Index : De Gele Reeks : DEEL V

Jan van Ruusbroec

Inhoud : De Gele Reeks : DEEL V

Jan van Ruusbroec : blz 1
Jan van Ruusbroec
Zolang we in de schaduw blijven, kunnen we de zon zelf niet zien; maar 'Nu zien we door een duister kijkglas', zegt St.- Paulus. Toch wordt de schaduw zo door de zonneschijn verhelderd, dat we de verschillen kunnen zien tussen al de deugden en al de waarheden die ons in onze sterfelijke staat nuttig kunnen zijn. Maar als we ťťn zouden willen worden met de helderheid van de Zon, moeten we de liefde volgen, en vanuit onszelf naar het padenloze gaan, waar de Zon ons met onze verblinde ogen in Haar eigen helderheid zal opslorpen, en daarin zullen we eenheid met God bezitten ... In zijn vrijgevige uitstorting wil Hij helemaal van ons zijn: en dan leert Hij ons te leven tussen de rijkdommen van de deugden. Wanneer Hij zich terugtrekt laten al onze vermogens ons in de steek, en dan zitten we in Zijn schaduw en is Zijn vrucht zoet van smaak, want de vrucht van God is de zoon van God, die de Vader in onze geest verwekt. Deze vrucht is zo oneindig zoet dat we haar noch inslikken noch verteren kunnen, maar dat zij ons eerder in zichzelf opneemt en ons tot haar eigen maakt.

               De Glinsterende Steen, XI                   Jan van Ruusbroec

Europa beleefde in de veertiende eeuw het verval van de middeleeuwen en het eerste schijnsel van de Renaissance. De macht van het pausdom begon in te krimpen; die van de vorsten groeide en ook werden de steden machtiger.

Hier en daar ontstonden centra van weelde en geleerdheid maar voor de gewone mens was de tijd niet welbelovend. Hij was nog grotendeels gebonden door de verplichtingen van het leenroerig stelsel of door die van de erfelijke beroepen en met weinig kansen op opvoeding buiten de structuren van de kerk leidde het gemiddelde individu een leven dat riskant en meestal armzalig was.

De pausen, die van 1309 tot 1377 naar Avignon waren verbannen, zetten de complexe oorzaken in beweging die tot de excessen van het pausdom in de Renaissance en tot de Hervorming zouden leiden. Opstanden van boeren in Vlaanderen en in Frankrijk werden op wrede wijze onderdrukt. Midden in een tijd van economische onzekerheid woedde de Honderdjarige oorlog; van 1347 tot in 1453 eiste de zwarte dood haar gruwelijke tol.

De organisatie van de kerk faalde keer op keer, terwijl corruptie weelderig woekerde en allerlei religieuze extremisten groot succes kenden. Niettegenstaande deze politieke chaos, het maatschappelijk verval en de geestelijke ontaarding, kwam een herrijzenis van authentiek mystiek inzicht tot stand in een waarachtige constellatie van geestelijke lichten:
Jan van Ruusbroec : blz 2
Meister Eckhart, Richard Rolle, Johannes Tauler, Heinrich Suso (schrijver van 'De wolk van het onweten'), Catharina van Siena, Walter Hilton, de Vrienden van God, Juliana van Norwich en de Broeders van het gemene leven.

Jan van Ruusbroec werd geboren aan het begin van deze turbulente periode en stierf bij de opkomst van de Italiaanse Renaissance. Zijn leven strekte zich uit over het grootste gedeelte van de eeuw. Hoewel Jan van Ruusbroec al in zijn eigen tijd zeer werd gewaardeerd en op vele discipelen zijn invloed uitoefende, is er weinig over zijn leven bekend. Dit is slechts ten dele te wijten aan zijn tegenzin herinneringen op te halen, want zij die hem goed hadden gekend waren het erover eens te stellen dat zijn leven, bekeken vanuit het standpunt van een historicus, niet erg rijk aan denderende gebeurtenissen was.

Hij nam zonder aarzeling en op velerlei gebied deel aan wereldse zaken, maar deed dit zonder de aandacht op zichzelf te vestigen.

Voor van Ruusbroec wordt het echte leven geleefd op innerlijke gebieden; het overige is een kwestie van bescheiden plichtsvervulling. Ruusbroec werd geboren in 1293, in het dorp waarvan hij de naam tot de zijne maakte en dat tussen Brussel en Halle is gelegen. Heel zijn leven bracht hij door in het hertogdom Brabant.

Hij werd opgevoed door een zeer toegewijde moeder, die zijn sterke wil en avontuurlijke geest eigenlijk te veel vond voor haar, maar toch lieten haar serene vroomheid en onbeperkte liefde een blijvende indruk op haar zoon na.

Hinckaert zond de jonge Ruusbroec op eigen kosten naar scholen in Brussel, waar hij werd onderwezen in het 'trivium' en het 'quadrivium', respectievelijk grammatica, dialectica en retorica, en muziek, rekenkunde, meetkunde en astronomie.

Ruusbroec sprak 'Diets', een Germaans dialect dat later tot het moderne Vlaams zou evolueren, en moest dus Latijn leren. Hoewel hij het in al zijn studies goed deed en een flinke portie middeleeuwse geleerdheid opstapelde, spitsten zijn talent en belangstelling zich toch toe op de theologie.
Jan van Ruusbroec : blz 3
Indirect maakt hij misschien kennis met Plato, Plotinus, Dionysius de Areopagiet en Augustinus.
Sommige historici geloven dat hij naar Keulen ging en er de leringen van Meister Eckhart en de methodologie van Albertus Magnus leerde kennen.
Maar op den duur leken de scholastieke woordengevechten hem hol en de andere studies bijkomstig. Zijn hart heerste over zijn hoofd; zijn verlangen ging uit naar de Goddelijke wijsheid en meer en meer werden zijn intellectuele studies in de filosofie en de theologie verdrongen door intense meditatie.

