaardigen.

Net zoals het graf van Rozenkruis verborgen blijft, zal iedere discipel het geheim van zijn eigen graftombe bewaren. De broederschap zal het oordeel van geleerde en niet geleerde lezers afwachten. De dageraad van een nieuwe tijd breekt aan en talrijk zijn de gaven die de broederschap voor het heil van de mensheid gereed houdt. Zij die ernstig proberen met haar in voeling te treden, hetzij schriftelijk of mondeling, zullen zeker antwoord krijgen. De broederschap heeft evenwel haar verblijfplaats nog niet bekend gemaakt.

Toch zullen de gedachten van hen die haar willen bereiken, in welke taal dan ook, haar zeker bereiken.
Christiaan Rozenkruis : blz 12
Het spreekt vanzelf dat een verhaal zoals dit meer vragen kan oproepen dan wij zouden kunnen hopen te beantwoorden. De literatuur op dit onderwerp is ongelooflijk rijk en verscheiden.

De intuÔtieve theosofen zullen aanvoelen dat hier iets groots is gebeurd. De romantici onder hen lopen vaak verloren op de paden van hun fantasieŽn en wensdromen.

Het is met historische problemen vaak zo dat het na verloop van tijd bijna onmogelijk wordt de echtheid van documenten en overleveringen te bepalen. In het welig oerwoud van de literatuur over het Rozenkruis geven de specialisten persoonlijke meningen ten beste, al dan niet gebaseerd op redelijke argumenten, en zij presenteren die meningen als zekerheden. De 'Confessio' confirmeert dat het geboortejaar van vader Rozenkruis 1378 was. Wij hebben redenen om ons, bij gebrek aan beter, daaraan te houden.

Het jaar past immers in het laatste kwart van de eeuw, en als Tsong-kha-pa, geboren in 1357, werkelijk de aanleiding gaf tot de nieuwe cyclus van pogingen begonnen in de veertiende eeuw, kan hij bezwaarlijk voor een 'boodschapper' in Europa hebben gezorgd voor hij zelf 21 was! Het is zo al waarlijk moeilijk genoeg.

De Duitse theosofische schrijver Karl Kiesewetter beschouwde 1378 niet als het geboortejaar van Rozenkruis, maar ongeveer als dat van de oprichting van zijn Orde.

Mrs. Annie Besant deed er nog een schepje bovenop: in haar werkje over de Meesters beweert zij dat Rozenkruis wel in de veertiende eeuw leefde, maar vroeger, daar hij reeds in 1388 werd herboren als de Hongaar Hunyadi Janos, en bovendien in de vijftiende eeuw als de monnik Robertus, in de zestiende als Francis Bacon (1561-1626) en in de achttiende als de graaf de Saint-Germain!

Onze beweging is niet gediend met dergelijke, onverifieerbare verhalen en het strekt Mevrouw Blavatsky en Mr. Judge tot eer dat zij ter zake zeer voorzichtig zijn gebleven en slechts hier en daar een schaarse inlichting hebben gegeven.

Maar de Antwerpse advocaat en theosoof Frans Wittemans stelde in zijn 'Geschiedenis der Rozenkruisers, Boucher, Den Haag, 1924, p.23) dat de gegevens van de 'Confessio' niet mťťr betrouwbaar zijn dan de 'Fama', en dat zij berusten op de overleveringen die in het begin van de zeventiende eeuw in omloop waren betreffende de 'legendarisch geworden dichter der broederschap van het Rozenkruis'. Hoe wist hij dat de 'Fama' en de 'Confessio' niet volledig betrouwbaar waren? Wij zijn ons voldoende bewust van onze onwetendheid om ook voorzichtig te blijven. En trouwens, voor ons zijn de geestelijke strekking van de 'documenten', hun waardigheid en hun diepgang, van veel groter belang dan kwesties van timing of persoonlijkheden.

Inmiddels zijn we bij het einde van dit werkje. Daar wij in onze reeks boekjes de chronologische rangorde proberen te volgen en dit artikel te maken heeft met het einde van de veertiende eeuw, konden we de documenten van 1614 en 1615 slechts bespreken in zoverre zij in direct verband stonden met Christiaan Rozenkruis.

De 'Confessio' is tegelijkertijd belijdenis, beginselverklaring, geschiedenis en rechtvaardiging van het Rozenkruis, ook in zijn strijd tegen de tirannie van de paus.

Het 'Scheikundig huwelijk' is een moeilijk werk vol symboliek, waarschijnlijk een allegorie van de inwijding in ruime zin. Om te eindigen citeren we hier een kort stuk uit Hoofdstuk VIII van de 'Confessio'. Sommigen onder ons zullen daarin aanknopingspunten vinden:

'Evenals in het menselijk hoofd twee organen zijn om te horen, twee voor het gezicht en twee voor de reuk, maar slechts ťťn voor de spraak en het nutteloos zou zijn spraak van de oren of het horen van de ogen te verwachten, zo zijn er tijdperken geweest, die hebben gezien, andere die hebben gehoord, weer andere die hebben gesproken en geproefd. Nu blijft er over, dat in korte en spoedig naderende tijd op gelijke wijze eer zal worden bewezen aan de tong, dat wat vroeger zag, hoorde en proefde, tenslotte zal spreken, nadat de wereld de vergiftiging van haar bedwelmende slaap te boven zal zijn gekomen en met open hart, ontbloot hoofd en barrevoets, vrolijk en opgewekt voort zal schrijden om de zon tegemoet te gaan, als die des morgens opkomt.'

Enkele jaren na het per perse gaan van het oorspronkelijke 'Gele Boekje' in 1992 werd er
in 1998 door de Rozekruis Pers (sic) een nieuwe vertaling gepubliceerd met commentaar o.l.v. Carlos Gilly. (N.v.d.v)