Intussen had zijn reputatie van ernstige studie en natuurlijke vroomheid zich verspreid en zelfs zijn eigen dorp bereikt, zodat zijn moeder naar Brussel kwam om dichter bij hem te zijn. Daar zij niet in het huis van kanunnik Hinckaert mocht wonen, werd zij 'begijn', dit is een zuster in een bedelorde van leken. Ruusbroec ging haar vaak in het begijnhof bezoeken en nadat zij enkele jaren later was gestorven, verscheen zij vaak in zijn levendige dromen en gaf hem verscheidene malen gezonde raad en geestelijke steun.

Toen Ruusbroec vierentwintig was geworden, dus in 1317, werd hij tot priester gewijd en onder de ecclesiastische hoede van Hinckaert geplaatst.

Rond die tijd besloten Hinckaert en Coudenberg een gedisciplineerd spiritueel leven te gaan leiden. Zij verdeelden hun bescheiden bezittingen onder de armen en trokken zich terug in een eenvoudig huis, dat in hun minimale behoeften kon voorzien.

Ruusbroec was diep onder de indruk van hun voorbeeld en ging weldra bij hen wonen. Zesentwintig jaar lang bekleedde hij het ambt van priester van Sint-Goedele, verstrekte de sacramenten en voorzag in de noden van zijn parochianen. Met uitzondering van ťťn incident werkte hij met uiterste vlijt en in alle stilte, en zij die zo door hem werden begunstigd, vonden in hem wel een hartelijk en mededogend man, maar toch iemand die altijd solitair bleef.

Hij ging voort met het observeren van de menselijke natuur en vond het ontzettend, enerzijds hoezeer kerk en clerus ontaard waren, en anderzijds hoe velen hun toevlucht namen tot extremistische opvattingen, gedreven als zij waren door de onzekerheden van hun tijd. Hij schreef tegen bisschoppen en prelaten die luxueus op reis gingen: 'Bij hen gaan de zaken goed, het geld vloeit naar hun beurs en de zielen worden niet aangeroerd.' Hoewel de priesters door de kerk werden onderhouden, vonden zij het nodig in de kathedraal te komen bedelen.

De lekenwereld zag duidelijk genoeg dat de clerus zijn beloften niet nakwam, werd cynisch en gevoelig voor pseudospirituele claims. Het ontbrak de christenen aan smaak, 'smaak voor de dienst van de Heer'.

Kijkt, voor deze mensen is het klooster een gevangenis en de wereld een paradijs. Want zij hebben geen gevoel voor God en voor eeuwige zaligheden.
Jan van Ruusbroec : blz 4
De kerk was inderdaad vergiftigd door haar eigen corruptie, ten dele omdat zij, door zo sterk aan te dringen op het onvoorwaardelijke verschil tussen schepper en schepsel, het Goddelijke zo afstandelijk had gemaakt. Onder het volk was de reactie soms zo hevig dat de mensen in het andere uiterste vervielen, en dit vond een expressie in extremistische opvattingen van immanentie met hoog oplopende emoties, uitbarstingen van uitdagende amoraliteit, pantheÔsme en vermeende orakelspreuken.

Slechts ťťnmaal sprak Ruusbroec zich als priester scherp uit tegen dergelijke excessen. Een wijd verspreide groep, bekend als de Broeders van de vrije geest, predikte dat zij op wie de geest was neergedaald, reeds goddelijk waren en bijgevolg niet onderworpen aan menselijke regels van goed gedrag.

Een vrouw genaamd Bloemardinne plaatste zich aan het hoofd van deze beweging en maakte extravagante aanspraken. Niet alleen beweerde zij bovennatuurlijke en profetische vermogens te bezitten, maar ook dat zij door twee serafijnen werd vergezeld. Zij hield staande dat de 'serafijnse liefde' alle beloften en ritualen zou vervangen en vertolkte deze lering in een vrijpostig erotisme.

Ruusbroec vond dit afschuwelijk en viel haar ideeŽn aan in een reeks pamfletten. Hij stelde dat dit eenzijdige en egocentrische pantheÔsme ruw opgevatte beelden van het Goddelijke verwart met authentieke mystieke ervaringen, daarom zelfdiscipline, praktijk en beloften als onnodig verwerpt, en aanmoedigt tot allerlei vormen van toegeeflijkheid voor de eigen ondeugden.

De traktaten van Bloemardinne en de weerleggingen van Jan van Ruusbroec zijn verloren gegaan, maar de geschiedenis noteert gemengde reacties. Er werden spottende liederen tegen Ruusbroec geschreven en in de straten werd hij uitgelachen, maar op den duur stierf het debat uit en kon hij zijn gewone gang gaan.

In 1343 besloten de drie geestelijke gezellen zich uit het tumult van de wereld terug te trekken en ergens als kluizenaars te gaan leven. Jan III, hertog van Brabant, die al lang voor hun eenvoudige levensstijl bewondering had gekoesterd, schonk hun met genoegen een oude jachthut die inmiddels kennelijk als kluis was gebruikt.

Groenendael(de groene delle of vallei) ligt in het hart van het ZoniŽnwoud, waarvan de naam wordt afgeleid van een centrum van Zonneaanbidding dat zich daar in vroeger tijden zou hebben bevonden. Hier woonden de drie broeders vijf jaar lang totaal ongestoord. Stilaan trokken zij vele ernstige volgelingen aan, die onder de indruk waren van de oprechtheid van hun bedoelingen, hun rustige deugdzaamheid en hun stralende vrolijkheid in zulke nederige omstandigheden.
Jan van Ruusbroec : blz 5
Sommigen kwamen om geestelijke raad, anderen wilden blijven en worden geleid. Deze onvoorziene ontwikkeling maakte dat hun informele levenswijze onhoudbaar werd: de kerk stond immers zeer achterdochtig ten aanzien van spontane groepsvorm wegens mogelijke ketterse neigingen en de inquisitie breidde haar activiteit gestadig uit.

Na zorgvuldig overleg nam de groep de regel van de Augustijnse kanunniken aan. Ruusbroec weigerde de functie van provoost aan te nemen en dat ambt viel op Coudenberg. Ruusbroec was wel bereid de taak van prior op zich te nemen, maar Hinckaert die vreesde dat zijn gevorderde leeftijd het hem onmogelijk zou maken de regel te volgen, scheidde zich van zijn vrienden af en trok zich terug in een hut verder in het woud, waar hij verbleef tot zijn dood.

De noodzaak nieuwe broeders te onderwijzen, de weidse stilte van het woud en zijn actief innerlijk leven spanden samen om Ruusbroec tot spreken en schrijven aan te zetten. Hij wilde de kern van het 'super-essentiŽle leven' als praktijk en levensstijl aan iedereen mededelen. Hij verwierp het Latijn als communicatiemiddel en verkoos zijn eigen dialect, niettegenstaande dat het zo arm was aan spirituele en wijsgerige termen.

In de volgende dertig jaar schreef hij ten minste elf oorspronkelijke verhandelingen van geestelijk onderricht. 'Het geestelijk tabernakel' interpreteerde het tabernakel, dat Mozes in de woestijn voor de IsraŽlieten had opgericht, als een archetype van het spirituele leven.

'De twaalf punten van het ware geloof' gaf een mystieke verklaring van de geloofsartikelen van de apostelen. Zijn meest stelselmatige en doorgedreven werken zijn 'Het rijk van Gods geliefden' en 'Het sieraad van de geestelijke bruiloft', die beide over het ontvouwen van de ziel handelen.

Hij schreef gedetailleerde instructies over ascetisme en mystiek omdat hij door zijn persoonlijke ervaring wist dat iemand die wil gaan zweven in hogere regionen het gevaar loopt, door een neerwaartse stroom te worden gegrepen of de gevangene te blijven van een of ander gebied van bewustzijn. Hij was steeds maar ontevreden over zijn manier van zeggen en zocht voortdurend naar grotere helderheid in de expressie, tot hij de grootst mogelijke rijpheid bereikte in 'Het boek van de blinkende steen', 'Het boek van de opperste waarheid' en 'De twaalf begijnen'.

Het oorspronkelijke en allesdoordringende principe van het mystieke leven, dat voor Ruusbroec het ware leven is, het leven in de geest, is de liefde, die innerlijk intens wordt beleefd en zich naar buiten vertoont als vriendelijke hulpvaardigheid.

In 'De twaalf begijnen' schreef hij:

Zij die de weg van de liefde volgen zijn de rijksten onder alle mensen:
Zij zijn stoutmoedig, open en vrij van vrees,
Zij gaan niet gebukt onder weeŽn en zorgen,
Want de Heilige Geest draagt hun lasten.
Zij zoeken geen uiterlijke schijn;
Zij verlangen niets dat door mensen begeerd wordt;
Zij spreiden geen bijzonder gedrag ten toon
En willen zijn als andere goede lieden.
Jan van Ruusbroec : blz 6
Alle nodige praktijken stammen uit de diepste liefde, zij hoeven ze zelf niet op te wekken. Zonder de liefde die op alle mensen straalt, worden praktijken en disciplines op zijn best excentrieke houdingen en op zijn ergst verdraaide vormen van zelfhandhaving. Zo is een spiritueel mens, een ware christen, eerst en vooral een goede werkzame mens, en ten tweede een 'innerlijke en geestelijke' mens.

Hij wordt opgetild, een mens die God ziet en dan 'een mens die naar allen gemeenschappelijk uitvloeit'. Van iemand die deze vier dingen 'is', mag worden gezegd dat hij/zij volmaakt is. Deze viergekante grondvesting, die steunt op het diamant van de liefde, vormt de basis en de substantie van het spirituele leven zoals uiteengezet in 'Het boek van de blinkende steen'.

Nadat hij deze voorwaarden voor de realisatie van het Goddelijke had gegeven, leerde Ruusbroec hoe men ze kan verwerven. Een mens wordt goed door middel van drie dingen:

een geweten dat gelouterd is door zelfonderzoek en toepassing geleid door het onderscheidingsvermogen;

gehoorzaamheid aan God, aan de regels van de kerk en aan de eigen overtuigingen, die alle drie evenveel aanspraak op gehoorzaamheid mogen maken; en het volbrengen van daden met de bedoeling in harmonie met het Goddelijke te handelen, daar er geen andere geldige reden voor of doel van actie kan zijn.

Een zuiver geweten bouwt onpersoonlijk onderscheidingsvermogen op en verschaft de gepaste oefening aan de wil, terwijl de drievoudige gehoorzaamheid enerzijds trots en zelfhandhaving en anderzijds zelfgenoegzaamheid en het zoeken van excuses blokkeert. Handelen voor het Goddelijke verzwakt de aantrekkingskracht van het wereldse.

Er zijn ook drie voorwaarden om tot het innerlijke door te dringen. Ten eerste moet men het hart bevrijden van beelden, voorwerpen, personen of ideeŽn.

Ten tweede moet men geestelijke vrijheid verwerven in zijn begeertenatuur, aan alle kleinere liefdes verzaken en plaats maken voor een intense hunkering haar het Goddelijke, het enige object dat onvoorwaardelijke liefde rechtvaardigt.

Ten derde moet men eenheid met God willen, wat de ontbinding van zelfs heilige beelden vergt, 'want God is een Geest van Wie niemand zich een juist beeld kan maken'. Dit is het begin van het leven in de geest.

De mens moet neerdalen tot die beeldenloze naaktheid die God is; dit is de eerste voorwaarde, en de basis, van een geestelijk leven.

Jan van Ruusbroec : blz 7
Waar de eerste twee elementen betrekking hebben op de spiritueel individuele zorg om de houdingen ten overstaan van de wereld opnieuw te ordenen en de psychische natuur te herschikken, betreft het overige het innerlijke, transcendentale leven, waarover velen wenken krijgen of aanduidingen voelen, enkelen proeven en weinigen volledig leren te beleven. Drie voorwaarden moeten zijn vervuld om een God-ziende mens te worden:

De eerste is het gevoel dat de essentie van ons wezen een afgrond is en dat we het als dusdanig moeten bezitten;

de tweede is dat onze innerlijke oefening padenloos moet zijn (zonder ťťn bepaalde richting uit te willen? Vert.);

de derde is dat het gezochte samenkomen een goddelijke vruchtvorming moet zijn.

Wanneer iemand werkelijk de eenheid met het Goddelijke ervaart, openbaart zich de vereniging, die het Goddelijke en het individuele omvat, als een afgrond, zonder enige dimensie, totaal duister, een leegte ontdaan van beelden en wereld.

In deze zin mogen wij stellen dat het in God levende individu voor zelf en wereld sterft. Goddelijke eenheid is Goddelijke afgrond, waar men 'naakt' is (zonder eigenschappen) en beeldenloos (zonder discursief denken), het meest innerlijke centrum van de eigen geest.

Daar vinden we een eeuwig licht geopenbaard, en in dit licht voelen we de eeuwige eis van de Goddelijke eenheid; en we voelen onszelf aan als een eeuwig vuur van liefde, dat boven alles naar vereniging met God hunkert. Hoe meer we aan deze eis toegeven, des te sterker voelen we hem...

En zo kun je zien dat de inzuigende eenheid van God niets anders is dan bodemloze liefde...

En daarom moeten we allen ons leven bouwen op een bodemloze afgrond, opdat we eeuwig in liefde mogen duiken en in die bodemloze diepte neerzinken.

Jan van Ruusbroec : blz 8
Vanuit dit standpunt is het mogelijk om met groot en duurzaam voordeel een levensregel aan te nemen, maar een leven van meditatie aan iemand aanleren, dat is niet mogelijk. Het individu dat deze top van spirituele ervaring heeft veroverd, heeft niet enkel een bepaald doel bereikt of uitzonderlijke karaktertrekken verworven: hij heeft een transmutatie van zijn eigen natuur ondergaan.

Hoewel hij een pad naar de innerlijke afgrond heeft gevolgd, is hij nu padenloos, zonder motief, intentie, modus of richting zoals die voorkomen in het tijdelijke of in andere categorieŽn. Zijn bewust bestaan is een transcendente ruimte, de Godheid genoemd, een verlichte staat die voor het discursieve intellect onbegrijpelijk is. Zo ontvangt hij een 'blinkende steen' waarop een nieuwe naam staat geschreven, hoewel geen andere dan de ontvanger die ooit kan kennen.

Deze steen is het eeuwige woord zoals het zich in hem manifesteert. Eenieder komt tot het Goddelijke langs zijn eigen weg en zo krijgt eenieder ook een verschillende naam maar allen die komen, hebben zich van zonde bevrijd.

Zonde heeft minder te maken met daden dan met motieven, want goddelijke gaven kunnen zowel in dwaling als in deugd aangewend worden.

In zijn spirituele psychologie onderscheidde Ruusbroec vijf soorten zondaren en drie gezellen van het Goddelijke.

Onder de zondaren bestaat de eerste klasse uit hen die wereldlijk zijn en niets om goede werken geven; zij lijden aan versnippering van het hart.

De tweede soort volbrengt goede daden en eert de gerechtigheid, maar vervalt niet ongaarne in dwaling.

De derde groep bestaat uit ongelovigen, zij die weinig geloof hebben of zich in hun geloof aan dwalingen houden (het geloof zou zich moeten richten op het Goddelijke en op hun eigen innerlijke natuur, niet alleen op dogma's).

De vierde soort is schaamteloos en zonder morele gevoeligheid. De vijfde wordt gevormd door de uiterlijk zuiveren; de wereld meent dat zij heilig zijn, maar hun motief is verkeerd, omdat zij vergankelijke doeleinden nastreven.

Geen van deze toestanden is voorbestemd of aangeboren, zodat alle zondaars kunnen terugkeren tot de menselijke waardigheid en tot besef van het heilige in henzelf.

Niettemin zijn er graden onder hen die zich naar het Goddelijke wenden. De huurlingen van God volgen wat zij als goddelijke geboden beschouwen, maar zij doen dit uit eigenbelang. Zij vrezen de belofte van de hemel te verliezen en de hel vrezen zij nog meer. Goddelijke gratie is onbegrensd mededogen en vrees voor de hel steunt daarom alleen op eigenliefde.

Op een paradoxale en omgekeerde manier is deze vrees gerechtvaardigd, want eigenliefde is precies de oorzaak van de hel. De trouwe dienaar heeft zijn vrees overwonnen omdat hij aan alles ten gunste van het Goddelijke heeft verzaakt, en zo ook aan zijn eigenheid. Daarmee bewijst hij de eerste graad van waar geloof. Zijn daden vloeien voort uit liefde voor God.

De innerlijke of geheime vriend van God dringt verder dan het motief van de liefde hoewel hij haar omvat. Hij keert zich helemaal af van de wereld en zijn hart is niet meer verdeeld. Onwetende buitenstaanders denken dat hij niets doet, omdat hij niet kan handelen volgens normen waarvan anderen het voorkomen en de wereldse motieven kunnen herkennen.
Jan van Ruusbroec : blz 9
In de parabel over Martha en Maria prees Jezus beiden om hun toewijding. Martha gaf het voorbeeld van trouwe dienst, maar de verdienste van Maria werd groter geacht, omdat zij een geheime vriend, een echte contemplatieve was. Voor Ruusbroec echter bestaat de mens van meditatie in een wereld die voorbij de analyse naar wereldse normen ligt, maar toch verzaakt hij niet aan zijn plichten jegens de mensheid.

Door plichten jegens de mensheid te schuwen, die alle onder de goddelijke liefde horen en als onzelfzuchtig dienstbetoon kunnen worden vertaald, zou men aan zelfbedrog doen: de geheime vriend blijft een trouwe dienaar.

Hoewel innerlijke vrienden de inspiratie van de Godmakende aanwezigheid ervaren, behouden zij nog altijd een subtiel beeld van hemzelf en van de Godheid.

'Zij kunnen 'met' zichzelf en hun eigen activiteit niet tot de beeldenloze naaktheid doordringen.'

Zolang zij een fragment van hun eigenheid vasthouden, komen zij niet tot het padenloze.

De verborgen zonen van God - de hoogste graad van menselijke realisatie - gaan hoger dan alle beelden, die van zelf en God incluis. Zoals de druppel opgaat in de omhelzing van de zee, gaat niets verloren behalve het beeld van wat echt is.

Dat beeld, zelfs het subtielste en het meest gelouterde, is uiteindelijk onwaar en moet worden achtergelaten.

De verborgen zoon benadert de Godheid zonder eigenschappen en ontdekt daarom dat de Godheid eveneens zonder eigenschappen is. Het beeld van het Goddelijke was niet meer dan een projectie van het zelfbeeld. Naakt duikt men in de Goddelijke afgrond, die de oneindige, vurige oceaan van het eeuwige leven is.

Konden wij slechts verzaken aan onszelf en aan alle eigenbelang in onze werken dan zouden we, met onze naakte, van beelden bevrijde geest, alle dingen overstijgen en zonder tussenpersonen naar de geest van God in de naaktheid geleid worden... Wanneer wij onszelf overstijgen en in onze opgang naar God zo simpel worden dat de naakte liefde in den hoge de hand op ons kan leggen, waar liefde liefde omhelst, boven en voorbij alle vormen van deugd -dat is in onze oorsprong, waaruit wij spiritueel geboren worden- dan houden we op en wij sterven met al onze eigenheid in God. En in deze dood worden wij de verborgen zonen van God en ontdekken een nieuw leven in ons: en dat is het eeuwige leven.

Zo leidde Jan van Ruusbroec een lief en vriendelijk leven, en onderwees hij een boodschap die uiterst moeilijk was, juist omdat zij zo eenvoudig en zonder enig voorbehoud was.
Jan van Ruusbroec : blz 10
Zelfs toen hij al zeer broos en tenger was geworden, hielp hij nog allen die tot hem kwamen, ook arme Clara en Geert Groote, de stichters van de Broeders van het gemene leven.

Op een nacht verscheen zijn moeder in een droom en zei hem dat hij zou sterven voor de advent. Zo gewaarschuwd drong hij erop aan naar de gemeenschappelijke ziekenzaal te worden gebracht, waar hij onmiddellijk in een koorts verviel. Twee weken later riep hij de broeders samen, beval zich aan in hun herinnering en verliet met een glimlach het geÔncarneerde bestaan in de leeftijd van achtentachtig jaar, op 2 december 1381.

Men zegt dat Groote onmiddellijk wist dat Ruusbroec was gestorven en dat de klokken van Deventer vanzelf begonnen te luiden. In visioenen verscheen hij aan die discipelen die het lichaam van de 'wonderbare', de liefelijkste kloosterbloem, zouden gaan begraven.

Hoewel verdacht van ketterij en pantheÔsme, stond Ruusbroec in de stroom van de geestelijke helden die aan alle mensen hulp en hoop bieden.

Zijn helderheid ging over in die Helderheid waarover hij zo graag schreef:

Die helderheid is zo groot dat de liefhebbende aanschouwer, op de grond waar hij verblijft, niets anders ziet en voelt dan een onbegrijpelijk licht; en door die simpele naaktheid die alles omvat, ontdekt hij dat hij datzelfde licht is waardoor hij ziet, en niets anders... Gezegend zijn de ogen die zo zien, want zij bezitten het eeuwige leven.

                uit Het sieraad van de geestelijke bruiloft

Vertaald uit 'Hermes', Jaargang VIII, nummer 9, uitgegeven door de Concord Grove Press, Santa Barbara, California, USA.
Jan van Ruusbroec : blz 11
**********************
JAN VAN RUUSBROEC
**********************


As long as we dwell in the shadow, we cannot see the sun itself; but Now we see through a glass darkly, says St. Paul.

Yet the shadow is so enlightened by the sunshine that we can perceive the distinctions between all the virtues and all the truth which is profitable to our mortal state. But if we would become one with the brightness of the Sun, we must follow love, and go out of ourselves into the Wayless, and then the Sun will draw us with our blinded eyes into Its own brightness, in which we shall possess unity with God. ... In his outpouring. He wills to be wholly ours: and then He teaches us to live in the riches of the virtues. In His indrawing touch all our powers forsake us, and then we sit under His shadow, and His fruit is sweet to our taste, for the Fruit of God is the Son of God, Whom the Father brings forth in our spirit. This Fruit is so infinitely sweet to our taste that we can neither swallow It nor assimilate It, but It rather absorbs us into Itself and assimilates us with Itself.

The Sparkling Stone, xi                 JAN van RUUSBROEC

Fourteenth century Europe witnessed the decline of the Middle Ages and the first glimmering of the Renaissance. Whilst the retrenchment of the papacy, the growing secular power of princes and the emerging strength of some cities lent a regal lustre to a few centres of wealth and learning, the period was not promising for the common man. Largely bound to feudal lands or hereditary crafts and with little hope for education outside the church, the average individual endured an impoverished and precarious life. The popes, exiled in Avignon from 1309 until 1377, set in motion the complex causes that resulted in the excesses of the Renaissance papacy and the Reformation. Peasants revolted in Flanders and France only to be harshly suppressed. Amidst economic instability, the Hundred Years' War raged (1347-1453) even while the Black Death took its own grim toll. Church organization faltered while corruption burgeoned and religious extremists flourished. Nonetheless, political chaos, social decay and spiritual degradation provided an arena for a resurgence of authentic mystical insight instantiated in a constellation of luminaries: Meister Eckhart, Richard Rolle, John Tauler, Henry Suso, the author of the Cloud of Unknowing, Catherine of Siena, Walter Hilton, the Friends of God, Julian of Norwich and the Brethren of the Common Life. Jan van Ruusbroec was born at the beginning of this turbulent period and died at the advent of the Italian Renaissance, his life spanning most of the century.
Jan van Ruusbroec : blz 12
Though Jan van Ruusbroec was appreciated in his own time and though he influenced many disciples, little is known of his life. This is only partially due to his reticence to reminisce, for those who knew him well agreed that his life as reckoned by historians was uneventful. He unhesitatingly participated in the affairs of the world for many years, but he did so in ways that did not call attention to himself. For Ruusbroec, real life is lived on inner planes; the rest is a matter of unobtrusive duty. Ruusbroec was born in 1293 in the village whose name he took, between the towns of Brussels and Hal. He lived out his whole life within the province of Brabant. He was raised by his devoted mother, who found his strong will and adventurous spirit more than she could guide, yet her own serene piety and unqualified love left a permanent impression on her son. At the age of eleven Ruusbroec went - some say ran away - to Brussels, where he met his uncle Jan Hinckaert, canon of the cathedral of St. Gudule. Apparendy Hinckaert recognized in Ruusbroec the same depths of spiritual promise that stirred in his own bosom, for he took the boy under his wing at once, and, with his close companion Francis van Coudenberg, a younger canon, the three formed a lifelong association.

Hinckaert paid for Ruusbroec to attend the schools of Brussels, where he studied the trivium and quadrivium - grammar, dialectic, rhetoric and music, arithmetic, geometry and astronomy. Ruusbroec spoke the tbiois, a Germanic dialect that evolved into modern Flemish, and so he had to learn Latin. Though he did well in all his studies and established a firm foundation in mediaeval learning, his interest and talent lay in theology. He absorbed, perhaps indirectly, Plato, Plotinus, Dionysius the Areopagite and Augustine. Some historians believe that he went to Cologne and learnt the teachings of Meister Eckhart and the methodology of Albertus Magnus. He came to see scholastic logomachy as vain and other studies as distracting. His heart ruled his head in that he came to desire nothing but Divine Wisdom, and in time his philosophical and theological studies gave way to intense meditation. Already, Ruusbroec's reputation for study and natural piety had spread as far as his native village, and his mother came to be with him in Brussels. Since she could not live in the house of Canon Hinckaert, she became a bťguine, a sister in a lay mendicant order. Ruusbroec frequently visited her in the bŤguinage, and after she died a few years later, she visited him in vivid dreams on several occasions to give him sound advice and spiritual encouragement.

By the time he was twenty-four in 1317, Ruusbroec was ordained priest and placed under the ecclesiastical jurisdiction of Hinckaert. Around this time, Hinckaert and Coudenberg resolved to undertake a disciplined spiritual life. They disposed of their modest wealth amongst the poor and retired to a simple house with only the minimal necessities of life. Ruusbroec was deeply affected by their example and soon joined them. For twenty-six years Ruusbroec served as a priest of St. Gudule, performing the sacraments and ministering to the people. Except for one incident, he laboured industriously and in silence, and those who benefited found him to be warm and compassionate, though a solitary in every respect. Nevertheless, he carefully observed human nature. He was appalled by the degradation of the church and clergy on the one hand, and by tendencies to extreme views amongst people oppressed by the instabilities of the time. He wrote against bishops and prelates who travelled in luxury. With such a one, 'business progresses, money flows into his purse and souls are not touched Priests begged in the cathedral for funds, even though the church supported them. Seeing this, and seeing the clergy flaunt every vow, the laity was understandably cynical and vulnerable to pseudo-spiritual pretence. Christians lacked taste, 'taste for the service of the Lord'.

Look - for these people the monastery is a prison and the world is a paradise. For they have no taste for God or eternal blessedness.
Jan van Ruusbroec : blz 13
The church was vitiated by its own corruption in part because it had made the Divine remote through insistence on an unqualified distinction between creator and creation. Reaction amongst the people frequently found expression in an extreme affirmation of immanence, including glossolalia, emotionalism, defiant amorality and pantheism. Whilst serving as a cathedral priest, Ruusbroec spoke out only once. A diffusive group known as the Brethren of the Free Spirit preached that those upon whom the Spirit had descended were already divine and therefore not subject to human codes of conduct. A woman called Bloemardinne seized leadership of this movement and made extravagant claims. Besides claiming supernatural and prophetic powers, she said she was accompanied by two seraphim. She held that 'seraphic love' replaced all vows and rituals, and translated this doctrine into a cavalier eroticism. Ruusbroec was horrified and attacked her ideas through a series of pamphlets. This one-dimensional egotistic pantheism, he argued, confuses crude images of the Divine with authentic mystic experiences, and thus rejects as unneeded discipline, practice and vows, and encourages indulgence of every inclination. Whilst both Bloemardinne's tracts and Ruusbroec's refutations are lost, history recorded mixed reactions. Derisive songs were written against Ruusbroec, and he was mocked in the streets. In time the dispute died away, leaving Ruusbroec to his daily round.

In 1343 the three spiritual companions resolved to withdraw from the tumult of the world and dwell in some remote fastness. John III, Duke of Brabant, had long respected them for their simple life and willingly granted them possession of an old shooting-lodge which had been used as a hermitage. Groenendael or Le Vau-vert ('green valley') was located in the heart of the forest of Soignes, which received its name (originally Sonien) from an ancient centre of sun-worship there. Here the three brothers lived for five years undisturbed. The sincerity of their intent, their quiet virtue and their radiant cheerfulness in humble circumstances gradually attracted many serious followers. Whilst some came for spiritual advice, others came to stay and seek guidance. This unanticipated development made their informal life untenable at a time when the church was worried about spontaneous associations with heretical tendencies and the Inquisition was expanding its activities. After careful deliberation, the group adopted the rule of the Augustinian Canons. Ruusbroec refused to be provost, an office which fell to Coudenberg. Ruusbroec accepted the position of prior, but Hinckaert, fearful that advanced age might prevent him from fulfilling the rule, separated himself from his friends and retired to a cell in the forest, where he dwelt until his death.
Jan van Ruusbroec : blz 14
The need to teach new brothers of the Priory of Groenendael, the expansive silence of the forest and Ruusbroec's quickened inner life joined together to compel him to speak and write. He wished to convey the quintessence of the 'superessential life'' as a practice and way of life open to all human beings. He rejected Latin as his medium of discourse and chose instead his own dialect, despite its paucity of spiritual and philosophical terms. During the next three decades he composed at least eleven pristine treatises of spiritual instruction. The Spiritual Tabernacle interpreted the Israelite tabernacle set up by Moses in the desert as an archetype of the spiritual life. The Twelve Points of True Faith gave a mystical interpretation of the Apostles' Creed. His most systematic and elaborate works are The Kingdom of God's Lovers and The Adornment of the Spiritual Marriage, which deal with the unfolding of the soul. He composed detailed instructions on asceticism and mysticism as an authentic way of life because he knew from personal experience that one inclined to soar risks veering off into one or another down draught or being trapped on one plane of awareness. Always dissatisfied with his written expressions, he sought ever more lucid explanations, until the fruition of his maturity manifested in The Book of the Sparkling Stone, The Book of Supreme Truth and The Twelve Beginnes.

The initial and pervasive principle of the mystical life - which for Ruusbroec is real life, life in spirit - is love intensely experienced within and expressed as friendly helpfulness without. In The Twelve Bťguines he wrote:

Those who follow the way of love
Are the richest of all men living:
They are bold, frank and fearless,
They have neither travail nor care,
For the Holy Ghost bears all their burdens.
They seek no outward seeming,
They desire nought that is esteemed of men,
They affect not singular conduct,
They would be like other good men.
Jan van Ruusbroec : blz 15
All requisite practices come out of deepest love; they do nut generate it. Without a love that shines on all human beings, practices and disciplines become eccentricities at best and distorted forms of egotism at worst. Thus, a spiritual human being, a true Christian, is first of all a good and zealous man, and secondly an 'inward and ghostly' man. He becomes an uplifted and God-seeing man and then 'an outflowing man to all in common'. When one is these four things, one can be said to be perfect. This four-square foundation set upon the adamant of love constitutes the basis and substance of the spiritual life as set out in The Book of the Sparkling Stone.

Given these requirements for realization of the Divine, Ruusbroec taught how they are acquired. A human being becomes good through three means: a conscience cleansed through self-examination and discerning application; obedience to God, to the rules of the church and to one's own convictions, all of which have equal claims on obedience; and performance of action with the Divine in mind, there being no other reason for or end to action. A clean conscience builds impersonal discrimination and gives proper exercise to the will, and the threefold obedience blocks pride and self-regard on the one side and excuse-making and self-righteousness on the other. Acting for the Divine diminishes the powers of attraction found in the world. There are also three requirements to become inward. First of all, one must divest the heart of images, which means that one cannot be attached to anything - objects, individuals, feelings or ideas. Secondly, one must gain 'spiritual freedom' in one's desires, forsaking all lesser loves for an intense longing for the Divine, which is the only object worthy of unconditional love. Thirdly, one must want union with God, which demands the dissolution of even sacred images, 'for God is a Spirit of Whom no one can make to himself a true image'. This is the beginning of life in spirit, not the world.

The man must sink down to that imageless Nudity which is God; this is the first condition, and the foundation, of a ghosdy life.

If the first two elements of the spiritual individual concern the reordering of his attitude towards the world and the reconstitution of his psychic nature, the remainder concern the inner, transcendental life of which many receive intimations, a few taste and fewer still learn to live fully. Three requisites are needed to become a God-seeing man:

The first is the feeling that the foundation of his being is abysmal, and he should possess it in this manner; the second is that his inward exercise should be wayless; the third is that his indwelling should be a divine fruition.
Jan van Ruusbroec : blz 16
When one actually experiences union with the Divine, the union which includes Deity and individual is revealed as abysmal - without finite dimension, wholly dark, an emptiness in respect to images and the world. In this sense, the individual who comes to live in the Divine dies to self and world. Divine Unity is Divine Abysm, where one is naked (without qualities) and imageless (without discursive thought), the inmost centre of one's own spirit.

There he finds revealed an Eternal Light, and in this Light he feels the eternal demand of the Divine Unity; and he feels himself to be an eternal fire of love, which craves above all else to be one with God. The more he yields to this indrawing or demand, the more he feels it. . . . And thus you may see that the indrawing Unity of God is nought else than fathomless Love. .. . And therefore we must all found our lives upon a fathomless abyss, that we may eternally plunge into Love and sink down in the fathomless Depth.

From this standpoint, a rule of life can be adopted with great and enduring benefit, but a life of meditation cannot be taught. An individual who has achieved this pinnacle of spiritual experience has not simply attained a desired goal or acquired an exceptional trait; he has undergone a transmutation of his nature. Though he has followed a path to the inner abysm, he is now wayless, without motive, intention, mode or direction in any temporal or categorical sense. His conscious existence is a transcendent space called Deity, an enlightened state incomprehensible to the discursive intellect. Thus, he receives a sparkling stone with a new name inscribed on it, though none but the receiver can ever know it. This stone is the Eternal Word as it manifests to him. Each comes to the Divine in his own way and so receives a different name, but all who come have purged themselves of sin. Sin has less to do with acts than with motives, for divine gifts can be used for both virtue and error.

Within his spiritual psychology, Ruusbroec distinguished five kinds of sinners and three companions of the Divine. Amongst sinners, the first class consists of those who are worldly and careless of good works; they suffer from multiplicity of heart. The second kind perform good deeds and love justice, yet willingly lapse into error. The third group are unbelievers, those who have little or erroneous faith (faith should be in the Divine and their own inner nature, not in dogmas alone). The fourth are shameless and without moral sensibility. The fifth are outwardly pure so that the world will think them holy, but the motive is wrong in that it seeks some ephemeral end. None of these conditions is predestined or congenital, and so all sinners can restore human dignity and a sense of the sacred within themselves. Nonetheless, there are degrees among those who turn towards the Divine. The hirelings of God follow what they take to be divine commands, but they do so out of self-love. They fear to lose the promise of heaven and they fear hell even more. Divine grace is unbounded compassion, and so the fear of hell arises only from self-love. This fear is justified in a paradoxical and inverted sense, for self-love produces hell. The faithful servant has overcome his fear because he has resigned everything to the Divine, and so has resigned his selfhood, demonstrating the first level of genuine faith. His actions result from love of God.
Jan van Ruusbroec : blz 17
The inward or secret friend of God presses beyond the motive of love while encompassing it. He turns wholly away from the world and is no longer divided in heart in any way. To ignorant outsiders he seems to do nothing because he cannot act in ways accountable by images and worldly motives. In the parable of Martha and Mary, Jesus praised both for their devotion. Martha exemplified faithful service, yet Mary won greater esteem because she was a secret friend, a true contemplative. For Ruusbroec, however, the man of meditation exists beyond analysis by worldly standards, but he does not forsake his obligations to humanity. To shun duties to mankind, which can all be subsumed under the rubric of divine love and translated into selfless service, is to delude oneself: the secret friend remains a faithful servant. Although the inward friends experience the afflatus of the Deific Presence, they still retain a subtle image of themselves and of Deity. 'They cannot with themselves and their own activity penetrate to the imageless Nudity.' Retaining some fragment of their selfhood, they do not pass into the Wayless.

The hidden sons of God - the supreme possibility of human achievement - transcend all images, including any image of self and the Divine. Like the drop disappearing in the consuming embrace of the sea, nothing is lost save the image of what is real. That image, though of the subtlest and most purified nature, is ultimately false and must be stripped away. The hidden son approaches Deity without attributes and therefore discovers that Deity is likewise attributeless. The image of the Divine was nothing more than a projection of self-image. Stripped naked, one plunges into the Divine Abysm, which is the infinite, fiery ocean of Eternal Life.

Could we renounce ourselves and all selfhood in our works, we should, with our bare imageless spirit, transcend all things, and without intermediary we should be led by the Spirit of God into the Nudity. . . . When we transcend ourselves, and become, in our ascent towards God, so simple that the naked love in the height can lay hold of us, where love enfolds love, above every exercise of virtue - that is, in our Origin, of Which we are spiritually born - then we cease, and we and all our selfhood die in God. And in this death we become hidden sons of God, and find a new life within us-, and that is eternal life.

Thus, Jan van Ruusbroec lived a gentle and friendly life, teaching a message of great difficulty precisely because it was simple and without qualification. Even as he grew frail, he aided all who came, including Poor Clares and Geert Groote, who founded the Brethren of the Common Life. One night his mother appeared to him in a dream and told him he would die before Advent. Thus forewarned, he insisted on being taken to the common infirmary, where he at once succumbed to a fever. Two weeks later, he called the brothers to him, commended himself to their memory and, smiling, passed painlessly out of incarnated existence at the age of eighty-eight on December 2, 1381. It is said that Groote knew at once of Ruusbroec's death and that the bells of Deventer tolled on their own. He appeared in visions to those of his disciples who undertook to bury the body of 'the sweetest monastic flower'. Though suspected of heresy and pantheism, Ruusbroec entered the sacred stream of spiritual heroes who offer help and hope to all human beings. His brightness passed into that Brightness of which he loved to write:

This brightness is so great that the loving contemplative, in his ground wherein he rests, sees and feels nothing but an incomprehensible Light; and through that Simple Nudity which enfolds all things, he finds himself and feels himself to be that same Light by which he sees and nothing else. . . . Blessed are the eyes which are thus seeing, for they possess eternal life.

The Adornment of the Spiritual Marriage